Archief van
Tag: peuterspeelzaal

Waarom wij voor Montessori kozen

Waarom wij voor Montessori kozen

“Laatst vroeg ik via Facebook  waar de volgende blog over moest gaan. Het was al snel duidelijk dat jullie meer wilden weten over onze keuze voor Montessori. Dus bij deze, de eerste blog op verzoek! Zat je voorkeur er niet bij? Ik zal veel vaker om jullie mening gaan vragen, zodat iedereen aan zijn trekken komt :)”

Montessori ervaringen

De keuze voor de Montessori school begon eigenlijk al toen we op zoek gingen naar een peuterspeelzaal. Onze dreumes was toen nog maar 1,5 jaar oud. Toch hadden we rond die tijd al een redelijk beeld van ons kindje, met haar karakter, nukken, voorkeuren en interesses. Het blijft altijd bijzonder hoe snel je de persoonlijkheid van zo’n kleine gup leert kennen. In die 1,5 jaar hadden we geleerd dat Meia een best pittig ding was, met héél veel energie, ontdekkingsdrang en nieuwsgierigheid. Dat we zochten naar een peuterspeelzaal was met een tweeledig doel: uitdaging voor Meia enerzijds, even een momentje van rust voor ons anderzijds.

Peuterspeelzaal en school

Wetende dat de meeste peuterspeelzalen in het gebouw van een school zitten, of op de één of andere manier een samenwerking hebben met een bepaalde school, vond ik het logisch om voor een peuterspeelzaal te kiezen die hoorde bij een school waar we achter stonden. Min of meer kwam het er dus op neer dat we met 1,5 jaar ook indirect al voor de school hadden gekozen. We bekeken een paar speelzalen in onze directe regio maar daar vond ik niet zoveel aan. Ik miste iets en kon het niet zo goed duiden.

Schot in de roos

Toen we bij de speelzaal van de Montessori gingen kijken, kregen we ook direct een rondleiding door de school. Ik weet niet meer hoe dit precies ging, misschien dat we dat destijds zelf hadden gevraagd om ook een beeld van de school te vormen. In ieder geval, dit was direct een schot in de roos. Ondanks het feit dat de school zich toen bevond in een dependance, omdat de nieuwe school nog gebouwd moest worden.

Geen standaard werkwijze

Pas toen we de rondleiding bij de peuterspeelzaal en school kregen, besefte ik wat ik eerder had gemist: deze school sprak taal die uitging van het kind en de behoeften van het kind. In andere scholen/speelzalen werd er vanuit het aanbod gesproken: “dit is wat we hebben”. Dat is op zich prima, maar ik merkte dat ik daar geen genoegen mee kon nemen. We hadden vanaf de babytijd al behoorlijk wat te stellen gehad met Meia, en zij was best veeleisend in haar ontwikkelingsbehoeften. Ze vroeg, net als ieder kind, een unieke begeleiding om zich goed te kunnen ontwikkelen. En waar voor veel kinderen een standaard aanbod en standaard werkwijze prima is, besefte ik dat dit voor Meia waarschijnlijk ontoereikend zou zijn.

Natuurlijke manier

De school liet ons zien hoe de kinderen werkten, hoe een kind vanuit zijn eigen interesses en motivatie aan de slag ging, waardoor het per definitie gemotiveerd aan de slag was. Dat zagen we terug. Het was een klein bijgebouw, vol met spullen en kinderen, maar desondanks was het heel stil, de kinderen waren rustig aan het werk, de sfeer was gemoedelijk. Dat verwonderde me enorm! Het voelde meteen goed. Het is geen vrijheid blijheid, want er moeten wel doelen worden gehaald. Maar de manier van werken is veel natuurlijker. Al eerder schreef ik dat een kind pas leert als het iets leuk vindt. En dat belangrijke principe wordt in de praktijk gebracht, want een kind wordt verantwoordelijk gemaakt voor zijn eigen leerproces.

Begrijpen waarom je iets leert

Wat ik vooral heel waardevol vindt, is dat er niet doelloos wordt geleerd: niet argeloos de ene les na de andere les verwerken, maar dat kinderen wordt uitgelegd waaróm ze iets leren. Als een kind snapt waaróm ze iets doen, dan is de motivatie ook hoger om iets te willen begrijpen. Dan zetten ze zich in om iets echt onder de knie te krijgen. Dit stemt overeen met de natuurlijke nieuwsgierigheid die kinderen hebben, en maakt de theorie direct praktisch: om iets ingewikkelds te weten, moeten eerst de stappen daar naartoe worden beheerst.

Montessori materiaal

Het Montessori onderwijs werkt daarom niet alleen op ‘het platte vlak’, zoals met werkboeken, maar ook met het bekende Montessori materiaal. Ik wist nog, vanuit mijn pabo-verleden lang geleden, dat Maria Montessori inderdaad ook eigen materiaal had ontwikkeld, maar pas sinds mijn kinderen zelf deze onderwijsvorm krijgen, begrijp ik veel beter het hele gedachtegoed hierachter. Op school zijn er namelijk regelmatig informatie avonden over bijvoorbeeld het rekenonderwijs, waarin dieper wordt ingegaan op de materialen en hoe deze worden ingezet in de lessen.

