Archief van
Tag: oplossingsvaardigheden

Ruzies tussen kinderen

Ruzies tussen kinderen

Waarom kinderen ruzie maken

Door jullie gekozen als volgende blogonderwerp: ruzies tussen kinderen. En dan heb ik het even niet over broertjes en zusjes, want die ruzies zijn onvermijdelijk en bovendien noodzakelijk. Maar leeftijdsgenootjes onderling maken ook héél wat ruzie met elkaar. Heel normaal. Even een robbetje vechten of lik op stuk geven. Maar in onze huidige maatschappij is ruzie tussen kinderen iets wat soms niet lijkt te mogen bestaan. Iets wat zo snel mogelijk moet worden opgelost of weggemaakt.

Wat doe je er aan?

Toen wij nog in het hof woonden, had ik er, tot mijn eigen irritatie, helaas regelmatig mee te maken. Ik zag kinderen uit de buurt en mijn eigen kinderen elkaar achterna zitten, uitschelden of elkaars spullen afpakken. Het is een lastige kwestie voor ons als ouders: je wilt niet dat je kind een ander slaat, pijn doet, uitscheldt, buiten sluit of op een andere manier kwetst. Toch lijkt het aan de andere kant soms onvermijdelijk.

Boos en overstuur

Als een meute kinderen mijn kind belaagden, de fiets afpakte of het stoepkrijt in de put propte, dan is het niet meer dan logisch dat mijn kinderen boos werden. Woedend zelfs. En dat zij overgingen in hetzelfde gedrag: vergelding. Maar in de meeste gevallen raakten zij overstuur en kwamen huilend thuis, zich geen raad wetend met de situatie.

Levenslessen

Hoe vervelend sommig gedrag tussen kinderen ook is, en hoe moeilijk het is om aan te zien: het zijn belangrijke lessen. Als mijn kinderen nu van school thuis komen met verhalen van scheld- of schoppartijen door andere kinderen, dan vreet ik me soms op. Maarja, ik ben er niet bij en kan er nu niks meer aan doen. Het enige dat je als ouders nog kunt doen is lering trekken uit deze situaties, en je kind wapenen tegen volgende situaties. Want die komen er, hoe oud ze ook zullen zijn.

Op je handen zitten

Dus zit ik soms op mijn handen terwijl ik uit het raam kijk hoe er tussen buurtkinderen een duel wordt gestreden. Om te zien of mijn kinderen in staat zijn tot redelijke oplossingen, zoals aangeven dat ze het vervelend vinden (‘stop daarmee’, ‘ik heb er last van!’), negeren (stoïcijns blijven door krijten) of uit de situatie gaan (‘kom we gaan ergens anders spelen’). In de hoop dat onze gesprekjes over de voorvallen hebben geholpen.

Waarom kinderen ruzie maken

Kinderen maken ruzie met elkaar. Dat is altijd al zo geweest en zal altijd zo blijven. Het is vaak nog steeds de wet van de sterkste die geldt. In het ruzie maken of ruzie zoeken zitten veel verschillende drijfveren. Mensen zijn sociale wezens en willen contact. Maar dit leggen van contact moet wel geleerd worden, door voorbeelden. Kinderen leren snel van ons en van elkaar. Ze zien waarmee andere kinderen succes hebben.

Macht

Voorbeeld: als een dominant kind een step wil hebben van een ander, kan hij die ander eraf duwen en de step opeisen. Dat geeft een gevoel van macht. Andere kinderen zullen uit angst sneller gehoorzamen aan dit kind. Als dit gedrag niet wordt doorbroken en niet ter discussie wordt gesteld, is het niet meer dan logisch dat het kind zo blijft doen. Hij krijgt immers zijn zin en niemand zegt er iets van, toch?

Sociale vaardigheden

Ander voorbeeld: een kind wil eigenlijk heel graag meespelen met andere kinderen, maar heeft nooit goed geleerd hoe hij dit moet aanpakken. Thuis is het een losgeslagen zootje tussen de broertjes en zusjes en helaas voelen ouders zich niet sterk genoeg om hier op in te spelen. De enige manier waarop ze nog overwicht hebben is door te straffen en af en toe wat tikken uit te delen. Dit kind rent op een middag de straat op als hij andere kinderen verstoppertje ziet spelen en gilt vervolgens waar iedereen zit naar de zoeker. De andere kinderen balen en worden boos, waarna het jongetje begint te schelden en spugen.

