Archief van
Tag: motoriek

Naar logopedie

Naar logopedie

Verstaanbaar leren praten

Fosse gaat sinds kort naar logopedie. Voor de zomervakantie spraken we met de juf, die aangaf dat Fosse soms wat onduidelijk spreekt. Ik begreep wat ze bedoelde, want ik merkte het soms ook. Toch konden we beiden niet goed aangeven wát we nu precies merkten en wat er mis ging. Het leek ons goed om alvast te starten met het traject en niet te wachten op de screening van groep 2.

Jong geleerd…

Voor jonge kinderen geldt in veel gevallen van behandeling: hoe jonger, hoe korter er nodig is. Kinderen zijn nog volop in ontwikkeling op allerlei gebied, en hun hersenen plastisch. Wat ze nu leren, wordt heel gemakkelijk verankerd in hun ‘hardware’. Naarmate mensen ouder worden, is dat lastiger, en is er meer tijd en oefening voor nodig om dezelfde resultaten te behalen.

Logistieke uitdaging

Zo vond ik het dan ook geen probleem dat Fosse naar logopedie moest. Maar het is wel een aanslag op de toch al drukke invulling van de dagen. Ik weet niet hoe dat bij jullie zit, maar ik heb soms het idee dat ik een logistiek bedrijf run, zoveel ben ik op pad voor de kinderen. Zo ook deze afspraak, die onder schooltijd valt. Bij het maken van de afspraak met de logopedist kwam ik tot de conclusie dat er gewoon geen handig moment is. Ik zit altijd met de jongste, waarvoor ik dan oppas moet regelen, of je zit na schooltijd met alle kinderen. Het is het lot van ouder zijn, denk ik.

Zenuwachtig

Fosse was erg zenuwachtig voor de eerste afspraak. Ik probeerde uit te leggen wat logopedie is. Een mevrouw die je helpt om mooier te praten, waarbij je oefeningen en spelletjes doet. Zodat anderen je ook beter kunnen verstaan. Nouja, zoiets was mijn uitleg. Maar Fosse vond het nog steeds spannend. Met zijn ruim 5 jaar kreeg ik het gevoel dat hij zich bovendien al bewust was van zijn uitzonderingspositie: ‘blijkbaar moet ik dit, terwijl anderen dit niet moeten… doe ik dan iets niet goed?’. Gelukkig zijn er in onze omgeving nog andere kindjes die ook logopedie hebben gevolgd, wat de spanning een beetje verzachte voor Fosse.

Observatie

En toen was het zover, de eerste afspraak. Fosse keek zoals verwacht de kat uit de boom, maar was vrij snel op zijn gemak. Hij heeft de neiging om bij verlegenheid juist zijn vingers in zijn mond te stoppen of met zijn tong te ‘spelen’, wat op dat moment de noodzaak van afspreken alleen maar bevestigde. Fosse mocht woordjes benoemen, terwijl de logopedist observeerde wat hij nu precies deed met zijn mond.

Verkeerde gewoontes

Het was al vrij snel duidelijk: Fosse heeft een verkeerde gewoonte, door zijn tong achter zijn ondertanden te houden in rust, terwijl deze achter zijn boventanden zou moeten rusten. Daardoor duwt hij ongemerkt zijn tanden naar voren en uit elkaar en maakt hij verkeerde klankbewegingen. De volgende keer begon hij met articulatie oefeningen met de letter ‘l’, waarna hij woordjes met de ‘l’ mocht zeggen met zijn tong op de goeie plek. Uiteindelijk worden alle klanken die lastig zijn aangepakt, van makkelijk naar moeilijk.

Gezellig

Naar logopedie gaan is een extra belasting voor het gezin, merk ik. Het is een heel geregel om er wekelijks naartoe te gaan. De jongste naar de oppas, vervolgens Fosse uit school halen, naar de logopedie, Fosse weer op school brengen en de jongste weer ophalen van de oppas. En daarvoor en daarna zijn, helaas, ook nog 1001 dingen te doen. Toch is het wel gezellig. Sinds Fosse heeft gemerkt dat het best leuk is bij logopedie, vindt hij het niet erg meer om te gaan. Samen op de fiets, als enige terwijl de rest op school zit. We genieten stiekem even van de tijd die we samen hebben.