Slim gedachtegoed

Er ging een wereld voor me open tijdens deze avonden, want wat is dit een slim doordacht systeem! Doordat kinderen handelend bezig zijn, met concrete materialen, wordt de abstracte theorie van het platte vlak (bijvoorbeeld de kale sommen) ineens inzichtelijk en begrijpelijk. Een kind snápt hoe een keer-som werkt of gaat bepaalde algoritmes doorzien. De Montessori school moedigt deze manier van werken dan ook aan. En de onderwijsvorm is door de alle leerjaren heen doorgetrokken, wat de samenhang vergroot. Er wordt bijvoorbeeld gewerkt met kleuren voor bepaalde cijfers: hiermee wordt al in de kleuters gestart, zodat kinderen bijvoorbeeld precies weten hoeveel kralen in de paarse kralenketting zitten.

Zelfstandigheid

Het Montessori heeft bepaalde motto’s en denkwijzen, die de meesten van jullie misschien wel eens gehoord hebben. “Vrijheid in gebondenheid” is er eentje van. Het werken aan zelfstandigheid is een andere. Hoe dit er in de praktijk aan toe gaat, daar kwam ik al achter toen mijn oudste begon op de speelzaal. Ze trokken toen bij wijze van spreken een half uur uit voor het aantrekken van jassen en schoenen (op school draagt iedereen slofjes). Gewoon, omdat ze ieder kind de kans wilden geven om te proberen zijn jas aan te laten trekken. Tot waar het lukte, deed het kind dit zelf, pas daarna hielp de juf voor de rest. Zo ook met het inschenken van drinken: kinderen leren zelf hun limonade inschenken en daarna de bekers op te ruimen. Deze visie van zelfredzaam maken en de autonomie bevorderen, gaat door wanneer een kind begint op de basisschool.

Vrijheid in gebondenheid

Vrijheid in gebondenheid is terug te herkennen in het feit dat een kind zelf mag bepalen hoe het zijn dag indeelt, tot op zekere hoogte. Want bijvoorbeeld een muziekles of fruit eten zijn op vaste tijden. Maar tijdens het werken, kan mijn dochter best beslissen om wat langer met taal bezig te zijn, en rekenen vandaag over te slaan. Dat betekent wel dat zij morgen extra rekenwerk zal hebben, dus over die beslissing en de gevolgen daarvan, moet ze wel nadenken. Het kan ook betekenen dat een kind liever begint met het afmaken van een werkstuk voor kosmisch onderwijs, en pas ’s middags taal en rekenen afmaakt. De gebondenheid zit hem in de grenzen van de vrijheid. Want elke paar weken, moet een kind laten zien of het bepaalde doelen voor o.a. rekenen en taal beheerst. De leerkracht monitort het leerproces van een kind en stimuleert om na te denken over de keuzes en gevolgen ervan die het maakt.

Flexibel schoolsysteem

Ik kom voor mijn werk heel regelmatig op uiteenlopende scholen in regio Drechtsteden, en niet zelden valt mij op hoe star of conservatief het schoolsysteem is. Helaas zijn opmerkingen in de trant van: “maar zo doen wij dat al jaren” of “dat hebben we nog nooit gedaan” geen zeldzaamheid. Juist daarom waardeer ik de flexibiliteit en het ‘omdenken’ van deze school zo erg: er wordt altijd gedacht vanuit het kind, en de stof daaromheen wordt daar waar nodig en mogelijk op aangepast. Dit was in het geval van Meia ook heel duidelijk.

Werken vanuit de behoefte van het kind

Op de peuterspeelzaal kwam zij niet uit de verf. Ze had behoefte aan uitdaging maar was tegelijk onzeker en geneigd zich aan te passen. Tijdens het tweede jaar op de speelzaal is in overleg al kleutermateriaal naar de speelzaal gehaald. Toen zij begon op school, is dit aan de hand van een ‘warme overdracht’ gegaan: speelzaal en school bespraken de aandachtspunten voor Meia wanneer zij zou starten. In de kleuterjaren is er constant zo gewerkt dat de lesstof naar Meia toekwam, ook al betekende dit dat er bijvoorbeeld materiaal uit de middenbouw gehaald moest worden. Fysiek zat zij in de kleuterklas, maar omdat het zo gewoon is dat elk kind op zijn eigen niveau werkt, viel het ook niet op wanneer zij andere lesstof deed. En ook nu in de middenbouw wordt de lesstof aangepast aan de leerbehoeften.

Gemengde groepen

Een groot voordeel daarin vind ik de bouwgroepen in het Montessori onderwijs. Dit vond ik een van de belangrijkst meewegende argumenten in onze overwegingen voor Montessori onderwijs. Tegenwoordig zijn er bijna in elke school wel kleuterklassen met gemengde groep 1 en 2, maar in deze school is er daarnaast ook sprake van de middenbouw (groep 3, 4 en 5 gemengd) en de bovenbouw (groep 6, 7 en 8 gemengd). Elke bouw heeft zijn eigen ‘unit’, wat in de praktijk inhoudt dat elke bouw in een ander gedeelte van de school zit, met een eigen gemeenschappelijke ruimte. Hoewel er 4 klassen zijn, is dit in de praktijk minder star: zo kunnen met een les nieuwsbegrip kinderen uit de verschillende klassen bij elkaar worden gezet. Of zitten leerlingen uit verschillende klassen met elkaar in de gemeenschappelijke ruimte te werken.