Stapjes in de goede richting

Het maken van ruzie kan dus verschillende oorzaken hebben, maar gebeurt meestal omdat kinderen onderling hun positie ten opzichte van elkaar willen ontdekken en veilig stellen. Kinderen zijn daarin puur, ze hebben nog weinig rem, en geven daarmee een indruk wat er tussen ons als volwassenen zou gebeuren als wij ons niet aan de sociale regels zouden houden. Uiteindelijk is het wel zo prettig als onze kinderen, op termijn, op redelijke wijze met elkaar kunnen omgaan. Ruzie maken met anderen zijn de trainingen op weg naar de einddoel. Zie het niet als tegenslagen, maar als weer een stapje richting de groei, als weer een lesje voor je kind.

Nabespreken van de situatie

Een les dus. Dan wil je ze wel wat leren. Maar je kind leert pas, als het voor hém relevant is. Dus preken heeft weinig zin. Wat ik bespreek na zo’n voorval? Wat ik vooral belangrijk vindt is dat ze mogen vertellen wat er gebeurde, zodat ze het volgens hun eigen interpretatie kunnen vertellen. Zonder te moraliseren of beoordelen (dus niet: ‘ja maar als jij zo doet, dan is het logisch dat…’). Ik benoem hun gevoel, beaam dat ze bijvoorbeeld van streek of boos zijn (‘ja dat is ook heel naar schat, ik snap dat je daar verdrietig van word’). Samen verwonder ik me over het gedrag van de verschillende kinderen (‘hoe zou het komen dat hij zo doet’) en probeer ook perspectief te bieden, in de hoop dat er begrip voor de ander kan worden opgebracht, hoe lastig dat ook is.

Begrijpen

Zoals ik eerder beschreef in de voorbeelden: dat kinderen ruzie maken, heeft altijd een oorzaak. Sterker nog: ál het gedrag heeft een oorzaak. Het kunnen begrijpen van de onderliggende oorzaak, geeft vaak meer begrip en acceptatie. Het neemt de boosheid of het verdriet weg bij je kind, omdat het de gebeurtenis menselijker maakt. Een voorbeeld zou kunnen zijn: ‘misschien wilde hij heel graag meespelen. Het lijkt wel alsof hij niet goed weet hoe hij het moet vragen. Misschien heeft hij het nooit zo geleerd, zoals jij het hebt geleerd’. Het biedt een opening voor een gesprek, en het stilstaan bij de behoefte en gevoelens van de ander: ‘hoe zou het voor hem zijn denk je, als hij merkt dat iedereen hem stom vindt en weg rent met wie hij graag zou willen spelen?’.

De volgende keer

Een laatste, moeilijke stap is het bespreken van volgende keren. Elke les kun je nabespreken in termen als ‘wat ging er goed?’, ‘wat ging er niet goed?’. Maar belangrijker nog is dat je kind er iets aan heeft voor een volgende keer. Zodat het kan oefenen met de nieuwe kennis. Dán pas kun je spreken van verandering van gedrag, tenslotte. Een afsluitende vraag is dan ook: ‘hoe zou het de volgende keer beter kunnen gaan?’, of: ‘wat zou je volgende keer anders kunnen doen?’, of: ‘hou zouden wij hem kunnen leren/laten zien hoe je leuk met elkaar speelt?’.

Het belang van fantasie voor kinderen

Het belang van fantasie voor kinderen

Fantasie als bouwsteen voor ontwikkeling

Fantasie heeft voor mijn gevoel een beetje een ambivalente betekenis. Aan de ene kant wordt het als iets positiefs gezien. Bijvoorbeeld als we het over spelende kinderen hebben, dan klinkt er iets in door dat iets weg heeft van naïviteit of onschuld. Alsof een kind nog niet beter weet en het gebruiken van fantasie daarom door de vingers wordt gezien. Het is tegelijkertijd een fenomeen dat iets veroordelends met zich meebrengt: ‘wat een grote fantasie heb jij zeg!’ kan dan eerder als een verwijt klinken dan als een compliment.