Oefenen, oefenen, oefenen…

Maar het blijft niet bij wekelijkse afspraken. De meeste tijd gaat zitten in het oefenen. Omdat het een gewoonte betreft, is oefenen heel belangrijk om die gewoonte te doorbreken. Dagelijks, soms driemaal daags. Dat betekent zoeken naar een manier om deze oefeningen te verweven in het toch al drukke gezinsleven. Veel woordjes zeggen, wanneer doe je dat? Onderweg naar school en teruglopend naar huis. Tijdens het avondeten. Oefeningen om de lippen sterker te maken met een knoop, 3x per dag? Dat wordt al lastiger. Tot nu toe lukt het tijdens de maaltijden, omdat die ook 3x per dag zijn. ’s Middags schiet er vaak bij in, want dan is Fosse meestal op school. Elke dag een tijdlang met een bitje in zitten, waarmee je dus niet kunt praten? Lijkt me ideaal tijdens het tv kijken als ik kook.

Vroege screening

Het is fijn dat er al vroeg wordt gescreend op problemen, en dat er hulp bestaat die vaak laagdrempelig is en bovendien ook niet perse langdurig. Maar wanneer het dan eenmaal zover is, doet het wel een beroep op het gezin. Gelukkig ervaart Fosse het oefenen als leuk en gezellig, wat het goed te doen maakt. Ik ben benieuwd naar de ontwikkelingen en het uiteindelijke resultaat. Ik houd jullie op de hoogte.

 

 

Ontwikkelingsvoorsprong bij de oudste: het besef

Ontwikkelingsvoorsprong bij de oudste: het besef

Voorlopen in ontwikkeling

Toen Meia nog maar een baby was, merkte ik al vrij snel dat er een aantal dingen niet ‘volgens het boekje’ liepen. Meia was onze eerste en wij waren ook de eerste in de familie en onze vriendengroep, dus was vergelijkingsmateriaal niet direct voor handen. Maar ik voelde dat onze baby anders reageerde dan de meeste anderen.

En hoewel ik toen net een studie achter de rug had, voelde ik me alles behalve zeker in die eerste maanden. Zeker omdat je bepaalde verwachtingen hebt ten aanzien van baby’s en het ouderschap die dan niet kloppen met de werkelijkheid. Dat brengt je een beetje uit evenwicht.

Weinig slaapbehoefte

Een van de eerste dingen die opvielen was dat ze zo weinig sliep. Baby’s sliepen toch het merendeel van de dag? Ik begreep er niks van. Hoe deden andere ouders dat? Ik zat soms 1,5u mijn kind in slaap te wiegen, voordat ze eindelijk sliep. Redelijk uitgeput ging ik dan vervolgens naar beneden, op muizenvoeten, waar ze na krap 20 minuten alweer wakker was! Gek werd ik er van! Ik had echt het idee dat ze helemaal niet wilde slapen. In de kraamweek was de kraamverzorgster al zo verbaasd dat ze haar hoofdje al zo vaak zelf rechtop hield als ze op schoot zat of op haar buik lag. Ze is zeker sterk, dacht ik toen. Maar na een paar dagen kreeg ik het idee dat ze haar hoofdje doelbewust wilde gebruiken om om zich heen te kijken, tot ze niet meer kon.

Alles in zich opnemen

Sowieso zat ze het liefst rechtop op schoot, over onze schouders heen kijkend, grote opengesperde ogen. Ze vond alles mooi, maar nooit lang. Zolang je maar met haar rondliep, de dingen benoemde en aanwees, liedjes zong, gekke bekken trok of wat dan ook, was het goed. Het vergde nogal wat energie om haar tevreden te stellen, want dat was ze echt niet gauw. Het was alsof ze zich geen tijd gunde om te slapen, alsof ze niets wilde missen en alles in zich op wilde nemen. En het leek zelden genoeg.