Verschillende leeftijden in één groep

Wat ik vooral fijn vindt aan de gemengde leerjaren, is dat het ook hier weer dichter bij de natuur staat: ook in gezinnen moeten de meeste kinderen leren omgaan met oudere of jongere broertjes of zusjes. Soms vergt dat een meer coachende rol naar jongere kinderen, soms wordt je uitgedaagd om iets ook te kunnen, zoals een oudere leerling. Bovendien is er voor een kind meer keuze in de aansluiting op sociaal gebied. Het leert dus ook belangrijke sociale vaardigheden. Een ander voordeel van de gemengde leerjaren is dat het niet opvalt of uitmaakt op welk niveau een kind werkt. Er is geen gevoel van uitzondering, want elk kind volgt in feite zijn eigen leerlijn.

Geen klassikaal onderwijs

Wat meteen opvalt als je een bezoekje neemt in een Montessori school is dat er in een klas heel anders wordt gewerkt dan in een reguliere school. Er wordt bijna geen klassikaal onderwijs gegeven, waardoor het kan zijn dat de kinderen uit een klas verschillende dingen doen. Uiteindelijk moeten zij wel bepaalde weekdoelen bereiken, maar de indeling van hun planning mogen zij voor een groot gedeelte zelf bepalen. Als er bijvoorbeeld lesjes worden gegeven, worden hier de kinderen bij gevraagd die deze les nodig hebben. Dat hangt dus af van het niveau van een leerling. In het geval van Meia, die lezend binnenkwam in de groep 3, betekende dat zij geen lesjes in het leren lezen hoefde te volgen. Dit voorkomt veel frustratie en zorgt voor veel efficiënter onderwijs: zij kon meteen met verwerkingsopdrachten aan de gang.

Brede ontwikkeling

Een ander zeer waardevol argument voor ons was het onderwijsaanbod. Deze school gelooft in een brede ontwikkeling, en hecht niet alleen waarde aan de vakken zoals taal en rekenen, maar steekt ook veel tijd en energie in de creatieve en sociaal-emotionele kant van het kind. Zo is er een samenwerkingsverband met de kunst- en cultuurschool uit de regio, waardoor alle kinderen elk jaar een aantal gastlessen hebben op gebied van dans, drama of beeldende kunst. Er zijn extra gymlessen, omdat zij een gezonde school zijn en er is een vakdocent voor muzieklessen die ze wekelijks krijgen. Er zijn geen zaakvakken, zoals biologie, geschiedenis of aardrijkskunde, maar er wordt gewerkt met Kosmisch onderwijs.

Kosmisch onderwijs

Kosmisch onderwijs is ook een typisch begrip uit het Montessori. Ook deze manier van lesgeven gaat over meerdere jaren heen. Er wordt namelijk gewerkt in thema’s. Op dit moment is er in de kleuterklas bijvoorbeeld het thema herfst en in de middenbouw wordt stilgestaan bij het ontstaan van de aarde. Hierin zijn alle lessen verweven, waardoor er gewerkt wordt met een natuurlijke samenhang tussen de vakken. Ook bijvoorbeeld de kunstzinnige verwerking valt in het kosmisch onderwijs.

Blij met de school

Sinds mijn kinderen naar school gaan, met ik met terugwerkende kracht jaloers op ze: zat ik maar op deze school! Het is zo leuk om te zien hoe een groep kinderen samenwerkt aan een project in het theater, of om uitgenodigd te worden op de slakkententoonstelling van je zoontje uit de kleuterklassen. Het schoolsysteem klopt gewoon. En ik ben er echt van overtuigd dat je een school moet kiezen die past bij je kind. En in ons geval, met drie kinderen, is dat best spannend, omdat je nog niet weet of het schoolsysteem bij alle kinderen past. Maar die twijfel wordt steeds minder: de flexibiliteit van de leerkrachten, het meedenken over hoe je kind werkt en wat het nodig heeft en de vele mogelijkheden om daarop aan te sluiten geven het vertrouwen dat dit goed komt. Plus het feit dat ik er van overtuigd ben dat deze manier van lesgeven de natuurlijke manier van leren van kinderen het beste benaderd van de beschikbare onderwijsvormen.

Hoe Fosse niet zindelijk wilde worden

Hoe Fosse niet zindelijk wilde worden

Te koppig om naar de wc te gaan

Zindelijkheid. Dat is wel een dingetje geweest hier. Met de oudste was het aanvankelijk geen probleem. Met 2,5 jaar oud vroeg ze uit zichzelf of ze op het potje mocht en binnen een week (!) was ze overdag volledig zindelijk. Het ging volgens het boekje: ze was geïnteresseerd, keek hoe wij plasten, ging met ons mee en was bereid om te oefenen. En sinds die tijd zijn de keren dat het mis ging op één hand te tellen.