Fantasie heeft een functie

Er is iets geks aan de hand. Want fantasie is, net zoals dromen en het onderbewustzijn, een natuurlijk deel van ons mens zijn. Het dient ook ergens voor, het heeft een functie, al is die soms op het eerste oog niet duidelijk. Wat mij betreft is de fantasieontwikkeling van kinderen daarom één van de meest onderbelichte en ondergewaardeerde stukken in de ontwikkeling bij kinderen. Ik zal uitleggen waarom.

Doen alsof spel

Fantasiespel is niet doelloos. Sterker nog, het is superbelangrijk! Jonge kinderen maken allemaal dezelfde fases door in de ontwikkeling van hun fantasie. Dat begint met doen alsof, zo rond het eerste jaar. Ineens zie je je dreumes met een doekje achter je aan lopen om ‘mee te helpen’ afstoffen, of pakt het de borstel om haar eigen haartjes te kammen. Het is de eerste stap naar fantasie, maar richt zich nog op het nadoen van de werkelijkheid. Rond de 18 maanden wordt de eerste fantasie gebruikt. En dit is een grote mijlpaal in het leven van een kind: want naast de concrete werkelijkheid, wordt nu ineens een heel andere dimensie mogelijk. De verzonnen werkelijkheid, de fantasiewereld, waarin alles mogelijk wordt. Ook hierbinnen heb je verschillende ontwikkelingsfases, die uitleggen hoe deze fantasieontwikkeling steeds genuanceerder wordt. Greenspan heeft daar heel veel over geschreven. Bijvoorbeeld in deze boeken. Een andere keer ga ik dieper in op deze ontwikkelingsfases.

Fantasie geeft sociaal inzicht

Wat werken voor volwassenen is, is spelen voor een kind. Het is de belangrijkste dagbesteding, en essentieel om alle vaardigheden in te ontwikkelen voor het goed kunnen functioneren als mens. In fantasie en spel worden bijvoorbeeld de belangrijkste sociale vaardigheden, het sociaal inzicht en de empathie ontwikkeld. Want in fantasiespel stel je je iets voor, je bedenkt hoe iets kan zijn, voor jou en de ander. Je anticipeert hierop, oefent met reacties, oefent met gedrag zoals je die later ook in echte situaties gebruikt. In fantasiespel leren kinderen dus alle voorwaarden voor goed sociaal contact. Niet voor niets is ‘speltherapie’ een zeer waardevolle en effectieve behandelmethode, met name bij jonge kinderen. Hetzelfde geldt voor symbooldrama, een door mij veel gebruikte behandelmethode die in Duitsland één van de meest gebruikte methodes is, maar hier nog relatief onbekend.

Verstoorde fantasieontwikkeling

Ook bij symbooldrama speelt fantasie een grote rol, en wordt het gebruikt als krachtbron voor herstel. Zowel bij kinderen als bij volwassenen. Om van deze innerlijke krachtbronnen gebruik te kunnen maken, is de voorwaarde dat je kunt fantaseren: dat je je iets voor kunt stellen. En steeds vaker merk ik dat dit lastig is voor veel kinderen. Het is bekend dat bij autistische kinderen de fantasieontwikkeling verstoord is: deze kinderen blijven heel concreet, spelen dingen na die ze hebben gezien maar voegen daar geen eigen fantasie aan toe. Het blijft als het ware een in scene gezet geheel, zonder eigenheid van het kind. Hierin zie je ook terug dat gebrek aan fantasiespel hand in hand gaat met problemen in sociaal contact: hoe meer een kind oefent in fantasiespel, hoe meer het kan leren zich in te leven in de ander.