Huilen uit boosheid en frustratie

Haar ontwikkeling verliep razendsnel. En dat besefte ik uiteindelijk pas toen onze tweede, Fosse werd geboren. Toen we met hem een babytijd ‘volgens het boekje’ doormaakten, werd het contrast met de babytijd van Meia met een schok duidelijk. Terwijl je bezig bent met het verwerven van je nieuwe rol als moeder, ouder, het wennen aan en leren kennen van je kind, merk je niet hoe de ontwikkeling anders verloopt van die van anderen. Althans, niet erg bewust. Op een meer onbewust niveau merkte ik wel dat we steeds tegen dingen aanliepen omdat je niet goed snapt waarom ze bijvoorbeeld zo vaak huilde, en dan vooral uit nijd of boosheid leek het wel.

Snelle motorische ontwikkeling

Want Meia was (en is) een meisje met temperament, met een kop erop zogezegd. Als zij iets wil, dan wil ze het nu, en wil ze het ook nu kunnen. En zo kwam het dat zij met 4 maanden door de woonkamer tijgerde, met 7 maanden langs de tafel liep, en met 9 maanden woordjes begon te zeggen. Ze leek zichzelf geen rust te gunnen, alsof ze geen tijd te verliezen had. Ik denk ook mede om die reden dat we regelmatig bij de huisartsenpost te vinden waren: Meia had zichzelf geleerd op de bank te klimmen, maar nog niet om er ook handig vanaf te komen, met de nodige ongelukjes van dien. Meia klom de trap op en wist op haar eerste verjaardag zichzelf in de draaistoel te hijsen en deze vervolgens te laten draaien. Val- en struikelpartijen lagen altijd op de loer, door al haar gekke toeren die ze uithaalde.

Temperamentvol

Steeds regelmatig kreeg ik vanuit de omgeving opmerkingen in de trant van “ze is wel vlot hoor”, “kan ze dat al?”, die lieten doorschemeren dat zij wellicht vlotter in haar ontwikkeling was. Maarja, bij zulke kleintjes kun je daar toch verder niks mee, dacht ik toen. En iedere keer hoopte en dacht ik: “als ze straks kan kruipen/lopen/praten/pakken/etc. dan zal ze wel tevreden zijn, dan zal haar frustratie weg zijn”. Maar dat was slechts van korte duur. Want zodra ze de ene kant op kon rollen, was ze boos dat ze niet meer terug kon rollen. Kon ze eindelijk dingen pakken, werd ze boos dat ze geen twee dingen beet kon houden of ergens niet bij kon. Kon ze tijgeren, zat ze steeds klem onder de tafel of kast. Kon ze lopen, ging het haar te traag en viel ze constant in haar hopeloze pogingen te rennen. Het was constant alsof haar hoofd een stap voorliep op haar lijf. Alsof ze begreep wat er in theorie mogelijk was, maar het nog niet helemaal kon uitvoeren. En het dreef haar (en ons) regelmatig tot wanhoop.

Zoeken van uitdaging

Het eerste jaar was al met al een pittig jaar. Weinig slapen, pas doorslapen met 8 maanden, overdag bij wijze van spreken een dagprogramma vol met entertainment willen hebben om tevreden te zijn (de box is bij ons toen nooit gebruikt, enkel als opslagplek voor alle zooi). Ik was benieuwd wat de jaren daarna zouden brengen. Toen ze goed kon lopen werd haar wereld wel groter, evenals haar zelfstandigheid en haar mogelijkheden. Het leek eindelijk wat rust te brengen. Maar ze zat nooit stil. Overal zocht ze de uitdaging in. Met 2 jaar was ik blij dat ze eindelijk naar de peuterspeelzaal kon, zodat ze misschien wat uitgedaagd kon worden. Maar dat was achteraf bezien wat ijdele hoop. Ook daar konden ze niet bieden wat ze wilde, en wij konden ook niet precies uitleggen wát ze nodig had, omdat we dat nog niet precies wisten.

