Archief van
Tag: ontwikkeling

Supervisie traject binnen de OG opleiding

Supervisie traject binnen de OG opleiding

Zelf in therapie als therapeut

Al eerder beschreef ik hoe ik voorgaande jaren mijn registratietraject doorliep om Orthopedagoog-Generalist (OG) te worden. In deel 1 ging het over de algemene zaken, terwijl ik in deel 2 dieper op bepaalde opleidingen inging. In dit derde deel besteedt ik aandacht aan een belangrijk onderdeel van het traject: de supervisie. Om een goede therapeut te worden, moet je in feite zelf in therapie. Verplicht. 90 uur lang.

Groeien

In de jaren dat ik al die nascholing volgde, ben ik erg gegroeid. In letterlijke zin, want ik raakte maar liefst drie keer zwanger en met elke zwangerschap groeide ik met gemak zo’n 20 kilo (daarna ben ik gestopt met wegen). Maar vooral ook in figuurlijke zin. Vers van de universiteit weet je eigenlijk nog meer heel weinig. Het voelde voor mij daarom heel prettig om door te leren. Maar hoe meer ik leerde, hoe meer ik beseft hoe weinig ik nog wist. Ik krijg in mijn leven nooit alles bij elkaar geleerd wat ik zou willen weten.

Toepassen van kennis

Keuzes maken is daarom een noodzaak. Het mooie van een sprokkeltraject is dat je, zeker in het begin, vrij bent in de onderdelen die je kiest. Ik liet me leiden door mijn interesses en was daarom meestal zeer gemotiveerd voor de cursussen. Maar na een cursus komt de grootste uitdaging: het toepassen in de praktijk. Hoewel daar vaak al wel opdrachten binnen de cursus voor zijn, waarin je bijvoorbeeld opnames van jezelf moet maken of een casus moet uitschrijven, is er nooit voldoende ruimte om écht diep op je functioneren in te gaan.

Aan de slag met jezelf

Het beroep van therapeut is een heel mooi maar zwaar vak. Je hebt te maken met andermans problemen, die je moet dragen, verwerken en vervolgens als het even kan ook oplossen. Het vraagt veel van je eigen veerkracht om al die moeilijkheden aan te horen en een plekje te geven. Niet voor niets dat er van je wordt verwacht dat je supervisie volgt. In dat (zware) traject, volg je maar liefst 90 uur supervisie, waarin je leert een goede therapeut te zijn. Hoe? Door aan de slag te gaan met jezelf.

Jezelf als therapeut ontwikkelen

In veel cursussen komt het al een beetje aan de orde: je oefent rollenspellen met anderen, je brengt een eigen probleempje in om EMDR op te proberen of je krijgt feedback over je gespreksvaardigheden na een oefening. Supervisie gaat verder dan dat. Eén op één ga je in sessies van 1,5 uur per keer diep in op jouw handelen als therapeut. Wat zijn je doelen, waar liggen je valkuilen, wat doe je goed, waar gaat het mis?

Klik met cliënten

Hoe jij als therapeut bent is heel persoonlijk, zoals je als mens persoonlijk bent. Terwijl ik vaak wordt omschreven als rustig en begripvol, kan een ander weer spontaan en grappig als eigenschappen toegedicht krijgen. Zo heeft iedere therapeut zijn eigen stijl en kwaliteiten. Dat betekent ook dat er sprake kan zijn van een match of mismatch tussen een therapeut en cliënt. Je kan jezelf bijvoorbeeld erg herkennen in iemands verhaal. Fijn, want je voelt diegene goed aan. Maar ook een valkuil, want misschien loop je ongemerkt een stapje te hard voor diegene.

Leren van jezelf

Andersom kan het ook zijn dat je een cliënt hebt waar je tegenop ziet. Dat is interessant. In supervisie heb ik geleerd dit altijd als een leermoment te ervaren. Hoe komt het dat ik er tegenop zie? Wat roept die cliënt of dat probleem bij mij op? In supervisie leer je dat al die gevoelens van jezelf als therapeut ergens op gebaseerd zijn. En ja, net zoals bij onze eigen cliënten, grijp je heel vaak terug naar ervaringen vanuit het verleden. Want we kunnen er vaak niet omheen: het verleden vormt je, en maakt dat je handelt zoals je handelt. Het is ontzettend waardevol om dat van jezelf te begrijpen en te herkennen, zodat je erop kan anticiperen in therapie als het nodig is.

Zwaar werk

Het is dus onzin dat je als therapeut alles maar naast je neer kunt leggen, of dat je geen gevoelens hebt of mag tonen. Casussen grijpen ons wel degelijk aan, en het vergt heel wat om dat allemaal te verwerken. Als ik net een heftig gesprek heb gevoerd met een onwillige, opstandige puber met woede-uitbarstingen en alle zeilen moest bijzetten om het niet te laten escaleren, heb ik soms slechts een minuutje schakeltijd om door te gaan naar het gesprek met een adolescent die zo bang is dat ze het leven niet meer ziet zitten en ik moet oppassen dat ik niet in de valkuil van ‘redder’ stap, om dit kind eruit te willen halen. En als ik dan de deur achter haar sluit, zit mijn volgende cliënt al spanningsvol te wachten. Zij gaat EMDR volgen omdat zij zich voelt falen als moeder, en ik moet nog een afspraak met de ander maken.

Emotionele belasting

Zoals Dick Bouman ook schrijft in zijn boek, de ondernemende psychotherapeut:

“Psychotherapie is ook zwaar werk (…). Het is werk dat de emotionele reserves aantast, het zuigt leeg. Een dag die gevuld is met afspraken met mensen die met zichzelf in de knoop zitten, die soms moeizaam contact leggen of die moeilijk en ‘lastig’ zijn in de omgang, vergt heel veel. (…) De therapeut krijgt met kracht een rol opgelegd: hij wordt hulpeloos, onmachtig of woedend gemaakt. Hij krijgt te voelen wat het is om misbruikt, onbegrepen, verleid of onmachtig te zijn, haat en razernij te voelen, altijd te moeten falen, angst te voelen om gek te worden. Dat leidt gemakkelijk tot emotionele uitputting die je mee naar huis kunt nemen.”

Grenzen aanvoelen en bewaken

Door middel van supervisie leer je deze grenzen aanvoelen en bewaken, leer je hoe je met deze complexe gevoelens kunt omgaan. Zowel bij je cliënt, als bij jezelf. Het heeft me iets heel moois geleerd: dat elk moment van onzekerheid, boosheid, frustratie of wat voor naar gevoel dan ook, een les voor je kan zijn. Op het moment dat je nagaat waar deze gevoelens van jezelf mee te maken hebben, kan je er achter komen hoe je er het beste op kunt reageren. Of desnoods wat je nodig hebt.

Verrijking

Het is iets rijks: je kan het niet fout doen, in die zin, dat elke tegenvaller een kans biedt voor iets nieuws. Ik heb de supervisie dan ook met beide handen aangegrepen. Sterker nog, het staat al op mijn verlanglijstje om uiteindelijk ook de supervisorenopleiding te gaan doen.

Ruzies tussen kinderen

Ruzies tussen kinderen

Waarom kinderen ruzie maken

Door jullie gekozen als volgende blogonderwerp: ruzies tussen kinderen. En dan heb ik het even niet over broertjes en zusjes, want die ruzies zijn onvermijdelijk en bovendien noodzakelijk. Maar leeftijdsgenootjes onderling maken ook héél wat ruzie met elkaar. Heel normaal. Even een robbetje vechten of lik op stuk geven. Maar in onze huidige maatschappij is ruzie tussen kinderen iets wat soms niet lijkt te mogen bestaan. Iets wat zo snel mogelijk moet worden opgelost of weggemaakt.

Wat doe je er aan?

Toen wij nog in het hof woonden, had ik er, tot mijn eigen irritatie, helaas regelmatig mee te maken. Ik zag kinderen uit de buurt en mijn eigen kinderen elkaar achterna zitten, uitschelden of elkaars spullen afpakken. Het is een lastige kwestie voor ons als ouders: je wilt niet dat je kind een ander slaat, pijn doet, uitscheldt, buiten sluit of op een andere manier kwetst. Toch lijkt het aan de andere kant soms onvermijdelijk.

Boos en overstuur

Als een meute kinderen mijn kind belaagden, de fiets afpakte of het stoepkrijt in de put propte, dan is het niet meer dan logisch dat mijn kinderen boos werden. Woedend zelfs. En dat zij overgingen in hetzelfde gedrag: vergelding. Maar in de meeste gevallen raakten zij overstuur en kwamen huilend thuis, zich geen raad wetend met de situatie.

Levenslessen

Hoe vervelend sommig gedrag tussen kinderen ook is, en hoe moeilijk het is om aan te zien: het zijn belangrijke lessen. Als mijn kinderen nu van school thuis komen met verhalen van scheld- of schoppartijen door andere kinderen, dan vreet ik me soms op. Maarja, ik ben er niet bij en kan er nu niks meer aan doen. Het enige dat je als ouders nog kunt doen is lering trekken uit deze situaties, en je kind wapenen tegen volgende situaties. Want die komen er, hoe oud ze ook zullen zijn.

Op je handen zitten

Dus zit ik soms op mijn handen terwijl ik uit het raam kijk hoe er tussen buurtkinderen een duel wordt gestreden. Om te zien of mijn kinderen in staat zijn tot redelijke oplossingen, zoals aangeven dat ze het vervelend vinden (‘stop daarmee’, ‘ik heb er last van!’), negeren (stoïcijns blijven door krijten) of uit de situatie gaan (‘kom we gaan ergens anders spelen’). In de hoop dat onze gesprekjes over de voorvallen hebben geholpen.