Realistisch speelgoed: de valkuil

Maar ook kinderen zonder autisme hebben steeds vaker een gebrek aan fantasie. En ergens is dat ook begrijpelijk: we zitten in een digitaal tijdperk, met veel games, die ook nog eens steeds realistischer worden. Het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid wordt daardoor steeds vager. En er wordt daardoor minder gespeeld met fantasiemateriaal. Denk aan playmobil, poppenhuizen, winkeltjes, etc. Het materiaal waarin zelf een verhaal kan worden toegevoegd. Waarin een banaan een banaan kan zijn, maar net zo goed een telefoon, race-auto of pistool. Dat zelf toevoegen van fantasie aan het materiaal wordt nog eens extra lastig gemaakt omdat speelgoed, goedbedoeld, steeds realistischer wordt gemaakt. Had je vroeger een paar blokken, tegenwoordig is een LEGO pakket zo gedetailleerd, dat een politie-agent nog onmogelijk kan doorgaan voor een cowboy of wat dan ook.

Voeg fantasie toe in het spel!

Met andere woorden, het wordt juist dáárom steeds belangrijker om toch speciale aandacht te besteden aan het gebruiken van fantasie in het spel. Om hierin je kind uit te dagen out of the box te denken, om de mogelijkheden op te rekken. Want door te spelen met fantasie, ontdekt een kind mogelijkheden, bedenkt het oplossingen, kan het omgaan met angsten en andere heftige gevoelens, kan het oefenen met sociale situaties, verwerken van gebeurtenissen, kortom, leert en ontwikkelt het zich.

Fantasie helpt bij verwerken

Fantasie iets onnozels? Niet dus. Fantasie maakt slim en creatief. Fantasie is een hele belangrijke vaardigheid voor kinderen om (heftige) gebeurtenissen te verwerken. Door deze na te spelen, krijgt een kind meer grip op wat er gebeurd is en kan het leren omgaan met de gevoelens die daarbij vrijkomen. Het kan gebruikt worden in de voorbereiding van gebeurtenissen die hen te wachten staan, zoals een operatie. Uit onderzoek blijkt dat in dit geval een kind inderdaad minder angstig is voor de operatie. In fantasiespel leren kinderen hoe de wereld in elkaar zit en wat hun rol hierbinnen is. Fantasiespel maakt een kind creatiever, gelukkiger en socialer.

Fantasie in de klas

In de klas kan fantasie een rol spelen binnen het lesmateriaal. Het blijkt dat de aandacht van kinderen beter wordt gevangen als er iets afwijkends is: als er een verrassend element of een onrealistische situatie wordt toegevoegd in bijvoorbeeld een opdracht of les, trekt dit de aandacht van kinderen en verhoogt het de motivatie. Als er bijvoorbeeld aan de woordenschat en begrijpend lezen wordt gewerkt, blijkt dat kinderen dit beter doen met fantasieverhalen dan met realistische verhalen. Ook de oplossingen uit fantasieverhalen kunnen de kinderen gemakkelijker toepassen, dan bij realistische verhalen.

Willen begrijpen

Kinderen zijn van nature nieuwsgierig en leergierig. Het blijkt dat een kind ook sneller op onderzoek uit gaat als er iets is, wat niet aan hun verwachting voldoet: als er iets afwijkt, willen ze weten hoe dat komt. Fantasie prikkelt dit, waardoor kinderen als vanzelf gemotiveerd zijn om er achter te komen hoe de vork in de steel zit. Ze willen het begrijpen, verklaren, snappen. Door na te denken over bijvoorbeeld onrealistische oplossingen uit fantasiespel leert een kind de contrasten tussen wat er wel en niet mogelijk is. Dit stimuleert dus het ‘echte leren’ van kinderen.

Fantasie maakt creatief

Je ziet dit bijvoorbeeld ook een beetje terug in de natuurwetenschappen, waarin ook wordt gezocht naar verklaringen van wonderlijke verschijnselen en de grenzen van mogelijkheden worden afgetast. Niet voor niets spreken de experimentjes uit deze vakgebieden tot de verbeelding van kinderen. Denk aan Nemo, met eindeloze proefjes voor jong en oud. Hierin worden kinderen ook uitgedaagd om out of the box te denken, om niet de voor de hand liggende verklaringen te kiezen, maar echt te begrijpen hoe iets werkt.