Geen zin

Maar bij Fosse was het een heel ander verhaal. Fosse, met zijn gemoedelijke karaktertje, kon het niet zoveel schelen. En dat was zachtjes uitgedrukt. Want Fosse heeft, met bepaalde onderwerpen, een flinke kop erop zitten. En dus had hij blijkbaar besloten dat hij niet zindelijk hoefde te worden. Als je denkt dat ik een grapje maak: helaas! Toen hij al een tijdje 3 was, zei hij doodleuk dingen als: ‘ik ga niet op de wc plassen, want ik word toch niet groot’ of: ‘ik doe het gewoon in mijn luier’. Nou en geloof me, als Fosse dat eenmaal heeft besloten, moet je toch van verdomd goeie huize komen wil je daar verandering in de zaak brengen.

Interesse in plassen op de wc

Natuurlijk waren wij met Meia’s 2,5 jaar verwend, en verwachtten we ook niet dat Fosse dan al zindelijk zou zijn. Dat hoefde ook niet. Jongens zijn immers ook later dan meisjes met zindelijk worden, dus we gaven het nog even de tijd. Maar het viel al wel op dat er 0,0 interesse was vanuit hem. Op het consultatiebureau werd het bezoek na bezoek ook gecheckt: ‘is er al interesse?’, ‘kijkt hij naar anderen?’, ‘neem je hem mee, probeer je het al eens samen?’. En met elk bezoekje besefte ik: hmm, het is nog steeds niet aan de orde.

Verschonen

Maar het waren niet de vragen vanuit het consultatiebureau die mijn motivatie om aan de zindelijkheid te werken versterkten. Heb je wel eens geprobeerd een flinke 3-jarige op een verschoningsmatje te vouwen? Die dingen zijn ontworpen voor BABY’S, met bijbehorende afmetingen. En mijn zoon voldeed absoluut niet aan die omschrijvingen. En dat was nog niet het ergste: de productie bij een baby is nog te overzien. Die van een 3-jarige is echter van een heel ander kaliber! Het was gewoon geen feestje meer, deze momenten. En ‘helaas’ wordt er door ons kroost nog al wat naar binnen gewerkt, en alles wat er in gaat… Juist.

Motiveren om zindelijk te worden

Dus langzaam maar zeker begonnen Steef en ik ons offensief uit te voeren. We begonnen met vriendelijk vragen: “zullen we eens proberen op de wc te plassen Fosse?” “Nee! Ik wil niet op de wc, ik blijf gewoon klein!”. Ik begon met benoemen van de voordelen: “als je straks op de wc plast, kun je alles gewoon zelf doen, dan blijven je billen ook gewoon schoon en stinkt het niet meer zo erg door die vieze luiers” “Maar ik ga toch niet op de wc plassen”. We haalden boekjes uit de bieb over zindelijk worden, op het potje gaan, op de wc plassen, etc. Hij vond er niks aan. In mijn wanhoop heb ik zelfs geprobeerd hem op te kopen: “als je het probeert dan krijg je een ijsje!” “Nee, ik hoef niet”. Ik begon, gevoed door eigen irritaties, met het benoemen van de nadelen (geen idee of dat pedagogisch verantwoord is, maar het gebeurde): “jemig Fosse, je past helemaal niet meer op het kussen, je bent veel te groot! Grote jongens gaan gewoon naar de wc. Straks op school kun je niet meer in een luier hoor! En het is zo vies… heel je billen onder de poep! Dat zit toch ook helemaal niet lekker!”, waarop veelal werd gereageerd met een pruillip en dito gezicht, waardoor ik me per direct weer een rot moeder voelde.

Reacties van anderen

Ondertussen kwam het onderwerp natuurlijk ook bij anderen ter sprake, die vaak verbaasd reageerden als ik uitlegde dat Fosse nog luiers droeg. En ik was er van overtuigd dat hij gewoon zindelijk kón zijn, als hij het maar probeerde, want ik kon de klok erop gelijk zetten wanneer hij naar de wc moest. Maar koppig als hij was, deed hij dit gewoon niet. Punt. Dus wanneer meneer ging spelen bij zijn vriendinnetje, ging er steevast een setje luiers en doekjes mee. Het zou hem een worst wezen volgens mij. Zo ook op de peuterspeelzaal. Vaak merk je bij kinderen onderling dat er iets van statusgevoel ontstaat wanneer er een paar zelfstandig naar de wc kunnen, wat vervolgens de motivatie bij andere kinderen vergroot om dat óók te kunnen. Bij Fosse dus niet. Die had er was anders op bedacht: hij ging gewoon niet.

Peuterspeelzaal

En niet zelden werd ik dan weer aangesproken door de leidsters die met een ernstig gezicht uitlegden dat het nu toch wel tijd werd om hem voor te bereiden op de basisschool, dat we nu toch echt moesten beginnen met zindelijkheidstraining. Fosse stond dan te zuchten en te dralen terwijl deze gesprekjes plaatsvonden, want het was alles behalve relevant voor hem, had hij bedacht. Want, zo hield Fosse de laatste weken voor de zomervakantie vol: “het duurt nog héél lang voor de school begint”. Alle tegenargumenten ten spijt.