Waarom kinderen ruzie maken

Kinderen maken ruzie met elkaar. Dat is altijd al zo geweest en zal altijd zo blijven. Het is vaak nog steeds de wet van de sterkste die geldt. In het ruzie maken of ruzie zoeken zitten veel verschillende drijfveren. Mensen zijn sociale wezens en willen contact. Maar dit leggen van contact moet wel geleerd worden, door voorbeelden. Kinderen leren snel van ons en van elkaar. Ze zien waarmee andere kinderen succes hebben.

Macht

Voorbeeld: als een dominant kind een step wil hebben van een ander, kan hij die ander eraf duwen en de step opeisen. Dat geeft een gevoel van macht. Andere kinderen zullen uit angst sneller gehoorzamen aan dit kind. Als dit gedrag niet wordt doorbroken en niet ter discussie wordt gesteld, is het niet meer dan logisch dat het kind zo blijft doen. Hij krijgt immers zijn zin en niemand zegt er iets van, toch?

Sociale vaardigheden

Ander voorbeeld: een kind wil eigenlijk heel graag meespelen met andere kinderen, maar heeft nooit goed geleerd hoe hij dit moet aanpakken. Thuis is het een losgeslagen zootje tussen de broertjes en zusjes en helaas voelen ouders zich niet sterk genoeg om hier op in te spelen. De enige manier waarop ze nog overwicht hebben is door te straffen en af en toe wat tikken uit te delen. Dit kind rent op een middag de straat op als hij andere kinderen verstoppertje ziet spelen en gilt vervolgens waar iedereen zit naar de zoeker. De andere kinderen balen en worden boos, waarna het jongetje begint te schelden en spugen.

Stapjes in de goede richting

Het maken van ruzie kan dus verschillende oorzaken hebben, maar gebeurt meestal omdat kinderen onderling hun positie ten opzichte van elkaar willen ontdekken en veilig stellen. Kinderen zijn daarin puur, ze hebben nog weinig rem, en geven daarmee een indruk wat er tussen ons als volwassenen zou gebeuren als wij ons niet aan de sociale regels zouden houden. Uiteindelijk is het wel zo prettig als onze kinderen, op termijn, op redelijke wijze met elkaar kunnen omgaan. Ruzie maken met anderen zijn de trainingen op weg naar de einddoel. Zie het niet als tegenslagen, maar als weer een stapje richting de groei, als weer een lesje voor je kind.

Nabespreken van de situatie

Een les dus. Dan wil je ze wel wat leren. Maar je kind leert pas, als het voor hém relevant is. Dus preken heeft weinig zin. Wat ik bespreek na zo’n voorval? Wat ik vooral belangrijk vindt is dat ze mogen vertellen wat er gebeurde, zodat ze het volgens hun eigen interpretatie kunnen vertellen. Zonder te moraliseren of beoordelen (dus niet: ‘ja maar als jij zo doet, dan is het logisch dat…’). Ik benoem hun gevoel, beaam dat ze bijvoorbeeld van streek of boos zijn (‘ja dat is ook heel naar schat, ik snap dat je daar verdrietig van word’). Samen verwonder ik me over het gedrag van de verschillende kinderen (‘hoe zou het komen dat hij zo doet’) en probeer ook perspectief te bieden, in de hoop dat er begrip voor de ander kan worden opgebracht, hoe lastig dat ook is.

Begrijpen

Zoals ik eerder beschreef in de voorbeelden: dat kinderen ruzie maken, heeft altijd een oorzaak. Sterker nog: ál het gedrag heeft een oorzaak. Het kunnen begrijpen van de onderliggende oorzaak, geeft vaak meer begrip en acceptatie. Het neemt de boosheid of het verdriet weg bij je kind, omdat het de gebeurtenis menselijker maakt. Een voorbeeld zou kunnen zijn: ‘misschien wilde hij heel graag meespelen. Het lijkt wel alsof hij niet goed weet hoe hij het moet vragen. Misschien heeft hij het nooit zo geleerd, zoals jij het hebt geleerd’. Het biedt een opening voor een gesprek, en het stilstaan bij de behoefte en gevoelens van de ander: ‘hoe zou het voor hem zijn denk je, als hij merkt dat iedereen hem stom vindt en weg rent met wie hij graag zou willen spelen?’.

De volgende keer

Een laatste, moeilijke stap is het bespreken van volgende keren. Elke les kun je nabespreken in termen als ‘wat ging er goed?’, ‘wat ging er niet goed?’. Maar belangrijker nog is dat je kind er iets aan heeft voor een volgende keer. Zodat het kan oefenen met de nieuwe kennis. Dán pas kun je spreken van verandering van gedrag, tenslotte. Een afsluitende vraag is dan ook: ‘hoe zou het de volgende keer beter kunnen gaan?’, of: ‘wat zou je volgende keer anders kunnen doen?’, of: ‘hou zouden wij hem kunnen leren/laten zien hoe je leuk met elkaar speelt?’.

Beginnende geletterdheid

Beginnende geletterdheid

Leren lezen

Ineens kon hij het. Mijn kleine ventje die voorheen alleen maar geïnteresseerd was in spiderman en race-auto’s: letters herkennen. Ik zag hem in een boekje bladeren, wat hij al sinds baby af aan leuk vindt om te doen. Tegelijkertijd leek het alsof hij zijn mond bewoog terwijl ik intens naar de bladzijden keek. Direct zei ik tegen Steef: ‘volgens mij probeert hij te lezen?’.

Geen interesse

Ik kon het me bijna niet voorstellen, omdat er tot voor kort nul interesse deze kant op ging. Hij was (en is) altijd aan het spelen, bezig met afspreken, raketten aan het bouwen of ‘oorlog aan het voeren’ met denkbeeldige draken of dino’s. Waar zijn oudere zus nog wel eens dappere pogingen ondernam om hem te betrekken bij haar spel, liep dit steevast op een afwijzing van zijn kant uit. ‘Kom we gaan schooltje spelen en ik was de juf’ werd beantwoord met ‘Nee, saaaaaai!!’, waarmee de kous af was.

Ik kan mijn naam schrijven

Ook op school kreeg ik te horen dat we een echt speelkind hebben. Vooral bezig met buurten en socializen. Mijn hemel, wat heeft ie al een drukke agenda in groep 1. Brullen en dikke tranen wanneer hij een middagje niet kan afspreken. Op school zal hij dan ook niet uit zichzelf voor een ‘werkje’ kiezen. Dat hij ineens vertelde dat hij zijn naam kon schrijven, kwam voor ons dan ook totaal uit de lucht vallen! Waar hebben we een afslag gemist?

Grillige ontwikkeling

En inderdaad, toen we een blaadje aanboden, schreef Fosse ijverig met tong uit zijn mond en een ingespannen bekkie in hanenpootjes zijn letters op papier. En nu, niet veel later, worden we opnieuw verrast door deze ontwikkeling in beginnende geletterdheid, die een enorme vlucht lijkt te nemen. Dat de ontwikkeling grillig verloopt bij kinderen is mij al langer bekend. Maar om het dan bij je eigen kind te zien, blijft een bijzondere ontdekking.

Letters herkennen

Zo zaten we, net als elke avond, met een boekje in bed voor te lezen. Al langere tijd merkte ik dat Fosse tijdens het lezen zijn vingers bij de paginanummers hield: hij herkende steeds beter de cijfers en getallen en maakte er een spelletje van om te raden welke bladzijde we waren. Maar dat hij hetzelfde met de letters kon, was voor mij een complete verrassing. Ineens wees Fosse een woordje aan en zei: ‘ik weet wat hier staat, hier staat t…a…k… tak!’ Het was een boek met veel plaatjes bij de woordjes, dus ik vermoedde dat dit een gokje was, maar toen hij ook woordjes uit de tekst zónder plaatjes noemde, wist ik het zeker: hij begint te lezen.

Beginnende geletterdheid

De beginnende geletterdheid vind ik zoiets wonderlijks: grip krijgen op de taal om je heen. Er gaat een wereld voor je open als je kunt lezen. Toen Meia hiermee begon, merkte ik dit ook, en het is sindsdien alleen maar toegenomen. Dat Fosse hier nu ook ineens een vlucht in maakt, maakt me enthousiast: het is zo’n leuke fase! Ik ben blij dat wij hier getuige van mogen zijn en verheug me op alle ontwikkelingen die hierop zullen volgen.

Woordjes lezen en schrijven

Het herkennen van letters en woordjes gaat trouwens hand in hand met het schrijven van letters en proberen te vormen van woordjes. Helaas voor ons is Fosse niet kieskeurig op welk medium deze letters oefent. Blijkbaar geeft hij nu vooral prioriteit aan het schrijven, en minder aan de omstandigheden. Hoewel je zou kunnen denken, ‘ach, je gaat toch verhuizen’, is het toch best lullig om een half alfabet op de muren achter te laten voor de volgende bewoners.

Indruk achter laten

Blijkbaar heeft het schrijven ook iets van ‘een indruk kunnen achterlaten’, zoiets als je handtekening ergens onder zetten. Zoals je nu nog ziet op de wc deuren van kroegen of concertzalen: ‘Lisa was here’. Ik vermoed dat dit over dezelfde behoefte gaat. Hopelijk kunnen we die behoefte nog een beetje binnen de perken houden en het vooral op papier laten zetten. We gaan het zien.

Zintuiglijke prikkelverwerking

Zintuiglijke prikkelverwerking

Hoogsensitief, een trend?

Van sommige trends krijg ik een beetje jeuk. Eén daarvan is het idee dat heel veel kinderen ineens hooggevoelig of hoogsensitief zijn. Het is een nieuwe term voor een scala aan gedragskenmerken waarin vrijwel iedereen wel iets herkent. Begrijp me niet verkeerd, ik geloof best dat kinderen (of mensen in het algemeen) last kunnen hebben van bijvoorbeeld geluiden die hard binnen komen, teveel bezig zijn met hoe een ander zich voelt of zelfs  van het gevoel van spinazie in hun mond. Maar dat deze kinderen nou zoveel anders zijn dan andere kinderen, dat betwijfel ik.