Grenzen opzoeken

En wat er dan gebeurt is iets wonderlijks. Kinderen die uitdaging nodig hebben, zoeken die uitdaging, ongeacht op welk terrein. Het is als het ware een soort ontwikkelhonger die gestild moet worden. Als er geen gebied is om die uitdaging in te vinden, dan wordt het zoeken van de uitdaging verlegd op het terrein van de relatie. Dus gebeurde het dat Meia, met haar 2 jaar, op bijna manipulatieve wijze, de grenzen op zocht bij ons als ouders. Het was bikkelen, want ze leek geen gezag te accepteren en we begrepen er geen snars van. Hoe kon zo’n klein meisje nu zo’n ijzeren wil hebben en zo vastberaden zijn? Ik merkte dat het steeds botste als wij in de machtspositie belandden (zinloos, geloof me): dan was het hard tegen hard.

Machtsstrijd

Pas na talloze vruchteloze machtsstrijden viel bij mij het kwartje: ik moet er naast blijven staan, ze moet het gevoel hebben dat zij niet de mindere is, niet ondergeschikt, maar gelijkwaardig, dat zij als partner wordt behandeld. En dat was inderdaad het antwoord (Ja jongens, al ben je dus orthopedagoog, als moeder blijf je ook maar mens!). Toen we meer als ‘team’ gingen samenwerken, ik haar uitlegde waarom ik deed zoals ik deed, ik argumenten gaf voor de reden waarom ik dingen van haar verwachtte, kon ze de deze accepteren en zich er naar voegen. Maar zelfs dan, met nog geen 3 jaar oud, kon ze ook beslissen iets niet te doen, gewoon omdat ze de reden ervan niet overtuigend genoeg vond. En toegegeven, nog steeds zijn dat lastige momenten: want hoe krijg je soms voor elkaar wat je wilt, zonder in een machtsstrijd te verzanden?

Vaststellen van een voorsprong

Ik overlegde deze en veel andere zaken ook wel eens met mijn collega’s en bijvoorbeeld op het consultatiebureau. En steeds vaker begon ik te denken of ze misschien voorliep, dat ze daarom andere behoeftes had in haar ontwikkeling, dat we daarom soms niet op één lijn zaten. En toen ze op het consultatiebureau uiteindelijk ook zeiden dat het doen van een intelligentieonderzoek wellicht goed was, heb ik die stap uiteindelijk gezet. Met net 3 jaar heeft Meia het onderzoek gedaan, afgenomen door een collega. En hoewel je vermoedens hebt, is de uitslag toch even schrikken. Een voorsprong van 1-2 jaar op verschillende onderdelen. Dus toch.

Eindelijk rust?

Op die leeftijd kun en mag je nog niet spreken van hoogbegaafdheid, maar van een ontwikkelingsvoorsprong, vanwege de grilligheid in de ontwikkeling. Maar doordat we nu wisten dat we haar cognitieve vermogens op een ander niveau konden (ja zelfs moesten, eigenlijk) aanspreken, veranderde ons meisje zienderogen. Weg met de leeftijdsindicaties op alle spellen en speelgoed, maar afgaan op interesses. Ik kreeg dat jaar een museumkaart voor mijn verjaardag en sindsdien hebben we haar meegenomen naar musea. Er ging een wereld voor haar open. Ze vroeg de oren van onze hoofden en genoot van alles wat ze zag en hoorde. In de bibliotheek liet ik de peuterboeken links liggen, maar zocht ik voorleesboeken en boeken met specifieke onderwerpen. Ze verslond ze!

Vinger aan de pols voor de toekomst

En nu ze eindelijk de voeding kreeg die ze zo nodig had, klaarde ze op: er kwam rust, ze kon weer spelen, ging zich beter concentreren, was niet meer zo vluchtig. Toen ze daarnaast ook op peuter/kleutergym met bijna 3 jaar, kon ze ook haar motorische energie kwijt. Op de peuterspeelzaal werd materiaal uit de kleutergroepen gehaald om haar te prikkelen. En alle puzzelstukjes vielen steeds meer op hun plek: we snapten de onrust, de frustraties en de rappe ontwikkeling uit de babytijd nu ineens. En nu we wisten wat ze nodig had, konden we daarop inspelen. Vanuit mijn opleiding wist ik dat we waakzaam zouden moeten blijven, dat vinger aan de pols houden nodig bleef. Maar ik had vertrouwen in de toekomst en was benieuwd hoe ze zich verder zou ontwikkelen.