Fantasie maakt slim

Misschien dient de fantasie in die zin ook wel de behoefte van de mens om alles maar te willen verklaren. Omdat er zoveel verschijnselen zijn, zoals de snelheid van het licht, atomen die je niet met het blote oog kunt zien, etc., die uitlokken om onderzocht te worden. Omdat de mens uiteindelijk wil weten hoe het universum in elkaar zit. Het gebruiken van fantasie en verbeelding is dus een rijkdom en broodnodig, ook voor de toekomst. Het biedt de bouwstenen voor sociaal, emotioneel en cognitief gezond functioneren!

Zwak werkgeheugen: stapjes terug!

Zwak werkgeheugen: stapjes terug!

Small steps, big results

Laatst sloot ik een behandeling af met een jongen uit de bovenbouw. Het was een wat langer traject dus ik kende hem al een poosje. Na de aanmelding waren er wat signalen voor een aandachtstekortstoornis, dus stelde ik voor om te beginnen met onderzoek. En inderdaad, in dit geval bleek er een concentratiestoornis te zijn: de jongen had ADD.

Maar dat was natuurlijk pas het begin van het traject, want na een classificatie is het probleem niet opgelost. Voor ouders was het best een schok: hun zoon, met als zijn dromerigheid en eigenaardigheden, had ineens een verklaring voor zijn grillen! Wat betekende dat voor hen als ouders? Hadden ze anders moeten handelen?

Schuldgevoelens

Het is niet zeldzaam dat ouders een schuldgevoel ontwikkelen nadat er uit een onderzoek een bepaalde conclusie of classificatie volgt: “hadden we het eerder moeten zien?”, “heb ik nu al die jaren gemopperd terwijl hij er niks aan kon doen?” zijn maar enkele voorbeelden van gedachtes die dan door het hoofd kunnen schieten. Zo ook bij deze ouders.

En dat gaat me best aan het hart: ik zie twee liefdevolle ouders die zich inzetten voor het welzijn van hun zoontje, maar soms tegen muren oplopen omdat ze merken dat hun aanpak blijkbaar niet leidt tot blijvende verbeteringen. Dat geeft frustraties en irritaties, en kan de sfeer behoorlijk teniet doen in huis.

Psycho-educatie

Om die reden stel ik dan vrijwel altijd voor om ouders (en het kind het liefst ook) voor psycho-educatie te laten komen. Dit is een duur woord voor een stukje therapie waarin wordt ingegaan op de classificatie, in dit geval ADD. Hierin wordt uitgelegd wat het hebben van zo’n stoornis inhoudt en wat het betekent voor de praktijk. Het is namelijk nog altijd zo dat meer kennis ook leidt tot meer begrip. En dat is een belangrijke eerste stap. Daarnaast ontschuldigt het ook: het legt uit waarom de dingen gaan zoals ze gaan, zonder iemand als boosdoener aan te wijzen. Dat is vaak een opluchting voor het gezin: het kind krijgt erkenning voor de dingen die hij lastig vindt, de ouders krijgen erkenning voor hun inzet en pogingen om het gedrag te veranderen, zonder al te veel succes.

Maatwerk

Natuurlijk kun je ook een goed boek lezen over ADHD (wat ik trouwens ook zeker aanraadt aan ouders die een kind hebben met een aandachtstekortstoornis), maar dat blijft toch vrij statisch. Ik hou er niet van om als het ware de feitjes en de rijtjes op te lepelen. Nee, want ouders hebben een kind die naast zijn ADHD/ADD ook nog een karakter, temperament en sociaal leven heeft. Dat betekent maatwerk. En natuurlijk herken ik bepaalde patronen die in deze gesprekken terugkomen, want aan de stoornis liggen immers dezelfde oorzaken ten grondslag.