Hooggevoeligheid is geen diagnose

Hoogsensitiviteit of hooggevoeligheid is dan ook geen diagnose of stoornis. Waar het naar mijn idee teveel mee wordt verward is de zintuiglijke prikkelverwerking. Dit is, in gewone woorden, de manier waarop informatie via je zintuigen binnenkomt. Dus alles wat je hoort, voelt, ruikt, proeft en ziet. En laat die nu bij iedereen een unieke afstelling zijn. Zo vindt Coen het heerlijk om hard muziek te luisteren, maar stopt Sara bij een feestje al haar vingers in haar oren. Iedereen heeft een eigen comfort zone waarin de prikkels die binnenkomen prettig zijn. Zit het daar onder, dan heeft je kind meer prikkels nodig om lekker te functioneren. Zit het erboven, dan is het teveel en heeft het behoefte aan minder prikkels.

Hoe ervaar je de wereld om je heen

Voordat je nu in je achterste benen staat en denkt ‘maar mijn kind is wél hoogsensitief!’, wil ik dit toelichten aan de hand van mijn eigen zoontje. Want ik denk dat veel mensen hetzelfde bedoelen, maar door verkeerd woordgebruik kan er verwarring ontstaan over waar het om gaat. Fosse is mijn enige zoontje, en hij is duidelijk anders dan de meiden in de manier waarop hij dingen ervaart. Al sinds jongs af aan liet hij duidelijk merken dat hij bepaalde kleding niet aan wilde hebben. Als het een ‘kriebelende’, stugge of gewoon andere stof was tegen zijn huid, vertikte hij het om het aan te trekken. Nog steeds kan hij er gerust 5 minuten voor uit trekken om zijn sokken goed te doen. Dat wil zeggen: het naadje precies zó hebben dat hij het niet voelt. Zodra hij de kans krijgt loopt hij trouwens op blote voeten. En in zijn minionpak, wat dat aangaat.

Het gevoel in je mond

In het leren eten met de pot mee, als kleine dreumes, was heel duidelijk dat hij duidelijke voorkeuren had in eten. Zo is hij een keer echt over zijn nek gegaan van prei, omdat hij die smaak te heftig vond. Van spinazie ging hij kokhalzen, omdat hij de structuur (glibberig) niet kon waarderen. Ik weet nog dat ik in het begin dacht: kom op zeg, wat een drama om niks. Maar daar ben ik van teruggekomen. Hij heeft gewoon een heel fijn afgestelde sensorische prikkelverwerking. Eigenlijk met alles.

Fijne neus en scherp gehoor

Van de geur van poepluiers van zijn kleine zusje rende hij letterlijk kokhalzend weg (nou snap ik dat ook wel hoor). Hij is ook de eerste die bijvoorbeeld ruikt wanneer er iets aanbrandt. Fosse kan, door zijn fijne neus, ook echt weigeren ergens bij in de buurt te komen als hij het vindt stinken. Of iets te proeven bijvoorbeeld. Hetzelfde geldt eigenlijk ook voor zijn gehoor. Hij heeft liever niet teveel herrie om zich heen, hoewel er uitzonderingen zijn waarbij hij zelf het hoogste woord voert.

Opzoeken van prikkels

Ook motorisch zie je een specifieke voorkeur in prikkelverwerking. Vroeger dachten we dat Fosse gewoon wat onhandig en lomp was. Hij struikelde overal over, liep tegen dingen aan, viel van zijn stoel af en maakte de meest gekke capriolen in zijn bewegingen. Omdat hij op de peuterspeelzaal toen als onbehouwen werd omschreven, ben ik naar de fysiotherapeut gegaan om het na te laten kijken. Op de speelzaal twijfelden ze aan zijn zicht, maar dit herkende ik dan weer niet. Dit bleek inderdaad ook in orde.

Prikkels en proprioceptie

Na wat motorische onderzoekjes, bleek Fosse juist aan de bovenkant te zitten qua motorische ontwikkeling. Het blijkt juist dat hij prikkels hierin opzoekt. Zo vindt hij tegendruk lekker, of het wiegende gevoel van schommelen. Hij wordt alleen gehinderd door zijn proprioceptie. Dat is het gevoel dat je weet wat de grenzen van je eigen lijf in de ruimte zijn. Dat je weet hoe kort je bocht kunt nemen om de tafel heen zonder je te stoten bijvoorbeeld. Dit was iets wat hij minder goed kon inschatten, wat de vele ongelukjes verklaarde.

Sensorische informatieverwerking

Als kinderen, zoals Fosse, gevoeliger zijn in het verwerken van sensorische informatie, zijn ze dikwijls ook gevoeliger voor de verwerking van andere informatie. Bijvoorbeeld hoe opmerkingen door anderen binnenkomen, hoe blij of verdrietig ze kunnen zijn in een situatie. Dit is eigenlijk logisch, omdat ze wat meer openstaan voor verwerking van informatie in het algemeen. Het is wat meer ongefilterd als het ware. Dit kan ook nog per zintuig verschillen. Zo is Fosse juist wat ongevoeliger in de motorische prikkelverwerking (hij zoekt ze daarom juist op), maar gevoeliger in mondmotoriek, smaak, geur en tast. Zo is het bij de meeste kinderen, wat elk kind dus een uniek profiel geeft en vraagt om een andere benadering.

ADHD, ASS en hoogbegaafdheid

Niet voor niets is ‘hoogsensitiviteit’ iets dat vaker voorkomt bij bijvoorbeeld kinderen met een hoge intelligentie, maar ook bij ADHD en ASS (autisme). Het is vaak niet óf óf, maar het is min of meer een verklaring voor bepaald gedrag bij deze kinderen. Bij zowel ADHD en ASS is er sprake van een informatieverwerkingsstoornis, wat al begint bij de zintuiglijke informatieverwerking. Dit kan ervoor zorgen dat deze kinderen wat ongefilterd reageren of juist ongevoelig lijken te zijn voor bepaalde prikkels (afhankelijk van iemands unieke profiel). Bij hoge intelligentie of hoogbegaafdheid zie je vaak ook meer gevoelige kinderen, omdat zij door hun scherpe opmerkzaamheid sneller informatie bij hen laten binnenkomen. Niet alleen cognitieve informatie dus, maar ook op andere (zintuiglijke) gebieden.

Als je wat meer onderbouwde literatuur wilt lezen over dit onderwerp, raad ik je het boek ‘Leven met sensaties’ van Winnie Dunn aan. Een andere keer zal ik dieper ingaan op de ontwikkeling bij jonge kinderen op dit gebied.

9 redenen om te kiezen voor de speel-o-theek

9 redenen om te kiezen voor de speel-o-theek

Blij door de speel-o-theek

Hoewel de bibliotheek toch algemeen bekend is, blijft de speel-o-theek een beetje achter in populariteit. Onterecht! Oké, het klinkt een beetje duf… ‘speel-o-theek’, maar elke keer als ik er weer ben en ik de kasten snuffel, heb ik moeite mezelf te beperken tot drie stuks speelgoed. Want telkens als ik daar ben, word ik zelf weer een beetje kind.

Stempels

Struinend tussen de rekken verkleedkleren of de stapels gezelschapsspellen (van peuterleeftijd tot de volwassen leeftijd) baan ik me een weg naar een geschikte keuze voor onze dreumes. Ik heb net de glijbaan, boodschappen kar met mini-boodschappen en een V-tech trein met dieren ingeleverd. Dat kostte me 3 stempels voor 3 weken. Een stempel is ongeveer €0,25.

Speel-o-theken in de buurt

Wij zijn al sinds dat Meia klein was, lid van Speel-o-theek de Knuffelbeer in Sliedrecht. We kozen voor deze speel-o-theek vanwege het grote aanbod speelgoed en de openingstijden, die vooral ’s avonds zijn, wat ons goed uitkomt. Maar ook dichter bij Dordrecht heb je speel-o-theken. Zo is er sinds kort speel-o-theek Pip&Zo geopend, in Stadspolders. Ook in Krispijn zit er een speel-o-theek in het buurtcentrum Koloriet. Speel-o-theken zijn vaak begonnen vanuit een stichting en draaien volledig op vrijwilligers en subsidies. Zo heeft MEE ook een speel-o-theek in Zwijndrecht, die zowel geschikt is voor mensen met een verstandelijke beperking als mensen zonder beperking. Om speel-o-theken te laten blijven bestaan, is het daarom nodig dat er voldoende leden en vrijwilligers zijn: overweeg daarom vooral eens een lidmaatschap!

Duur speelgoed

Als vrienden en familie over de vloer komen, zijn ze vaak al snel in de ban van het speelgoed dat er staat: ‘wat gaaf die houten hijskraan!’, of: ‘dat V-tech speelgoed is toch hartstikke duur?’. Als we dan uitleggen dat het van de speel-o-theek komt, reageren ze verbaasd. Ik lees hun blikken: ‘daar hebben ze toch alleen maar ouwe suffe rommel?’. Niet dus.

Nieuwe materialen

De speel-o-theek is juist zo geweldig omdat ze stikken van het nieuwste en hipste speelgoed. Speelgoed dat je met sinterklaas en kerst hard voorbij loopt omdat het gewoonweg onbetaalbaar is. Of vaak niet eens te koop in de gewone speelgoedwinkels. Dát speelgoed hebben ze. Plus nog veel meer! Bovendien kun je je wensen voor nieuw speelgoed in de ideeënbus gooien en wordt er elke zoveel maanden weer nieuw materiaal gekocht.

