Archief van
Tag: angst

Het verhaal van een vluchteling

Het verhaal van een vluchteling

Gevlucht uit Syrië

Soms wil ik me er weleens voor afsluiten. Voor al die verhalen in de media. Voor alle nieuwsberichten waarin de ene waarheid nog gruwelijker is dan de vorige. Maar dat is struisvogelpolitiek. Want helaas zijn al die verschrikkelijke berichten de keiharde waarheid voor duizenden mensen. En af en toe vindt één van die duizenden de weg naar onze praktijk. Ondanks alle taalbarrières, vervoersproblemen en financiële zorgen.

Last van angsten

Vandaag het verhaal van één van hen. Laten we haar Samira noemen, 9 jaar. Ze stapte samen met haar vader binnen bij onze praktijk, om te vragen of ze geholpen kan worden bij haar angsten. Pas 1,5 jaar wonen ze in Nederland, en Samira weet zich al knap verstaanbaar te maken. Hand in hand met haar vader kijkt ze verwachtingsvol met donkerbruine ogen naar mij, als we een afspraak maken.

Niet durven slapen

Wanneer Samira op intakegesprek komt, legt ze vol gevoel uit waar ze last van heeft. Ze wonen in een klein flatje. Haar ouders, Samira en haar twee broers. Het is klein en krap, maar ze hebben een huis en zijn veilig, benadrukt vader. De vorige bewoner was een oude man, die uiteindelijk is overleden. Sinds Samira en haar gezin in dit huis wonen, kan Samira niet slapen. Ze ziet namelijk de overleden man en is bang dat hij haar wilt doden. Zoals we vaker zien, is het goed mogelijk dat deze angst voortkomt uit een ander, groter, trauma. Want dat er sprake van trauma is wordt duidelijk als Samira verder vertelt.

Haar leven in Syrië

Samira komt uit Syrië. Net als zoveel andere vluchtelingen. Ze woonde daar in een dorpje, met haar vrienden en familie. Haar vader had twee winkels en was succesvol. Ze hadden een mooi huis, zoals Samira vertelt. “Je kwam binnen in het gastenverblijf, dat was een mooie kamer, waar we met visite waren. Daarnaast was de woonkamer. Ik weet nog dat we daar met zijn allen tv keken. Als papa dan thuis kwam van zijn werk, kwam hij er gezellig bij zitten, maar hij wilde altijd wat anders zien. Dan probeerde hij de afstandsbediening te pakken van ons”.

Heimwee

“Naast deze kamers was de keuken, de salon, dat was een hele grote keuken waar we met heel veel mensen tegelijk konden koken. Het was de fijnste kamer van het huis, waar mijn moeder de lekkerste dingen maakte. Nu hebben we een hele kleine keuken. Mama is verdrietig. Ze krijgt hoofdpijn van de stoom in de kleine keuken en mist ons huis. Ik vind het zielig voor mama, ik wou dat we een normaal huis hadden, ik mis ons huis”.

Niet geaccepteerd worden

“We kunnen thuis niet goed spelen. Soms kijken we filmpjes op de iPad, maar als we teveel geluid maken dan klaagt de buurman. Hij wil ons niet hebben. Als ik door het huis ren, dan heeft hij er last van, en bonkt op de muren. Ik schrik dan heel erg. Het gebonk lijkt op het geluid van de bommen, in Syrië. Steeds als de buurman bonkt, word ik bang. Ik durf niet te slapen, ik zie steeds enge dingen. Ik ben bang dat andere mensen in mijn kamer zijn, dat ze me dood zullen maken”.

Tastbaar verdriet

Als Samira op de afspraken komt, vertelt ze veel uit zichzelf, ook al kost het haar moeite om te zoeken naar woorden. Soms probeer ik, om de verwerking op gang te brengen, direct te laten tekenen wat Samira vertelt. Dit wil ze liever niet: “Mag ik het ook zeggen met woorden? Ik kan het niet tekenen”. Het lijkt wel alsof het tekenen de angsten en de akelige gebeurtenissen nog echter maken, nog concreter. Dan wordt het letterlijk tastbaar. Ik help haar dit beetje bij beetje letterlijk onder ogen te zien en structuur te brengen in haar verhaal.