Ruimte nodig hebben voor je energie

Ruimte nodig hebben voor je energie

Ontwikkelingsdrang

Mijn dochter was 3 jaar, ik zie mezelf nog zitten: internet afstruinend naar een activiteit voor mijn beweegmonster. Ik voelde me een beetje alleen, en nog wel eens. Onze kinderen hebben Ruimte nodig. Met hoofdletters. Uiteindelijk vond ik een activiteit: peuter/kleutergym, eigenlijk vanaf ongeveer 4 jaar, maar Meia mocht gelukkig meedoen. Want wat had ze dat nodig. Het was zomervakantie, dus geen peuterspeelzaal of andere activiteiten om zich op te richten en we liepen zowat tegen de muren op. Vooral als het regende was het huis te klein. Figuurlijk, maar ook letterlijk!

Frustratie

Ik wist het al vanaf de babytijd. Altijd boos en gefrustreerd als ze iets wilde dat haar nog niet lukte. Wilde altijd nét meer dan ze op dat moment kon. En gillen dat ze dan deed! Stilzitten was er niet bij, slapen deed ze ook al liever niet. Altijd maar in de weer, in beweging, als een spons alles in zich opnemend. Niks willen missen van het leven, een tomeloze ontwikkelingsdrang. Echt baby is ze daarom voor mijn gevoel nooit geweest.

Altijd willen bewegen

Met 4 maanden tijgerde ze door de kamer, met 6 maanden kroop ze en met 7 maanden liep ze langs de tafel. Er was geen houden aan. En dat tempo hield ze vast, tot de dag van vandaag. Maar iedere keer was het zoeken geblazen: hoe sluit ik aan bij haar behoeften? Wat kan ik voor haar doen? Want ze leek niet snel tevreden, wilde bewégen, vrij zijn. Zodra ze vast werd gezet (maxi-cosi, kinderstoel, de fiets) zette ze het op een brullen. Ze voelde zich denk ik begrensd en vocht om vrij te komen.

Op vakantie naar Marokko, 3 uur vliegen. 11 maanden was ze op dat moment, toen ze op schoot vastgezet moest worden in de gordels. En we hadden pech, want er was turbulentie, dus moest ze nog langer in de gordels. Nou, de medepassagiers hebben het geweten: “ach heeft ze zo’n last van haar oren”. Nee hoor mevrouw, ze moet blijven zitten, dát is het probleem. Wij hadden trouwens wel last van onze oren. Door haar gekrijs.

Exploratiedrang

En zodra ze kon lopen werd de wereld om haar heen groter, net als voor elk ander kind. De mogelijkheden waren eindeloos, wat in de praktijk inhield dat ik kilometers heb gemaakt achter Meia aan, in haar exploratiedrang. Genieten, op het moment dat ik het toe kon staan en mijn eigen plannen kon laten varen. Frustrerend, op veel andere momenten, waarop ik op tijd ergens moest zijn of Fosse mijn zorg opeiste.

Wat was ik daarom blij dat ik de peutergym had gevonden! Een activiteit waarin ze haar energie kwijt kon, een moment voor zichzelf, en waarop ze tegelijk andere vaardigheden leerde. Op haar beurt wachten, rekening houden met anderen, je lijf leren beheersen. Om maar wat te noemen.

Naar buiten!

En voor de overige uren in de week was het zoeken geblazen. Naar buiten! Was het credo. Haar beweegdrang en energie dwong ons tot creativiteit in de vrije momenten. Veel wandelen, fietsen, naar de speeltuin, voetballen op het plein, zelf leren fietsen, buiten spelen met andere kinderen en nieuwe plekken ontdekken.