Categorieën en leeftijden

De kasten in de speel-o-theek zijn gerangschikt op categorie of leeftijd. Zo is er constructiemateriaal (bouwmateriaal, lego, knex), fantasiespeelgoed (bijvoorbeeld poppen, verkleedkleren of playmobil), creatieve spullen (muziekinstrumenten, stempels, knutselsets), buitenspeelgoed (van skelters tot watertafels en glijbanen), educatief speelgoed (mozaïek, kralen, alles met letters en tellen), puzzels en spellen.

9 redenen om voor de speel-o-theek te kiezen

Het is ergens vreemd dat speel-o-theken niet zo populair zijn, want er zijn zoveel voordelen te noemen! We sommen er alvast 9 voor je op:

  1. Je mag elke 3 weken nieuw speelgoed uitzoeken, zo heb je altijd gevarieerd speelgoed thuis;
  2. Je hebt de mogelijkheid om duur speelgoed heel goedkoop uit te proberen voordat je het eventueel zelf koopt, zo heb je nooit meer een miskoop;
  3. Je hebt altijd wat nieuws voor je kind, passend bij de leeftijd en de interesses, zo blijft het speelgoed leuk;
  4. Er is speelgoed voor iedereen: van baby tot puber kun je er terecht. Er zijn activity centers maar ook technisch lego en spellen van het populaire smartgames. Bovendien zijn er heel veel gezelschapsspellen die je met het hele gezin kunt doen;
  5. Je bespaart een heleboel geld, een pluspunt in de huidige economische crisis. Lidmaatschap ligt rond de €20 per jaar, per stuk speelgoed betaal je ongeveer €0,25 voor minimaal 3 weken (soms langer als er vakanties in vallen);
  6. Je hebt de kans verschillende materialen uit te proberen, ook materialen die je niet zomaar kunt kopen zoals montessorimaterialen, veel houten speelgoed of educatieve materialen;
  7. Het scheelt een heleboel ruimte in je huis: een grote glijbaan, een keuken of winkeltje breng je na een paar weken gewoon weer terug. Doordat je het speelgoed na 3 weken weer inlevert voorkom je de eerder beschreven speelgoedtroep waardoor je omkomt in de hoeveelheid speelgoed.
  8. Je leert je kind verantwoordelijkheid dragen voor de spullen, want ze moeten in goede staat en compleet weer worden teruggebracht;
  9. Doordat je zorgt voor afwisseling in speelgoed geef je je kind nieuwe prikkels en uitdagingen wat goed is voor de ontwikkeling.

Geïnteresseerd geworden? Klik op de links in het artikel om meer te lezen over de genoemde speel-o-theken.

Het belang van fantasie voor kinderen

Het belang van fantasie voor kinderen

Fantasie als bouwsteen voor ontwikkeling

Fantasie heeft voor mijn gevoel een beetje een ambivalente betekenis. Aan de ene kant wordt het als iets positiefs gezien. Bijvoorbeeld als we het over spelende kinderen hebben, dan klinkt er iets in door dat iets weg heeft van naïviteit of onschuld. Alsof een kind nog niet beter weet en het gebruiken van fantasie daarom door de vingers wordt gezien. Het is tegelijkertijd een fenomeen dat iets veroordelends met zich meebrengt: ‘wat een grote fantasie heb jij zeg!’ kan dan eerder als een verwijt klinken dan als een compliment.

Fantasie heeft een functie

Er is iets geks aan de hand. Want fantasie is, net zoals dromen en het onderbewustzijn, een natuurlijk deel van ons mens zijn. Het dient ook ergens voor, het heeft een functie, al is die soms op het eerste oog niet duidelijk. Wat mij betreft is de fantasieontwikkeling van kinderen daarom één van de meest onderbelichte en ondergewaardeerde stukken in de ontwikkeling bij kinderen. Ik zal uitleggen waarom.

Doen alsof spel

Fantasiespel is niet doelloos. Sterker nog, het is superbelangrijk! Jonge kinderen maken allemaal dezelfde fases door in de ontwikkeling van hun fantasie. Dat begint met doen alsof, zo rond het eerste jaar. Ineens zie je je dreumes met een doekje achter je aan lopen om ‘mee te helpen’ afstoffen, of pakt het de borstel om haar eigen haartjes te kammen. Het is de eerste stap naar fantasie, maar richt zich nog op het nadoen van de werkelijkheid. Rond de 18 maanden wordt de eerste fantasie gebruikt. En dit is een grote mijlpaal in het leven van een kind: want naast de concrete werkelijkheid, wordt nu ineens een heel andere dimensie mogelijk. De verzonnen werkelijkheid, de fantasiewereld, waarin alles mogelijk wordt. Ook hierbinnen heb je verschillende ontwikkelingsfases, die uitleggen hoe deze fantasieontwikkeling steeds genuanceerder wordt. Greenspan heeft daar heel veel over geschreven. Bijvoorbeeld in deze boeken. Een andere keer ga ik dieper in op deze ontwikkelingsfases.

Fantasie geeft sociaal inzicht

Wat werken voor volwassenen is, is spelen voor een kind. Het is de belangrijkste dagbesteding, en essentieel om alle vaardigheden in te ontwikkelen voor het goed kunnen functioneren als mens. In fantasie en spel worden bijvoorbeeld de belangrijkste sociale vaardigheden, het sociaal inzicht en de empathie ontwikkeld. Want in fantasiespel stel je je iets voor, je bedenkt hoe iets kan zijn, voor jou en de ander. Je anticipeert hierop, oefent met reacties, oefent met gedrag zoals je die later ook in echte situaties gebruikt. In fantasiespel leren kinderen dus alle voorwaarden voor goed sociaal contact. Niet voor niets is ‘speltherapie’ een zeer waardevolle en effectieve behandelmethode, met name bij jonge kinderen. Hetzelfde geldt voor symbooldrama, een door mij veel gebruikte behandelmethode die in Duitsland één van de meest gebruikte methodes is, maar hier nog relatief onbekend.

Verstoorde fantasieontwikkeling

Ook bij symbooldrama speelt fantasie een grote rol, en wordt het gebruikt als krachtbron voor herstel. Zowel bij kinderen als bij volwassenen. Om van deze innerlijke krachtbronnen gebruik te kunnen maken, is de voorwaarde dat je kunt fantaseren: dat je je iets voor kunt stellen. En steeds vaker merk ik dat dit lastig is voor veel kinderen. Het is bekend dat bij autistische kinderen de fantasieontwikkeling verstoord is: deze kinderen blijven heel concreet, spelen dingen na die ze hebben gezien maar voegen daar geen eigen fantasie aan toe. Het blijft als het ware een in scene gezet geheel, zonder eigenheid van het kind. Hierin zie je ook terug dat gebrek aan fantasiespel hand in hand gaat met problemen in sociaal contact: hoe meer een kind oefent in fantasiespel, hoe meer het kan leren zich in te leven in de ander.

Realistisch speelgoed: de valkuil

Maar ook kinderen zonder autisme hebben steeds vaker een gebrek aan fantasie. En ergens is dat ook begrijpelijk: we zitten in een digitaal tijdperk, met veel games, die ook nog eens steeds realistischer worden. Het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid wordt daardoor steeds vager. En er wordt daardoor minder gespeeld met fantasiemateriaal. Denk aan playmobil, poppenhuizen, winkeltjes, etc. Het materiaal waarin zelf een verhaal kan worden toegevoegd. Waarin een banaan een banaan kan zijn, maar net zo goed een telefoon, race-auto of pistool. Dat zelf toevoegen van fantasie aan het materiaal wordt nog eens extra lastig gemaakt omdat speelgoed, goedbedoeld, steeds realistischer wordt gemaakt. Had je vroeger een paar blokken, tegenwoordig is een LEGO pakket zo gedetailleerd, dat een politie-agent nog onmogelijk kan doorgaan voor een cowboy of wat dan ook.

Voeg fantasie toe in het spel!

Met andere woorden, het wordt juist dáárom steeds belangrijker om toch speciale aandacht te besteden aan het gebruiken van fantasie in het spel. Om hierin je kind uit te dagen out of the box te denken, om de mogelijkheden op te rekken. Want door te spelen met fantasie, ontdekt een kind mogelijkheden, bedenkt het oplossingen, kan het omgaan met angsten en andere heftige gevoelens, kan het oefenen met sociale situaties, verwerken van gebeurtenissen, kortom, leert en ontwikkelt het zich.

Fantasie helpt bij verwerken

Fantasie iets onnozels? Niet dus. Fantasie maakt slim en creatief. Fantasie is een hele belangrijke vaardigheid voor kinderen om (heftige) gebeurtenissen te verwerken. Door deze na te spelen, krijgt een kind meer grip op wat er gebeurd is en kan het leren omgaan met de gevoelens die daarbij vrijkomen. Het kan gebruikt worden in de voorbereiding van gebeurtenissen die hen te wachten staan, zoals een operatie. Uit onderzoek blijkt dat in dit geval een kind inderdaad minder angstig is voor de operatie. In fantasiespel leren kinderen hoe de wereld in elkaar zit en wat hun rol hierbinnen is. Fantasiespel maakt een kind creatiever, gelukkiger en socialer.

Fantasie in de klas

In de klas kan fantasie een rol spelen binnen het lesmateriaal. Het blijkt dat de aandacht van kinderen beter wordt gevangen als er iets afwijkends is: als er een verrassend element of een onrealistische situatie wordt toegevoegd in bijvoorbeeld een opdracht of les, trekt dit de aandacht van kinderen en verhoogt het de motivatie. Als er bijvoorbeeld aan de woordenschat en begrijpend lezen wordt gewerkt, blijkt dat kinderen dit beter doen met fantasieverhalen dan met realistische verhalen. Ook de oplossingen uit fantasieverhalen kunnen de kinderen gemakkelijker toepassen, dan bij realistische verhalen.