Het omslagpunt

Ik zag het inmiddels somber in. Hoe moest dat nou straks, de leerkracht gaat echt zijn luier niet verschonen. Ik had al een doemscenario dat hij helemaal niet naar school zou kunnen. Totdat Fosse op een dag, ergens in juni, ineens besloten had op de wc te plassen. Het was kort nadat er wederom een gesprekje plaatsvond op de peuterspeelzaal tussen de leidster en mij. En ik vervolgens mijn moedeloosheid uitte naar onze nanny. Wat er precies is gebeurd, ik weet het niet, maar een wonder voltrok zich voor onze ogen: Fosse wilde naar de wc!? We begrepen er niks van. Het plassen was (wat ik al vermoedde) zó onder de knie, hij voelde natuurlijk allang aan wanneer hij moest.

Poepen op de wc

De grote boodschap vond hij spannender. Het letterlijk loslaten hiervan vond hij eng, wat veel kinderen in het begin hebben. Ik opende resoluut mijn grote trukendoos weer en begon met alle liefde met chanteren: “Fosse als het lukt dan gaan we meteen een autootje kopen!” riep ik half hysterisch terwijl hij vechtend tegen de aandrang zijn drol probeerde rechtsomkeert te laten maken. En dit keer won ik. De drol plonsde in de wc en ik zette een polonaise in, in mijn eentje, klappend en joelend van geluk, want ik wist: nu het één keer gelukt was, ging de rest ook lukken. Zoals beloofd trakteerde ik mijn zoontje van net geen 4 jaar op de mooiste hot wheels die hij kon vinden en stuurde ik, volledig opgaand in mijn manie, een foto van de inhoud van de wc door aan onze nanny. Het is ons gelukt! En wat was Fosse trots, nu hij merkte dat het hem lukte én zoveel voordeel opleverde. Sindsdien gaat het eigenlijk altijd goed. Wat een opluchting.

De nachten zijn een heel ander verhaal, waarover ik een andere keer zal schrijven.

Ontwikkelingsvoorsprong bij de oudste: het besef

Ontwikkelingsvoorsprong bij de oudste: het besef

Voorlopen in ontwikkeling

Toen Meia nog maar een baby was, merkte ik al vrij snel dat er een aantal dingen niet ‘volgens het boekje’ liepen. Meia was onze eerste en wij waren ook de eerste in de familie en onze vriendengroep, dus was vergelijkingsmateriaal niet direct voor handen. Maar ik voelde dat onze baby anders reageerde dan de meeste anderen.

En hoewel ik toen net een studie achter de rug had, voelde ik me alles behalve zeker in die eerste maanden. Zeker omdat je bepaalde verwachtingen hebt ten aanzien van baby’s en het ouderschap die dan niet kloppen met de werkelijkheid. Dat brengt je een beetje uit evenwicht.

Weinig slaapbehoefte

Een van de eerste dingen die opvielen was dat ze zo weinig sliep. Baby’s sliepen toch het merendeel van de dag? Ik begreep er niks van. Hoe deden andere ouders dat? Ik zat soms 1,5u mijn kind in slaap te wiegen, voordat ze eindelijk sliep. Redelijk uitgeput ging ik dan vervolgens naar beneden, op muizenvoeten, waar ze na krap 20 minuten alweer wakker was! Gek werd ik er van! Ik had echt het idee dat ze helemaal niet wilde slapen. In de kraamweek was de kraamverzorgster al zo verbaasd dat ze haar hoofdje al zo vaak zelf rechtop hield als ze op schoot zat of op haar buik lag. Ze is zeker sterk, dacht ik toen. Maar na een paar dagen kreeg ik het idee dat ze haar hoofdje doelbewust wilde gebruiken om om zich heen te kijken, tot ze niet meer kon.

Alles in zich opnemen

Sowieso zat ze het liefst rechtop op schoot, over onze schouders heen kijkend, grote opengesperde ogen. Ze vond alles mooi, maar nooit lang. Zolang je maar met haar rondliep, de dingen benoemde en aanwees, liedjes zong, gekke bekken trok of wat dan ook, was het goed. Het vergde nogal wat energie om haar tevreden te stellen, want dat was ze echt niet gauw. Het was alsof ze zich geen tijd gunde om te slapen, alsof ze niets wilde missen en alles in zich op wilde nemen. En het leek zelden genoeg.

Huilen uit boosheid en frustratie

Haar ontwikkeling verliep razendsnel. En dat besefte ik uiteindelijk pas toen onze tweede, Fosse werd geboren. Toen we met hem een babytijd ‘volgens het boekje’ doormaakten, werd het contrast met de babytijd van Meia met een schok duidelijk. Terwijl je bezig bent met het verwerven van je nieuwe rol als moeder, ouder, het wennen aan en leren kennen van je kind, merk je niet hoe de ontwikkeling anders verloopt van die van anderen. Althans, niet erg bewust. Op een meer onbewust niveau merkte ik wel dat we steeds tegen dingen aanliepen omdat je niet goed snapt waarom ze bijvoorbeeld zo vaak huilde, en dan vooral uit nijd of boosheid leek het wel.