En Fosse groeide intussen op, motorisch ook vlot en vaardig, maar gelukkig geduldiger en zonder frustraties. Hij profiteerde mee van de uitjes die we als gezin ondernamen en groeide daarmee op met dezelfde waardering voor bewegen en buiten spelen.

Buiten spelen

Wat prijs ik ons gelukkig met onze kindvriendelijke wijk, met een binnenplein waar de kinderen naar hartenlust veilig kunnen spelen. Ik realiseer me dat dit lang niet meer vanzelfsprekend is tegenwoordig. Zeker nu ik zelf de passie voor het sporten en bewegen weer heb hervonden, besef ik des te meer hoe belangrijk het is om te bewegen en je lijf te gebruiken. Het maakt je gelukkig, wakker, alert. Ik zou niet meer zonder kunnen.

Maar wat mijn kinderen aangaat, lijken zij soms anders in hun behoefte aan ruimte dan andere kinderen. Neem ze mee naar een restaurant (nou eigenlijk moet je dat bij voorbaat al niet willen trouwens), en ze zijn binnen 30 seconden op onderzoek uit, om zo nu en dan weer eens aan te schuiven om een stuk pannenkoek naar binnen te duwen, om vervolgens zo vlug mogelijk weer van tafel te gaan.

Niet vast willen zitten

En nu, met onze derde, merk ik veel gelijkenissen met Meia. Gelukkig heeft Signe ook niet dezelfde frustraties, maar wel dezelfde motorische ontwikkeldrang. Stilzitten is een no-go. Dagelijks houden we ons hart vast als ze op de stoelen klimt en triomfantelijk los gaat staan, als ze zichzelf op de bank laat vallen, als ze in een mum van tijd weer halverwege de trap is geklommen.

Nu ze aan het lopen is geslagen, breekt ook voor haar de tijd aan van ‘er achter aan lopen’. De grootste frustraties voor haar op dit moment zijn vastgezet worden in de auto, in de bakfiets, in de kinderwagen en in de kinderstoel. Vanmorgen kreeg ze het zelfs voor elkaar om voorover uit haar ledikant te kukelen, omdat ze achter haar broer aan wilde gaan.

Energie doseren

Gelukkig heb ik inmiddels de nodige ervaring (inclusief bezoekjes aan huisartsenposten) en weet ik dat de mogelijkheden toenemen als ze wat ouder worden (denk aan sport, buiten spelen met vriendjes, gym). Zo zit Meia nu op zwemles en turnt ze, waar ze haar energie gedoseerd in kwijt kan. Dat brengt rust op de andere momenten. Dat vooruitzicht voor de andere twee maakt een hoop goed. Wie weet breekt er ooit een moment aan dat we met zijn allen aan tafel blijven zitten als we uit eten gaan!

 

De eerste stapjes: zelfvertrouwen en machtsgevoel

De eerste stapjes: zelfvertrouwen en machtsgevoel

De eerste stapjes als je niet kijkt

Er is weer een mijlpaal geslagen: mijn jongste dochter loopt! En daarmee is ze nu toch echt baby af. Wat een cliché, maar het is blijft leuk en bijzonder. Al langere tijd liep ze langs de tafels, kastjes en klom ze overal op wat haar maar lukte: de trap, de kast, de bedden van broer en zus, en zelfs via het keukentrapje in haar kinderstoel. Maar lopen deed ze niet. Nog niet.

Wist je dat de eerste stapjes vaak worden gezet buiten het zicht van volwassenen? Het zien van de eerste stapjes zijn daarmee dus vaak niet de eerste stapjes. Dit is met experimenten vastgelegd op videobeelden, leerde ik eens in een cursus. Hoe kan dat? Het heeft te maken met zelfvertrouwen. Voor kleine kinderen geldt: ze doen pas dingen waarvan ze zeker weten dat ze het kunnen.