Willen begrijpen

Kinderen zijn van nature nieuwsgierig en leergierig. Het blijkt dat een kind ook sneller op onderzoek uit gaat als er iets is, wat niet aan hun verwachting voldoet: als er iets afwijkt, willen ze weten hoe dat komt. Fantasie prikkelt dit, waardoor kinderen als vanzelf gemotiveerd zijn om er achter te komen hoe de vork in de steel zit. Ze willen het begrijpen, verklaren, snappen. Door na te denken over bijvoorbeeld onrealistische oplossingen uit fantasiespel leert een kind de contrasten tussen wat er wel en niet mogelijk is. Dit stimuleert dus het ‘echte leren’ van kinderen.

Fantasie maakt creatief

Je ziet dit bijvoorbeeld ook een beetje terug in de natuurwetenschappen, waarin ook wordt gezocht naar verklaringen van wonderlijke verschijnselen en de grenzen van mogelijkheden worden afgetast. Niet voor niets spreken de experimentjes uit deze vakgebieden tot de verbeelding van kinderen. Denk aan Nemo, met eindeloze proefjes voor jong en oud. Hierin worden kinderen ook uitgedaagd om out of the box te denken, om niet de voor de hand liggende verklaringen te kiezen, maar echt te begrijpen hoe iets werkt.

Fantasie maakt slim

Misschien dient de fantasie in die zin ook wel de behoefte van de mens om alles maar te willen verklaren. Omdat er zoveel verschijnselen zijn, zoals de snelheid van het licht, atomen die je niet met het blote oog kunt zien, etc., die uitlokken om onderzocht te worden. Omdat de mens uiteindelijk wil weten hoe het universum in elkaar zit. Het gebruiken van fantasie en verbeelding is dus een rijkdom en broodnodig, ook voor de toekomst. Het biedt de bouwstenen voor sociaal, emotioneel en cognitief gezond functioneren!

Waarom wij voor Montessori kozen

Waarom wij voor Montessori kozen

“Laatst vroeg ik via Facebook  waar de volgende blog over moest gaan. Het was al snel duidelijk dat jullie meer wilden weten over onze keuze voor Montessori. Dus bij deze, de eerste blog op verzoek! Zat je voorkeur er niet bij? Ik zal veel vaker om jullie mening gaan vragen, zodat iedereen aan zijn trekken komt :)”

Montessori ervaringen

De keuze voor de Montessori school begon eigenlijk al toen we op zoek gingen naar een peuterspeelzaal. Onze dreumes was toen nog maar 1,5 jaar oud. Toch hadden we rond die tijd al een redelijk beeld van ons kindje, met haar karakter, nukken, voorkeuren en interesses. Het blijft altijd bijzonder hoe snel je de persoonlijkheid van zo’n kleine gup leert kennen. In die 1,5 jaar hadden we geleerd dat Meia een best pittig ding was, met héél veel energie, ontdekkingsdrang en nieuwsgierigheid. Dat we zochten naar een peuterspeelzaal was met een tweeledig doel: uitdaging voor Meia enerzijds, even een momentje van rust voor ons anderzijds.

Peuterspeelzaal en school

Wetende dat de meeste peuterspeelzalen in het gebouw van een school zitten, of op de één of andere manier een samenwerking hebben met een bepaalde school, vond ik het logisch om voor een peuterspeelzaal te kiezen die hoorde bij een school waar we achter stonden. Min of meer kwam het er dus op neer dat we met 1,5 jaar ook indirect al voor de school hadden gekozen. We bekeken een paar speelzalen in onze directe regio maar daar vond ik niet zoveel aan. Ik miste iets en kon het niet zo goed duiden.

Schot in de roos

Toen we bij de speelzaal van de Montessori gingen kijken, kregen we ook direct een rondleiding door de school. Ik weet niet meer hoe dit precies ging, misschien dat we dat destijds zelf hadden gevraagd om ook een beeld van de school te vormen. In ieder geval, dit was direct een schot in de roos. Ondanks het feit dat de school zich toen bevond in een dependance, omdat de nieuwe school nog gebouwd moest worden.

Geen standaard werkwijze

Pas toen we de rondleiding bij de peuterspeelzaal en school kregen, besefte ik wat ik eerder had gemist: deze school sprak taal die uitging van het kind en de behoeften van het kind. In andere scholen/speelzalen werd er vanuit het aanbod gesproken: “dit is wat we hebben”. Dat is op zich prima, maar ik merkte dat ik daar geen genoegen mee kon nemen. We hadden vanaf de babytijd al behoorlijk wat te stellen gehad met Meia, en zij was best veeleisend in haar ontwikkelingsbehoeften. Ze vroeg, net als ieder kind, een unieke begeleiding om zich goed te kunnen ontwikkelen. En waar voor veel kinderen een standaard aanbod en standaard werkwijze prima is, besefte ik dat dit voor Meia waarschijnlijk ontoereikend zou zijn.

Natuurlijke manier

De school liet ons zien hoe de kinderen werkten, hoe een kind vanuit zijn eigen interesses en motivatie aan de slag ging, waardoor het per definitie gemotiveerd aan de slag was. Dat zagen we terug. Het was een klein bijgebouw, vol met spullen en kinderen, maar desondanks was het heel stil, de kinderen waren rustig aan het werk, de sfeer was gemoedelijk. Dat verwonderde me enorm! Het voelde meteen goed. Het is geen vrijheid blijheid, want er moeten wel doelen worden gehaald. Maar de manier van werken is veel natuurlijker. Al eerder schreef ik dat een kind pas leert als het iets leuk vindt. En dat belangrijke principe wordt in de praktijk gebracht, want een kind wordt verantwoordelijk gemaakt voor zijn eigen leerproces.

Begrijpen waarom je iets leert

Wat ik vooral heel waardevol vindt, is dat er niet doelloos wordt geleerd: niet argeloos de ene les na de andere les verwerken, maar dat kinderen wordt uitgelegd waaróm ze iets leren. Als een kind snapt waaróm ze iets doen, dan is de motivatie ook hoger om iets te willen begrijpen. Dan zetten ze zich in om iets echt onder de knie te krijgen. Dit stemt overeen met de natuurlijke nieuwsgierigheid die kinderen hebben, en maakt de theorie direct praktisch: om iets ingewikkelds te weten, moeten eerst de stappen daar naartoe worden beheerst.

Montessori materiaal

Het Montessori onderwijs werkt daarom niet alleen op ‘het platte vlak’, zoals met werkboeken, maar ook met het bekende Montessori materiaal. Ik wist nog, vanuit mijn pabo-verleden lang geleden, dat Maria Montessori inderdaad ook eigen materiaal had ontwikkeld, maar pas sinds mijn kinderen zelf deze onderwijsvorm krijgen, begrijp ik veel beter het hele gedachtegoed hierachter. Op school zijn er namelijk regelmatig informatie avonden over bijvoorbeeld het rekenonderwijs, waarin dieper wordt ingegaan op de materialen en hoe deze worden ingezet in de lessen.

Slim gedachtegoed

Er ging een wereld voor me open tijdens deze avonden, want wat is dit een slim doordacht systeem! Doordat kinderen handelend bezig zijn, met concrete materialen, wordt de abstracte theorie van het platte vlak (bijvoorbeeld de kale sommen) ineens inzichtelijk en begrijpelijk. Een kind snápt hoe een keer-som werkt of gaat bepaalde algoritmes doorzien. De Montessori school moedigt deze manier van werken dan ook aan. En de onderwijsvorm is door de alle leerjaren heen doorgetrokken, wat de samenhang vergroot. Er wordt bijvoorbeeld gewerkt met kleuren voor bepaalde cijfers: hiermee wordt al in de kleuters gestart, zodat kinderen bijvoorbeeld precies weten hoeveel kralen in de paarse kralenketting zitten.

Zelfstandigheid

Het Montessori heeft bepaalde motto’s en denkwijzen, die de meesten van jullie misschien wel eens gehoord hebben. “Vrijheid in gebondenheid” is er eentje van. Het werken aan zelfstandigheid is een andere. Hoe dit er in de praktijk aan toe gaat, daar kwam ik al achter toen mijn oudste begon op de speelzaal. Ze trokken toen bij wijze van spreken een half uur uit voor het aantrekken van jassen en schoenen (op school draagt iedereen slofjes). Gewoon, omdat ze ieder kind de kans wilden geven om te proberen zijn jas aan te laten trekken. Tot waar het lukte, deed het kind dit zelf, pas daarna hielp de juf voor de rest. Zo ook met het inschenken van drinken: kinderen leren zelf hun limonade inschenken en daarna de bekers op te ruimen. Deze visie van zelfredzaam maken en de autonomie bevorderen, gaat door wanneer een kind begint op de basisschool.

Vrijheid in gebondenheid

Vrijheid in gebondenheid is terug te herkennen in het feit dat een kind zelf mag bepalen hoe het zijn dag indeelt, tot op zekere hoogte. Want bijvoorbeeld een muziekles of fruit eten zijn op vaste tijden. Maar tijdens het werken, kan mijn dochter best beslissen om wat langer met taal bezig te zijn, en rekenen vandaag over te slaan. Dat betekent wel dat zij morgen extra rekenwerk zal hebben, dus over die beslissing en de gevolgen daarvan, moet ze wel nadenken. Het kan ook betekenen dat een kind liever begint met het afmaken van een werkstuk voor kosmisch onderwijs, en pas ’s middags taal en rekenen afmaakt. De gebondenheid zit hem in de grenzen van de vrijheid. Want elke paar weken, moet een kind laten zien of het bepaalde doelen voor o.a. rekenen en taal beheerst. De leerkracht monitort het leerproces van een kind en stimuleert om na te denken over de keuzes en gevolgen ervan die het maakt.