Zwak werkgeheugen

Een van die oorzaken is een slecht werkgeheugen, waardoor vaak het opvolgen van meerdere opdrachten en het onthouden van meerdere dingen tegelijk een onmogelijke opgave wordt. Zo ook bij deze ouders met hun zoon. Gék werden ze er van, iedere keer kwamen ze laat, terwijl ze de hele ochtend achter zijn broek aan zaten en hij doodleuk een stripbroek zat te lezen met slechts één been door zijn broek omdat hij al 20 minuten lang niet aan zijn andere been was toegekomen. Onbegrijpelijk vonden ze het. Hij was toch al zo oud? Alle kinderen van die leeftijd kunnen zich toch gewoon behoorlijk aankleden, tanden poetsen, haren doen, ontbijten, en klaar maken voor school?

Automatiseren

Het werd één van de belangrijkste behandeldoelen: het automatiseren verbeteren en daarmee de zelfstandigheid bevorderen. Daarvoor is in eerste instantie begrip nodig van de situatie zoals die is, namelijk: nee, je kind kan dat niet.  En dat klinkt hard, maar is nodig om je te realiseren voordat je verder gaat. Wanneer je als ouder de verwachting blijft houden dat hij dat allang zou moeten kunnen, ga je impliciet uit van onwil. En daarmee ga je wellicht onnodig de strijd aan om iets voor elkaar te krijgen wat uiteindelijk niet lukt.

Bijstellen van verwachtingen

Dus: terug naar de basis. Wat lukt wel? En bij dit gezin was het heel veel stappen terug. Zoveel stappen, dat de ouders het bijna gênant vonden: het leek wel alsof ze een kleuter moesten begeleiden, zeiden ze me. Want ik adviseerde dat we zouden proberen het gedrag weer opnieuw in te slijten, stapje voor stapje. Uiteindelijk kwamen ze zelf met het idee om pictogrammen te gebruiken, zoals de dagritmekaarten die ze op scholen gebruikten. Daarmee konden ouders de jongen terug verwijzen: “kijk eens op de kaart, wat moet je nu doen?”.

Oplossingsvaardigheden

We besteedden veel tijd aan het versterken van oplossingsvaardigheden van de jongen, door het balletje steeds bij hem te leggen. Niet oplossen, wat wel veel sneller en efficiënter is en bovendien een hoop gedoe en irritaties scheelt, maar coachen. En dat is moeilijk, want ouders zijn geboren oplossers: “kom maar, ik doe het wel even”, “laat mij dat maar doen, dat is sneller”, vast herkenbaar voor veel ouders. En nu werd deze ouders juist gevraagd om op hun handen te zitten, op hun tong te bijten en slechts af en toe een open vraag te stellen: “wat moet je doen? Wat doe je daarna? Hoe gaat je dat lukken? Waar moet je mee beginnen? Hoe weet je of je klaar bent?” Etc.

Resultaten

Tegelijkertijd kwam de jongen voor behandeling en individuele psycho-educatie. Om te leren over zichzelf, over ADD en hoe dit slechts een onderdeel is van wie hij is. Er werd met school een plan opgesteld om hem daar ook aan zijn behoeften tegemoet te komen. Op drie fronten (individueel, ouders en school) werd gewerkt aan het ‘omgaan met’. En een tijdje terug zag ik de ouders voor de evaluatie.

Wat bleek? De jongen had het ochtendritueel volledig geautomatiseerd. Ouders hoefden niet meer te mopperen,  wat een stuk meer gezelligheid opleverde in de ochtenden. Sterker nog, de jongen had vaak nog wat tijd over om iets voor zichzelf te doen. Het teruggaan in stapjes en verwachtingen vanwege het zwakke werkgeheugen was een goede zet geweest. De verschillende stappen waren ingesleten en een gewoonte geworden, waardoor de pictogrammen allang niet meer nodig waren en zelfs het coachen veelal overbodig bleek. Ouders hadden gemerkt hoeveel het scheelde als ze vooraf situaties bespraken: ze vertelden hun zoon vooraf wat ze van hem verwachtten, en dat bleek voldoende voor hem om het daadwerkelijk te laten zien. De ouders waren perplex! Hij was zelfstandiger, had meer zelfvertrouwen en was bovendien ook socialer geworden. Met kleine aanpassingen, veel herhaling en veel geduld hadden ze veel bereikt.