Los staan

In de fase waarin mijn dochter toe werkte naar het loslopen merkte ik dit ook heel goed. Soms stond ze met haar handen tegen de speelgoed kist aan. Eén handje stevig geklemd aan de kist, de ander werd doelmatig gebruikt om in sneltreinvaart zoveel mogelijk speelgoedstukken de kamer in te slingeren. Maar heel soms kwam ze iets interessant tegen, waarvoor ze beiden handen nodig had om het eens te onderzoeken. Op die momenten liet ze de speelgoedkist los, zonder dat ze er erg in had. Ze stond op die momenten dus los, druk wiebelend om zichzelf in balans te houden. Maar zodra ik een kreetje sloeg in de trant van “oh kijk nou, je staat los!”, greep ze angstvallig de kist beet of liet zich direct op haar billen vallen. Blijkbaar was dat toch wel erg eng.

De eerste stapjes bij een ander

Ik weet niet precies waarom een kind er voor kiest de eerste stapjes “buiten beeld” te zetten. Misschien heeft het te maken met het trotse gevoel, dat ze het pas willen tonen als ze er zeker van zijn dat het gaat lukken? Zodat ze weten dat hun ouders het goed zien en trots reageren? Ik weet het niet. Niet zelden hoor ik ook dat kinderen de eerste stapjes zetten bij hun oma, oppas of de kinderopvang. Ik vermoed dat dit geen toeval is, maar helemaal verklaren kan ik het niet.

Zelfvertrouwen

Dat er een stuk zelfvertrouwen meespeelt herken je in de momenten dat je probeert je kindje te laten lopen: proberen voorzichtig je vinger uit de greep van haar handje los te krijgen om haar los door te laten lopen, resulteerde bij mijn jongste steevast in het op de grond ploffen en een verontwaardigde schreeuw: ‘dat was niet de bedoeling!’. Of ze bleef gewoon staan: echt niet dat zij ging laten zien dat ze kon lopen! Niets op commando.

Maar inmiddels is bij Signe is het kwartje gevallen: ze loopt! En natuurlijk viel dat kwartje tijdens een voorstelling op school van mijn oudste, waar we allemaal geacht werden te blijven zitten. Hoe kiezen kinderen dat altijd uit hè? Dus verhuisde mijn vriend naar de achterste rij, waar Signe haar eerste meters maakte, één hand in de lucht en schaterend van plezier en trots. Het was een voorstelling op zich, prachtig!

Motoriek

Het zal voor jullie ook herkenbaar zijn dat het lopen dan niet direct wordt doorgevoerd: het blijft immers toch wat spannend (hóóg daarboven!), het geeft een heel nieuw perspectief en het zelfvertrouwen hierin moet samen met de motorische vaardigheid verder worden uitgebouwd. Dus kiest Signe nog 80% van de tijd voor kruipen. Hierin is ze zeker, snel en vaardig.

“hoe vroeger een kind kan lopen, hoe meer ervaringen het kan opdoen. Blijf het leren lopen daarom stimuleren.”

Toch is het zo, dat hoe vroeger een kind kan lopen, hoe meer ervaringen het kan opdoen. De wereld wordt groter, bereikbaarder, met nieuwe dingen om te ontdekken, te doen en te leren. Blijf daarom alert op het stimuleren van het leren lopen wanneer dit wat langer op zich laat wachten bij je kleintje. Want het feit blijft dat een kindje zijn motoriek nodig heeft voor andere vaardigheden.

Machtsgevoel

Tussen de 9 en 12 maanden krijgt je kind steeds meer spiercontrole. In de theorie van Mahler is dit de fase van praktiseren. Het leren staan en lopen geeft een ‘almachtsgevoel’, want doordat je baby of dreumes steeds beter zijn bewegingen kan controleren, merkt het dat het invloed heeft op de omgeving. Op het moment dat je kindje los kan staan, is dit als het ware het hoogtepunt in het gevoel van machtsgevoel: ‘kijk mij eens’. Zo hoog en groot is het nog niet eerder geweest. Het feit dat je kindje merkt dat je achter hem aan komt als het begint te lopen, geeft bovendien een hele belangrijke boodschap aan hem: ‘ik ben belangrijk genoeg om opgevangen of opgehaald te worden’. Ze voelen zich dus de moeite waard!