Flexibel schoolsysteem

Ik kom voor mijn werk heel regelmatig op uiteenlopende scholen in regio Drechtsteden, en niet zelden valt mij op hoe star of conservatief het schoolsysteem is. Helaas zijn opmerkingen in de trant van: “maar zo doen wij dat al jaren” of “dat hebben we nog nooit gedaan” geen zeldzaamheid. Juist daarom waardeer ik de flexibiliteit en het ‘omdenken’ van deze school zo erg: er wordt altijd gedacht vanuit het kind, en de stof daaromheen wordt daar waar nodig en mogelijk op aangepast. Dit was in het geval van Meia ook heel duidelijk.

Werken vanuit de behoefte van het kind

Op de peuterspeelzaal kwam zij niet uit de verf. Ze had behoefte aan uitdaging maar was tegelijk onzeker en geneigd zich aan te passen. Tijdens het tweede jaar op de speelzaal is in overleg al kleutermateriaal naar de speelzaal gehaald. Toen zij begon op school, is dit aan de hand van een ‘warme overdracht’ gegaan: speelzaal en school bespraken de aandachtspunten voor Meia wanneer zij zou starten. In de kleuterjaren is er constant zo gewerkt dat de lesstof naar Meia toekwam, ook al betekende dit dat er bijvoorbeeld materiaal uit de middenbouw gehaald moest worden. Fysiek zat zij in de kleuterklas, maar omdat het zo gewoon is dat elk kind op zijn eigen niveau werkt, viel het ook niet op wanneer zij andere lesstof deed. En ook nu in de middenbouw wordt de lesstof aangepast aan de leerbehoeften.

Gemengde groepen

Een groot voordeel daarin vind ik de bouwgroepen in het Montessori onderwijs. Dit vond ik een van de belangrijkst meewegende argumenten in onze overwegingen voor Montessori onderwijs. Tegenwoordig zijn er bijna in elke school wel kleuterklassen met gemengde groep 1 en 2, maar in deze school is er daarnaast ook sprake van de middenbouw (groep 3, 4 en 5 gemengd) en de bovenbouw (groep 6, 7 en 8 gemengd). Elke bouw heeft zijn eigen ‘unit’, wat in de praktijk inhoudt dat elke bouw in een ander gedeelte van de school zit, met een eigen gemeenschappelijke ruimte. Hoewel er 4 klassen zijn, is dit in de praktijk minder star: zo kunnen met een les nieuwsbegrip kinderen uit de verschillende klassen bij elkaar worden gezet. Of zitten leerlingen uit verschillende klassen met elkaar in de gemeenschappelijke ruimte te werken.

Verschillende leeftijden in één groep

Wat ik vooral fijn vindt aan de gemengde leerjaren, is dat het ook hier weer dichter bij de natuur staat: ook in gezinnen moeten de meeste kinderen leren omgaan met oudere of jongere broertjes of zusjes. Soms vergt dat een meer coachende rol naar jongere kinderen, soms wordt je uitgedaagd om iets ook te kunnen, zoals een oudere leerling. Bovendien is er voor een kind meer keuze in de aansluiting op sociaal gebied. Het leert dus ook belangrijke sociale vaardigheden. Een ander voordeel van de gemengde leerjaren is dat het niet opvalt of uitmaakt op welk niveau een kind werkt. Er is geen gevoel van uitzondering, want elk kind volgt in feite zijn eigen leerlijn.

Geen klassikaal onderwijs

Wat meteen opvalt als je een bezoekje neemt in een Montessori school is dat er in een klas heel anders wordt gewerkt dan in een reguliere school. Er wordt bijna geen klassikaal onderwijs gegeven, waardoor het kan zijn dat de kinderen uit een klas verschillende dingen doen. Uiteindelijk moeten zij wel bepaalde weekdoelen bereiken, maar de indeling van hun planning mogen zij voor een groot gedeelte zelf bepalen. Als er bijvoorbeeld lesjes worden gegeven, worden hier de kinderen bij gevraagd die deze les nodig hebben. Dat hangt dus af van het niveau van een leerling. In het geval van Meia, die lezend binnenkwam in de groep 3, betekende dat zij geen lesjes in het leren lezen hoefde te volgen. Dit voorkomt veel frustratie en zorgt voor veel efficiënter onderwijs: zij kon meteen met verwerkingsopdrachten aan de gang.

Brede ontwikkeling

Een ander zeer waardevol argument voor ons was het onderwijsaanbod. Deze school gelooft in een brede ontwikkeling, en hecht niet alleen waarde aan de vakken zoals taal en rekenen, maar steekt ook veel tijd en energie in de creatieve en sociaal-emotionele kant van het kind. Zo is er een samenwerkingsverband met de kunst- en cultuurschool uit de regio, waardoor alle kinderen elk jaar een aantal gastlessen hebben op gebied van dans, drama of beeldende kunst. Er zijn extra gymlessen, omdat zij een gezonde school zijn en er is een vakdocent voor muzieklessen die ze wekelijks krijgen. Er zijn geen zaakvakken, zoals biologie, geschiedenis of aardrijkskunde, maar er wordt gewerkt met Kosmisch onderwijs.

Kosmisch onderwijs

Kosmisch onderwijs is ook een typisch begrip uit het Montessori. Ook deze manier van lesgeven gaat over meerdere jaren heen. Er wordt namelijk gewerkt in thema’s. Op dit moment is er in de kleuterklas bijvoorbeeld het thema herfst en in de middenbouw wordt stilgestaan bij het ontstaan van de aarde. Hierin zijn alle lessen verweven, waardoor er gewerkt wordt met een natuurlijke samenhang tussen de vakken. Ook bijvoorbeeld de kunstzinnige verwerking valt in het kosmisch onderwijs.

Blij met de school

Sinds mijn kinderen naar school gaan, met ik met terugwerkende kracht jaloers op ze: zat ik maar op deze school! Het is zo leuk om te zien hoe een groep kinderen samenwerkt aan een project in het theater, of om uitgenodigd te worden op de slakkententoonstelling van je zoontje uit de kleuterklassen. Het schoolsysteem klopt gewoon. En ik ben er echt van overtuigd dat je een school moet kiezen die past bij je kind. En in ons geval, met drie kinderen, is dat best spannend, omdat je nog niet weet of het schoolsysteem bij alle kinderen past. Maar die twijfel wordt steeds minder: de flexibiliteit van de leerkrachten, het meedenken over hoe je kind werkt en wat het nodig heeft en de vele mogelijkheden om daarop aan te sluiten geven het vertrouwen dat dit goed komt. Plus het feit dat ik er van overtuigd ben dat deze manier van lesgeven de natuurlijke manier van leren van kinderen het beste benaderd van de beschikbare onderwijsvormen.

Gevoelige periodes bij kinderen

Gevoelige periodes bij kinderen

Leren in de gevoelige periodes

Iedereen heeft er wel eens van gehoord: de kritische of gevoelige periode waarin een kind het beste iets leert. Eigenlijk is dat ook de grootste reden waarom kinderen al vanaf jonge leeftijd naar school gaan (moeten): omdat er in de kindertijd de meeste gevoelige periodes zijn om iets te leren. De ervaringen uit je kindertijd zijn bovendien heel vormend voor je persoonlijkheid en hebben grote invloed op alles wat je de jaren erna doet.

Gevolgen voor later

De eerste en meeste gevoelige periodes vinden al plaats in de babytijd. Als er in zo’n periode iets misgaat, kan dat soms blijvende gevolgen hebben omdat de juiste verbindingen in de hersenen dan niet worden aangelegd. De gevoelige periode voor de ontwikkeling van het zicht is bijvoorbeeld tussen de 3 en de 8 maanden: als er dan iets is waardoor de baby minder goed kan zien, kan het blijvend schade houden aan het zicht op latere leeftijd.

Hoe kinderen leren

Met verschillende onderzoeken en experimenten wordt gekeken of een gevoelige periode opnieuw kan worden uitgelokt, op een ander moment. Wanneer dat zou lukken, zou eventuele schade bijvoorbeeld kunnen worden ingehaald. Als er duidelijk wordt hoe kinderen precies leren en ontwikkelen, zou men het onderwijs daar naadloos op aan kunnen laten sluiten.

Gevoelige periodes op school

Dat laatste gebeurt natuurlijk al zoveel mogelijk, hoewel dat per school veel kan verschillen. Naar mijn idee onderstreept de theorie van de gevoelige periodes alleen maar meer het belang om daar op flexibele wijze rekening mee te houden op school. Globaal gezien zijn de gevoelige periodes ongeveer op hetzelfde moment, maar dit kan per persoon wel veel verschillen. Zeker omdat iedereen een andere geboortedatum heeft. Het aanbieden van lesstof zou daarom eigenlijk pas moeten, wanneer het kind in de gevoelige periode voor die stof zit.

Inspelen op interesses van je kind

De gevoelige periodes zijn er de reden van dat er in groep 3 wordt begonnen met lezen, want de meeste kinderen ‘zijn er aan toe’. Het is de reden waarom er in de kleuterklassen nog veel buiten wordt gespeeld (motorische ontwikkeling) en in de middenbouw wordt gestart met de zaakvakken. Omdat dán de interesse in de wereld om hen heen toeneemt. Maar deze ‘mal’ in wat er aan je kind wordt aangeboden, is een grove schatting, terwijl de gevoelige periodes juist zeer precies zijn. En dáárom is het zo belangrijk om in te spelen op de interesses van het kind. Want pas als een kind iets leuk vindt, leert het. Het heeft geen zin om domweg stof ‘erin te stampen’ als er geen interesse of motivatie is.