Snelle motorische ontwikkeling

Want Meia was (en is) een meisje met temperament, met een kop erop zogezegd. Als zij iets wil, dan wil ze het nu, en wil ze het ook nu kunnen. En zo kwam het dat zij met 4 maanden door de woonkamer tijgerde, met 7 maanden langs de tafel liep, en met 9 maanden woordjes begon te zeggen. Ze leek zichzelf geen rust te gunnen, alsof ze geen tijd te verliezen had. Ik denk ook mede om die reden dat we regelmatig bij de huisartsenpost te vinden waren: Meia had zichzelf geleerd op de bank te klimmen, maar nog niet om er ook handig vanaf te komen, met de nodige ongelukjes van dien. Meia klom de trap op en wist op haar eerste verjaardag zichzelf in de draaistoel te hijsen en deze vervolgens te laten draaien. Val- en struikelpartijen lagen altijd op de loer, door al haar gekke toeren die ze uithaalde.

Temperamentvol

Steeds regelmatig kreeg ik vanuit de omgeving opmerkingen in de trant van “ze is wel vlot hoor”, “kan ze dat al?”, die lieten doorschemeren dat zij wellicht vlotter in haar ontwikkeling was. Maarja, bij zulke kleintjes kun je daar toch verder niks mee, dacht ik toen. En iedere keer hoopte en dacht ik: “als ze straks kan kruipen/lopen/praten/pakken/etc. dan zal ze wel tevreden zijn, dan zal haar frustratie weg zijn”. Maar dat was slechts van korte duur. Want zodra ze de ene kant op kon rollen, was ze boos dat ze niet meer terug kon rollen. Kon ze eindelijk dingen pakken, werd ze boos dat ze geen twee dingen beet kon houden of ergens niet bij kon. Kon ze tijgeren, zat ze steeds klem onder de tafel of kast. Kon ze lopen, ging het haar te traag en viel ze constant in haar hopeloze pogingen te rennen. Het was constant alsof haar hoofd een stap voorliep op haar lijf. Alsof ze begreep wat er in theorie mogelijk was, maar het nog niet helemaal kon uitvoeren. En het dreef haar (en ons) regelmatig tot wanhoop.

Zoeken van uitdaging

Het eerste jaar was al met al een pittig jaar. Weinig slapen, pas doorslapen met 8 maanden, overdag bij wijze van spreken een dagprogramma vol met entertainment willen hebben om tevreden te zijn (de box is bij ons toen nooit gebruikt, enkel als opslagplek voor alle zooi). Ik was benieuwd wat de jaren daarna zouden brengen. Toen ze goed kon lopen werd haar wereld wel groter, evenals haar zelfstandigheid en haar mogelijkheden. Het leek eindelijk wat rust te brengen. Maar ze zat nooit stil. Overal zocht ze de uitdaging in. Met 2 jaar was ik blij dat ze eindelijk naar de peuterspeelzaal kon, zodat ze misschien wat uitgedaagd kon worden. Maar dat was achteraf bezien wat ijdele hoop. Ook daar konden ze niet bieden wat ze wilde, en wij konden ook niet precies uitleggen wát ze nodig had, omdat we dat nog niet precies wisten.

Grenzen opzoeken

En wat er dan gebeurt is iets wonderlijks. Kinderen die uitdaging nodig hebben, zoeken die uitdaging, ongeacht op welk terrein. Het is als het ware een soort ontwikkelhonger die gestild moet worden. Als er geen gebied is om die uitdaging in te vinden, dan wordt het zoeken van de uitdaging verlegd op het terrein van de relatie. Dus gebeurde het dat Meia, met haar 2 jaar, op bijna manipulatieve wijze, de grenzen op zocht bij ons als ouders. Het was bikkelen, want ze leek geen gezag te accepteren en we begrepen er geen snars van. Hoe kon zo’n klein meisje nu zo’n ijzeren wil hebben en zo vastberaden zijn? Ik merkte dat het steeds botste als wij in de machtspositie belandden (zinloos, geloof me): dan was het hard tegen hard.

Machtsstrijd

Pas na talloze vruchteloze machtsstrijden viel bij mij het kwartje: ik moet er naast blijven staan, ze moet het gevoel hebben dat zij niet de mindere is, niet ondergeschikt, maar gelijkwaardig, dat zij als partner wordt behandeld. En dat was inderdaad het antwoord (Ja jongens, al ben je dus orthopedagoog, als moeder blijf je ook maar mens!). Toen we meer als ‘team’ gingen samenwerken, ik haar uitlegde waarom ik deed zoals ik deed, ik argumenten gaf voor de reden waarom ik dingen van haar verwachtte, kon ze de deze accepteren en zich er naar voegen. Maar zelfs dan, met nog geen 3 jaar oud, kon ze ook beslissen iets niet te doen, gewoon omdat ze de reden ervan niet overtuigend genoeg vond. En toegegeven, nog steeds zijn dat lastige momenten: want hoe krijg je soms voor elkaar wat je wilt, zonder in een machtsstrijd te verzanden?