Aanvoelen waar het kind zit

En dat is in het onderwijs nog best lastig, merk ik vaak. Ik kom geregeld voor schoolobservaties en schoolgesprekken op scholen. En ik ken natuurlijk de montessori-onderwijsmethode van onze eigen kinderen. Tussen de scholen zit veel verschil. Zowel in de visie als in de dagelijkse praktijk van de leerkracht. Want uiteindelijk komt het er op neer of de leerkracht aanvoelt ‘waar een kind zit’ en hier op kan in spelen door de juiste stof aan te bieden. Dan hebben we het nog niet eens over onderlinge niveauverschillen tussen kinderen. Dat maakt de differentiatie extra moeilijk.

Eigen inbreng

In het traditionele onderwijs is er naar mijn idee vaak net iets minder mogelijk aan flexibele aanpassingen aan het leerproces van kinderen, omdat er nog steeds vaak klassikaal les wordt gegeven. Kinderen volgen de structuur van de lessen en hebben weinig eigen inbreng in wat ze wanneer doen. In het montessori-onderwijs is dat anders. Kinderen beslissen per dag bijvoorbeeld de volgorde van hun taakjes. Daarbij hebben ze een zekere vrijheid voor hoelang ze aan een taak willen werken: is een kind momenteel meer geïnteresseerd in rekenen, dan mag het, tot op zekere hoogte, langere tijd hier aan werken.

Motivatie

De leerkracht bewaakt dit proces door te benadrukken dat elke beslissing gevolgen heeft: nu meer rekenen betekent een andere keer meer taalwerk. Toch is dit voor mijn gevoel een methode die van nature beter aansluit bij het grillige ontwikkelingsproces van kinderen. Bovendien is de motivatie om aan de taken te werken per definitie hoger, omdat een kind zélf de keuze maakt voor een taak.

Leerbehoeften

Er zijn tegenwoordig (gelukkig) steeds meer vormen van onderwijs, die rekening houden met de verschillen in voorkeuren, ontwikkeling en leerbehoeften van kinderen. Goed onderwijs is namelijk een onderwijsvorm (en leerkracht) die goed aansluit bij de specifieke behoeftes van je kind. En dat verschilt per persoon.

Snoeien in synapsen

Het is echter niet zo dat een kind alleen maar leert in de de gevoelige fases. De hersenen hebben een zekere plasticiteit. Dat betekent dat mensen hun hele leven lang kunnen leren en zich aan kunnen passen aan veranderende omstandigheden. Maar in gevoelige periodes is er veel meer mogelijk. In de babytijd is dit het meest duidelijk: een baby wordt geboren met een oerwoud aan synapsen (mogelijke verbindingen voor informatieoverdracht), waar die eerste maanden behoorlijk in gesnoeid wordt: alles wat niet nodig is, gaat weg. Zo blijven alleen de belangrijkste verbindingen over. Dat gebeurt in de gevoelige periodes: zo wordt er orde in de chaos geschept en gaat het brein steeds beter functioneren.

Vorming van persoonlijkheid

Het is interessant om te bedenken waarom de gevoelige periodes alleen maar tijdens de kindertijd zijn. Ze zijn immers super nuttig voor de ontwikkeling en voor de overleving, zou je denken. Onderzoekers denken daarom dat er ook een keerzijde aan de kritische periodes zit: in die momenten draaien de hersenen namelijk op volle toeren, waardoor er ook eerder kans is op beschadiging aan de hersenen. En omdat de gevoelige fases ook vormend zijn voor de persoonlijkheid, kun je je afvragen of het wenselijk is wanneer deze gevoelige periodes ook in de volwassenheid optreden: wat zou het doen met je identiteit en je persoonlijkheid? Misschien is het daarom maar goed dat ze beperkt blijven tot de kindertijd.

 

7 redenen om je kind te laten sporten

7 redenen om je kind te laten sporten

Een pleidooi voor meer beweging voor je kind

“Plan het maar op maandagmiddag, dan heeft ie toch gym”. Het is een zin die ik regelmatig hoor en die me steeds meer tegen gaat staan. Cliënten willen, begrijpelijk, hun afspraken zoveel mogelijk buiten school. Maar de praktijk dwingt ons er toe af en toe onder schooltijd een afspraak te plannen. En de reflex van veel ouders is dan om deze momenten te plannen op momenten van gymnastiek op school. In de veronderstelling dat dit het minst belangrijke vak is. In de veronderstelling dat er in de lessen zoals rekenen en taal pas écht geleerd wordt. For your information: dit klopt niet. Sterker nog, wanneer je kind moeite heeft om goed mee te komen op school, kun je hem of haar maar beter regelmatig laten sporten! Want sporten is niet alleen goed voor je gezondheid, sporten maakt je slim!

Sporten maakt slim!

Wanneer je nog niet overtuigd bent om de afspraken voortaan om de gymlessen heen te plannen, volgen hier de voordelen en effecten van sporten op een rijtje:

  1. Sporten is goed voor je humeur, doordat de aandacht wordt verschoven van zorgen naar lichamelijk bezig zijn.
  2. Door sporten produceer je dopamine, wat o.a. parkinsonklachten tegen gaat en je controle over bewegingen verbeterd. Daarnaast komt er trypofaan vrij, die helpen emoties te verwerken en grofweg dezelfde effecten hebben als antidepressiva (maar dan zonder schadelijke bijwerkingen!).
  3. Door te sporten neemt stress af, doordat de cortisolhuishouding weer op peil komt. Dit is gunstig voor doelgericht gedrag en oproepen van informatie uit je geheugen.
  4. Op de lange termijn maakt sporten het brein jonger: er komt meer grijze stof in de hersenen waardoor bijvoorbeeld de voorste gebieden (frontale cortex) beter werken. Deze gebieden heb je nodig voor doelgericht gedrag, plannen, organiseren, en andere complexe vaardigheden.
  5. Op de lange termijn maak je nieuwe hersencellen aan, waardoor je brein vitaal blijft en je geheugen goed of zelfs beter gaat werken.
  6. Door aan je conditie te werken wordt de verbinding tussen de zenuwcellen beter, waardoor informatie gemakkelijker tussen gebieden kan worden overdragen.
  7. Regelmatig sporten verbetert de executieve functies van je kinderen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat er een grote verbetering te zien is in de aandacht (concentratie), het lange termijngeheugen en het werkgeheugen. Dus zéker voor kinderen die hier moeite mee hebben, is sporten aanbevolen!

Zoektocht naar de juiste sport

Dit is even een lijstje om te prikkelen, want er volgen komende tijd nog meer artikelen over dit onderwerp. Waarom ik me hier hard voor maak? Ik ben nooit zo opgegroeid met sporten. In tegenstelling tot veel van mijn toenmalige klasgenootjes op de basisschool en middelbare school, had ik geen vaste vereniging, geen tweede ‘basis’ om op terug te vallen. En dat heb ik toch wel eens gemist. Mijn sportervaringen op jonge leeftijd vielen in de categorie ‘blauwe maandagen’ en ‘proeflessen’ en bloedden vaak dood door ‘omstandigheden’. Zat ik op jazz ballet, werd ik ziek toen de uitvoering was. Zat ik op wedstrijdschaatsen, wilde mijn moeder niet naar andere ijshallen rijden toen ik verder kwam. Zat ik op street dance, stopte mijn vriendin er mee. Met andere woorden: sporten kwam niet van de grond.

Uit eigen ervaring: de voordelen

Ook in mijn volwassen leven heb ik altijd gezocht en geprobeerd. Jarenlang heb ik met wisselend succes gefitnessd, maar merendeel van de tijd moest ik mijzelf hier naartoe slepen. Anderzijds genoot ik ervan als ik resultaten boekte, vooruitgang bemerkte. Ik probeerde van alles: bodypump, zwemmen, bootcamp, zumba, fitness, spinning, hardlopen… Tot ik begon bij NatuurlijkSportief en mijn passie vond. Sindsdien ben ik om. Van 0,0 conditie na de geboorte van mijn 3e, naar hardloopwedstrijden en 4 uur sporten per week. En de voordelen die ik merk?

  • ik ben sterk, fit, heb weer conditie
  • ik ben gelukkig, heb mijn passie gevonden, kijk uit naar de trainingen, lach veel en maak lol met anderen
  • ik heb energie, slaap goed, concentreer me beter en heb geen wegtrekkers meer op mijn werk
  • ik ben alert, ondernemend, zit vol ideeën en het lukt me beter om deze ook uit te voeren

Gelukkig door bewegen

Kortom, een bewijs dat het lijstje met voordelen van sporten inderdaad klopt. En dáárom maak ik me er hard voor dat kinderen voldoende sporten en bewegen. Natuurlijk geldt dat voor mijn eigen kinderen, maar ik probeer ook anderen hier bewust van te maken. Want zoals ik ook heb ervaren: je beseft pas wat het sporten oplevert, als je het doet. Sporten maakt slim én gelukkig. Plan daarom liever afspraken om de gym-uurtjes heen, ze zijn al zo schaars.

 

 

Ontwikkelingsvoorsprong bij de oudste: het besef

Ontwikkelingsvoorsprong bij de oudste: het besef

Voorlopen in ontwikkeling

Toen Meia nog maar een baby was, merkte ik al vrij snel dat er een aantal dingen niet ‘volgens het boekje’ liepen. Meia was onze eerste en wij waren ook de eerste in de familie en onze vriendengroep, dus was vergelijkingsmateriaal niet direct voor handen. Maar ik voelde dat onze baby anders reageerde dan de meeste anderen.

En hoewel ik toen net een studie achter de rug had, voelde ik me alles behalve zeker in die eerste maanden. Zeker omdat je bepaalde verwachtingen hebt ten aanzien van baby’s en het ouderschap die dan niet kloppen met de werkelijkheid. Dat brengt je een beetje uit evenwicht.