Vaststellen van een voorsprong

Ik overlegde deze en veel andere zaken ook wel eens met mijn collega’s en bijvoorbeeld op het consultatiebureau. En steeds vaker begon ik te denken of ze misschien voorliep, dat ze daarom andere behoeftes had in haar ontwikkeling, dat we daarom soms niet op één lijn zaten. En toen ze op het consultatiebureau uiteindelijk ook zeiden dat het doen van een intelligentieonderzoek wellicht goed was, heb ik die stap uiteindelijk gezet. Met net 3 jaar heeft Meia het onderzoek gedaan, afgenomen door een collega. En hoewel je vermoedens hebt, is de uitslag toch even schrikken. Een voorsprong van 1-2 jaar op verschillende onderdelen. Dus toch.

Eindelijk rust?

Op die leeftijd kun en mag je nog niet spreken van hoogbegaafdheid, maar van een ontwikkelingsvoorsprong, vanwege de grilligheid in de ontwikkeling. Maar doordat we nu wisten dat we haar cognitieve vermogens op een ander niveau konden (ja zelfs moesten, eigenlijk) aanspreken, veranderde ons meisje zienderogen. Weg met de leeftijdsindicaties op alle spellen en speelgoed, maar afgaan op interesses. Ik kreeg dat jaar een museumkaart voor mijn verjaardag en sindsdien hebben we haar meegenomen naar musea. Er ging een wereld voor haar open. Ze vroeg de oren van onze hoofden en genoot van alles wat ze zag en hoorde. In de bibliotheek liet ik de peuterboeken links liggen, maar zocht ik voorleesboeken en boeken met specifieke onderwerpen. Ze verslond ze!

Vinger aan de pols voor de toekomst

En nu ze eindelijk de voeding kreeg die ze zo nodig had, klaarde ze op: er kwam rust, ze kon weer spelen, ging zich beter concentreren, was niet meer zo vluchtig. Toen ze daarnaast ook op peuter/kleutergym met bijna 3 jaar, kon ze ook haar motorische energie kwijt. Op de peuterspeelzaal werd materiaal uit de kleutergroepen gehaald om haar te prikkelen. En alle puzzelstukjes vielen steeds meer op hun plek: we snapten de onrust, de frustraties en de rappe ontwikkeling uit de babytijd nu ineens. En nu we wisten wat ze nodig had, konden we daarop inspelen. Vanuit mijn opleiding wist ik dat we waakzaam zouden moeten blijven, dat vinger aan de pols houden nodig bleef. Maar ik had vertrouwen in de toekomst en was benieuwd hoe ze zich verder zou ontwikkelen.

De afweging: wel of niet naar de peuterspeelzaal?

De afweging: wel of niet naar de peuterspeelzaal?

Waarom ik mijn derde kind thuis houd

Al eerder schreef ik over het afscheid van mijn middelste van de peuterspeelzaal. Toen mijn oudste nog naar de speelzaal ging, was dit op een andere locatie en met een iets ander beleid. Er was toen nog volledige vergoeding voor de twee ochtendjes die zij per week ging. Dit maakte de drempel voor mij laag om haar hier naartoe te laten gaan, zodat ik die uurtjes even mijn handen vrij had. Maar al vrij snel kwamen de bezuinigingen in het onderwijs, de zorg en ook de voorschool.

Is de speelzaal het geld waard?

In tegenstelling tot de basisschool, waar ik per jaar maar zo’n €75 betaal, moest ik voor die ‘luttele’ twee ochtendjes per week ineens per maand een flinke smak geld betalen! Dat maakte mijn houding ineens een stuk kritischer: was het dat geld wel waard? Tsja, je blijft tenslotte Hollander. Bovendien had ik een dure studie naast mijn werk, waardoor ik goed moest nadenken over de verschillende uitgaven.

Gastouder versus peuterspeelzaal

Maar Fosse had er zin in, en ik vond het ‘oneerlijk’ om Meia wel naar de voorschool te laten gaan en Fosse niet. Dus toen Meia op de basisschool begon, startte Fosse tegelijkertijd op de peuterspeelzaal. Maar al snel groeide bij mij wat twijfels. We hadden toen nog een gastouder waar de kinderen 2 dagen per week naartoe gingen. In feite deed zij dezelfde dingen, en oefende Fosse daar ook in het omgaan met andere kindjes. Toen Fosse 3 jaar werd, kregen we zelfs opvang aan huis (een nanny! hierover later meer :)), waardoor het nog meer dubbelop ging voelen.

Observaties op de peuterspeelzaal

Hoewel Fosse het wel naar zijn zin had, kreeg ik van de speelzaal weinig tot niets te horen over de voortgang. Nadat hij er inmiddels een jaar naartoe ging, vroeg ik of er nog iets van een observatie of gesprek zou komen. De leidsters planden een observatie in en ik kreeg de boekjes daarna mee naar huis. En toen ik die las, besloot ik: Signe hoeft van mij niet naar de peuterspeelzaal. In de boekjes werd namelijk een ander beeld geschetst van Fosse dan hoe wij hem kenden. Blijkbaar ervaren zij hem anders (dat kan natuurlijk) en ik was benieuwd hoe dit kwam. Dus vroeg ik een gesprekje aan.