Weinig slaapbehoefte

Een van de eerste dingen die opvielen was dat ze zo weinig sliep. Baby’s sliepen toch het merendeel van de dag? Ik begreep er niks van. Hoe deden andere ouders dat? Ik zat soms 1,5u mijn kind in slaap te wiegen, voordat ze eindelijk sliep. Redelijk uitgeput ging ik dan vervolgens naar beneden, op muizenvoeten, waar ze na krap 20 minuten alweer wakker was! Gek werd ik er van! Ik had echt het idee dat ze helemaal niet wilde slapen. In de kraamweek was de kraamverzorgster al zo verbaasd dat ze haar hoofdje al zo vaak zelf rechtop hield als ze op schoot zat of op haar buik lag. Ze is zeker sterk, dacht ik toen. Maar na een paar dagen kreeg ik het idee dat ze haar hoofdje doelbewust wilde gebruiken om om zich heen te kijken, tot ze niet meer kon.

Alles in zich opnemen

Sowieso zat ze het liefst rechtop op schoot, over onze schouders heen kijkend, grote opengesperde ogen. Ze vond alles mooi, maar nooit lang. Zolang je maar met haar rondliep, de dingen benoemde en aanwees, liedjes zong, gekke bekken trok of wat dan ook, was het goed. Het vergde nogal wat energie om haar tevreden te stellen, want dat was ze echt niet gauw. Het was alsof ze zich geen tijd gunde om te slapen, alsof ze niets wilde missen en alles in zich op wilde nemen. En het leek zelden genoeg.

Huilen uit boosheid en frustratie

Haar ontwikkeling verliep razendsnel. En dat besefte ik uiteindelijk pas toen onze tweede, Fosse werd geboren. Toen we met hem een babytijd ‘volgens het boekje’ doormaakten, werd het contrast met de babytijd van Meia met een schok duidelijk. Terwijl je bezig bent met het verwerven van je nieuwe rol als moeder, ouder, het wennen aan en leren kennen van je kind, merk je niet hoe de ontwikkeling anders verloopt van die van anderen. Althans, niet erg bewust. Op een meer onbewust niveau merkte ik wel dat we steeds tegen dingen aanliepen omdat je niet goed snapt waarom ze bijvoorbeeld zo vaak huilde, en dan vooral uit nijd of boosheid leek het wel.

Snelle motorische ontwikkeling

Want Meia was (en is) een meisje met temperament, met een kop erop zogezegd. Als zij iets wil, dan wil ze het nu, en wil ze het ook nu kunnen. En zo kwam het dat zij met 4 maanden door de woonkamer tijgerde, met 7 maanden langs de tafel liep, en met 9 maanden woordjes begon te zeggen. Ze leek zichzelf geen rust te gunnen, alsof ze geen tijd te verliezen had. Ik denk ook mede om die reden dat we regelmatig bij de huisartsenpost te vinden waren: Meia had zichzelf geleerd op de bank te klimmen, maar nog niet om er ook handig vanaf te komen, met de nodige ongelukjes van dien. Meia klom de trap op en wist op haar eerste verjaardag zichzelf in de draaistoel te hijsen en deze vervolgens te laten draaien. Val- en struikelpartijen lagen altijd op de loer, door al haar gekke toeren die ze uithaalde.

Temperamentvol

Steeds regelmatig kreeg ik vanuit de omgeving opmerkingen in de trant van “ze is wel vlot hoor”, “kan ze dat al?”, die lieten doorschemeren dat zij wellicht vlotter in haar ontwikkeling was. Maarja, bij zulke kleintjes kun je daar toch verder niks mee, dacht ik toen. En iedere keer hoopte en dacht ik: “als ze straks kan kruipen/lopen/praten/pakken/etc. dan zal ze wel tevreden zijn, dan zal haar frustratie weg zijn”. Maar dat was slechts van korte duur. Want zodra ze de ene kant op kon rollen, was ze boos dat ze niet meer terug kon rollen. Kon ze eindelijk dingen pakken, werd ze boos dat ze geen twee dingen beet kon houden of ergens niet bij kon. Kon ze tijgeren, zat ze steeds klem onder de tafel of kast. Kon ze lopen, ging het haar te traag en viel ze constant in haar hopeloze pogingen te rennen. Het was constant alsof haar hoofd een stap voorliep op haar lijf. Alsof ze begreep wat er in theorie mogelijk was, maar het nog niet helemaal kon uitvoeren. En het dreef haar (en ons) regelmatig tot wanhoop.

Zoeken van uitdaging

Het eerste jaar was al met al een pittig jaar. Weinig slapen, pas doorslapen met 8 maanden, overdag bij wijze van spreken een dagprogramma vol met entertainment willen hebben om tevreden te zijn (de box is bij ons toen nooit gebruikt, enkel als opslagplek voor alle zooi). Ik was benieuwd wat de jaren daarna zouden brengen. Toen ze goed kon lopen werd haar wereld wel groter, evenals haar zelfstandigheid en haar mogelijkheden. Het leek eindelijk wat rust te brengen. Maar ze zat nooit stil. Overal zocht ze de uitdaging in. Met 2 jaar was ik blij dat ze eindelijk naar de peuterspeelzaal kon, zodat ze misschien wat uitgedaagd kon worden. Maar dat was achteraf bezien wat ijdele hoop. Ook daar konden ze niet bieden wat ze wilde, en wij konden ook niet precies uitleggen wát ze nodig had, omdat we dat nog niet precies wisten.

Grenzen opzoeken

En wat er dan gebeurt is iets wonderlijks. Kinderen die uitdaging nodig hebben, zoeken die uitdaging, ongeacht op welk terrein. Het is als het ware een soort ontwikkelhonger die gestild moet worden. Als er geen gebied is om die uitdaging in te vinden, dan wordt het zoeken van de uitdaging verlegd op het terrein van de relatie. Dus gebeurde het dat Meia, met haar 2 jaar, op bijna manipulatieve wijze, de grenzen op zocht bij ons als ouders. Het was bikkelen, want ze leek geen gezag te accepteren en we begrepen er geen snars van. Hoe kon zo’n klein meisje nu zo’n ijzeren wil hebben en zo vastberaden zijn? Ik merkte dat het steeds botste als wij in de machtspositie belandden (zinloos, geloof me): dan was het hard tegen hard.

Machtsstrijd

Pas na talloze vruchteloze machtsstrijden viel bij mij het kwartje: ik moet er naast blijven staan, ze moet het gevoel hebben dat zij niet de mindere is, niet ondergeschikt, maar gelijkwaardig, dat zij als partner wordt behandeld. En dat was inderdaad het antwoord (Ja jongens, al ben je dus orthopedagoog, als moeder blijf je ook maar mens!). Toen we meer als ‘team’ gingen samenwerken, ik haar uitlegde waarom ik deed zoals ik deed, ik argumenten gaf voor de reden waarom ik dingen van haar verwachtte, kon ze de deze accepteren en zich er naar voegen. Maar zelfs dan, met nog geen 3 jaar oud, kon ze ook beslissen iets niet te doen, gewoon omdat ze de reden ervan niet overtuigend genoeg vond. En toegegeven, nog steeds zijn dat lastige momenten: want hoe krijg je soms voor elkaar wat je wilt, zonder in een machtsstrijd te verzanden?

Vaststellen van een voorsprong

Ik overlegde deze en veel andere zaken ook wel eens met mijn collega’s en bijvoorbeeld op het consultatiebureau. En steeds vaker begon ik te denken of ze misschien voorliep, dat ze daarom andere behoeftes had in haar ontwikkeling, dat we daarom soms niet op één lijn zaten. En toen ze op het consultatiebureau uiteindelijk ook zeiden dat het doen van een intelligentieonderzoek wellicht goed was, heb ik die stap uiteindelijk gezet. Met net 3 jaar heeft Meia het onderzoek gedaan, afgenomen door een collega. En hoewel je vermoedens hebt, is de uitslag toch even schrikken. Een voorsprong van 1-2 jaar op verschillende onderdelen. Dus toch.

Eindelijk rust?

Op die leeftijd kun en mag je nog niet spreken van hoogbegaafdheid, maar van een ontwikkelingsvoorsprong, vanwege de grilligheid in de ontwikkeling. Maar doordat we nu wisten dat we haar cognitieve vermogens op een ander niveau konden (ja zelfs moesten, eigenlijk) aanspreken, veranderde ons meisje zienderogen. Weg met de leeftijdsindicaties op alle spellen en speelgoed, maar afgaan op interesses. Ik kreeg dat jaar een museumkaart voor mijn verjaardag en sindsdien hebben we haar meegenomen naar musea. Er ging een wereld voor haar open. Ze vroeg de oren van onze hoofden en genoot van alles wat ze zag en hoorde. In de bibliotheek liet ik de peuterboeken links liggen, maar zocht ik voorleesboeken en boeken met specifieke onderwerpen. Ze verslond ze!

Vinger aan de pols voor de toekomst

En nu ze eindelijk de voeding kreeg die ze zo nodig had, klaarde ze op: er kwam rust, ze kon weer spelen, ging zich beter concentreren, was niet meer zo vluchtig. Toen ze daarnaast ook op peuter/kleutergym met bijna 3 jaar, kon ze ook haar motorische energie kwijt. Op de peuterspeelzaal werd materiaal uit de kleutergroepen gehaald om haar te prikkelen. En alle puzzelstukjes vielen steeds meer op hun plek: we snapten de onrust, de frustraties en de rappe ontwikkeling uit de babytijd nu ineens. En nu we wisten wat ze nodig had, konden we daarop inspelen. Vanuit mijn opleiding wist ik dat we waakzaam zouden moeten blijven, dat vinger aan de pols houden nodig bleef. Maar ik had vertrouwen in de toekomst en was benieuwd hoe ze zich verder zou ontwikkelen.