Ouders betrekken

Met de leidsters had ik leuk contact, maar ze vertelden inhoudelijk weinig, waardoor ik dus verrast was door de observatie. Dit vond ik een teleurstelling: ik ben van mening dat je het contact met ouders warm moet houden, de lijntjes kort, met snelle terugkoppeling van observaties. Of ouders hier nu om vragen of niet. Maar al te vaak geven ouders van mijn cliënten aan hoe belangrijk zij het vinden om betrokken te worden bij de behandeling van hun kind. Naar mijn mening is dat in dit soort situaties niet anders.

Tegenzin voor de speelzaal

Ik gaf in het gesprek aan hoe ik Fosse thuis kende, hoe andere ouders hem kenden, en hoe dit verschilde van hun ervaringen. Waar zij relatieve ‘achterstanden’ constateerden (hij praatte onduidelijk, was roekeloos in de motoriek), stelden anderen geen problemen vast (op advies van de speelzaal bij fysiotherapeut geweest bijvoorbeeld).

Tegelijkertijd merkte ik dat Fosse steeds meer tegenzin begon te ontwikkelen in het naar de speelzaal gaan. Steeds meer vriendjes en vriendinnetjes werden 4 jaar en verhuisden naar de basisschool. Alle puzzels en spelletjes waren intussen wel gespeeld had ik het idee, steeds vaker bleef hij om mij heen drentelen. En het feit dat ik Signe uit haar slaap verstoorde om Fosse die dagen te brengen en halen, hielp bij mij ook niet mee.

Waardevolle vaardigheden

Zo kwam ik tot het besluit om Signe thuis te halen. Na 2 kinderen heb ik gezien wat de speelzaal kan bieden. Ik vind het heel waardevol dat er wordt gewerkt aan vaardigheden als op je stoeltje blijven zitten, op je beurt wachten, samen delen, zingen, etc. Maar nu met onze nanny ben ik ervan overtuigd dat zij hetzelfde en méér kan bieden, zonder die maandelijkse kosten en het wekelijkse heen-en-weer-gesjouw-met-kinderen.

Twijfels

Toch vind ik het ook wel spannend: hoe zal Signe het straks vinden als ze dan de stap maakt naar de basisschool? Zal ze moeite krijgen met afscheid nemen? Doe ik haar tekort door haar thuis te houden? Kan ze wel voldoende sociale vaardigheden oefenen als ze alleen maar thuis is en niet in de groep functioneert? We zullen het zien, de komende jaren.

 

Het einde van het peuterspeelzaal-tijdperk

Het einde van het peuterspeelzaal-tijdperk

Friet met mayo

Ik heb vorige week friet getrakteerd. Nouja, groente-friet. Want het is een gezonde school hè! Maar wel in een puntzak. En een klodder mayo voor de liefhebber. Want vorige week is er weer een mijlpaal geslagen: die van de overgang tussen de peuterspeelzaal en de basisschool.

Fosse is 4 jaar geworden en was die ochtend dus voor de laatste keer naar de speelzaal. En toen ik daar kwam, bepakt en bezakt met schalen friet (als in stokjes gesneden wortel en paprika die titel mag dragen althans), een baby op mijn rug en bewapend met filmcamera, viel het me ineens op. Fosse is gróót! Met kop en schouders steekt hij boven de brabbelende tweejarigen uit.

Afsluiten van een fase

En op zulke momenten dringt het pas tot je door: jeetje, weer een fase voorbij. Eentje die niet meer terugkomt. In ons geval definitief, want ik heb besloten Signe straks niet naar de speelzaal te doen (daarover een andere keer meer). Terwijl Fosse doodleuk zijn ‘met-blik-op-oneindig’ maatje wijst op het feit dat de drinkbeker recht voor zijn neus staat, probeer ik deze laatste momenten goed in me op te nemen.

Knakworsten

Deze schijnbare romantiek wordt een tikkeltje verstoord als mijn collega-moeders van islamitische komaf ineens de knakworsten in de puntzakjes ontdekken. Oeps. Bij het brainstormen over ‘gezonde traktatie’ was ik gestopt. Geen rekening gehouden met de halal-voorschriften van de groepsgenootjes van Fosse.

Zo eindigt het gezamenlijk zingen en eten ineens in een ietwat ongemakkelijk achtervolgingsspelletje tussen de moeders en kinderen en is de groepsleiding ineens 5 knakworsten rijker. Aandachtspuntje voor de volgende keer. Fosse zwaait zijn vriendjes en de leiding gedag en ik neem toch wel enigszins opgelucht afscheid.

“Ze zijn er aan toe”

Want stiekem ben ik toch wel blij dat ik niet meer twee dagen per week door weer en wind naar school hoef te fietsen, en daarbij onnodig Signe uit haar slaap moet halen. En hoewel Fosse het vaak naar zijn zin had, is hij de speelzaal nu echt wel ontgroeid. Het is toch waar wat ze zeggen, over de basisschool: ‘ze zijn er aan toe’. Inderdaad, ook mijn gup valt ineens in dit cliché.

 


Misschien ook interessant:

  1. Haat-liefde verhouding met de Action
  2. Op de grens van gewoon opgroeien