Bommen

“Wat weet je nog van de oorlog?”, vraag ik als ze weer bij me is. “Mijn broer en ik waren alleen thuis. Papa was werken, mijn broer was ook ergens anders en mijn moeder deed net boodschappen voor het avondeten. Het was helemaal stil in huis. Mijn zus keek tv en ik speelde in mijn kamer. Toen hoorde we ineens BOEMBOEMBOEM, heel hard! Er vielen bommen in de buurt. Ik rende mijn kamer uit, en mijn zus ook, waardoor we tegen elkaar botsten. We waren heel bang, en alleen thuis!”.

Vluchten

“Op een middag waren er ineens mensen in het dorp. Ze zeiden dat we nu weg moesten. Dat er soldaten kwamen die ons wilden doodmaken. Mijn vader heeft mij opgetild en we zijn allemaal uit huis gerend. Er was iemand die ook in het dorp woonde, die keek in de straat en zei of ze er aan kwamen. We renden met alle mensen door de straat heen. Ik zag niks, want papa had mijn hoofd tegen zich aangedrukt, dus ik kon niks zien. Hij wilde niet dat ik pijn zou hebben als zij zouden schieten, daarom hield hij mij zo vast. Ik was bang, want iedereen wist dat er aan de andere kant van de straat de soldaten waren”.

Alles achterlaten

“Toen we heel lang hadden gerend, zijn we met een auto verder gegaan. Daar weet ik niet meer zoveel van. We zijn gevlucht naar een ander land, maar daar was het ook niet leuk. Het was geen oorlog, maar niet erg veilig. We woonden ook in een stom huis en papa moest toen heel veel werken om het huis te betalen. We hadden niks. Omdat we ineens moesten vluchten konden we niks meenemen. Ik heb geen spullen meer, geen knuffels, geen foto’s, niks. Papa had alleen zijn mobiel in zijn zak, en daar staan nog wat foto’s op”.

“Ik mis Syrië”

“Na een jaar zijn we naar Nederland verhuisd. Hier is het veilig, ik vind het leuk op school en ben blij om hier te zijn. Maar ik mis Syrië. Ik mis mijn oma en andere familie. Soms spreken we elkaar heel lang niet, want het is daar nog steeds oorlog. Er is ook veel familie doodgemaakt door de bommen in Syrië, ook mijn favoriete oom. Hij was altijd lief voor ons en nam het voor mij op als we per ongeluk iets kapot maakten. Die oom was zo fijn, hij nam altijd een cadeautje voor me mee als we elkaar weer zagen. Ik mis hem”.

Faalangst en 5 tips

Faalangst en 5 tips

Bang om het niet goed te doen

Het komt vaak voor. De angst om het fout te doen. Het idee dat fouten maken iets verkeerds is. Veel kinderen, en ook volwassenen kampen met dit soort gevoelens. Het geeft een grote onzekerheid en belemmert een kind om vrij en onbevangen ergens aan te beginnen. Het legt een grote druk, want niets is zonder gevaren. Deze kinderen kunnen, als de gevoelens heel sterk zijn, echt veel last hebben van de faalangstgevoelens. Het nemen de onbezorgdheid weg, die zo kind-eigen is. Iets wat je als ouder vaak aan het hart gaat.

“Tom (6) is altijd al bang geweest om dingen fout te doen. Hij remt zichzelf enorm in het aangaan van nieuwe dingen. Tom heeft moeite om nieuwe dingen te leren: zijn nieuwe fiets heeft nog steeds zijwieltjes want hij is ervan overtuigd dat hij valt als ze eraf gaan.”

Troosten en geruststellen

Het is ook heel erg naar om je kind zo verdrietig of angstig te zien als het iets nieuws ‘moet’ proberen, of als het bezig is iets te doen wat naar zijn idee in één keer goed moet. En als ouder probeer je die gevoelens dan ook zo snel mogelijk weg te maken. Het zien dat je kind het moeilijk heeft, is namelijk voor ouders heel lastig. Dit wekt vaak de automatische neiging op om je kind te troosten, gerust te stellen en te zeggen dat het niet klopt wat je kind denkt: ‘stil maar, daar hoef je niet om te huilen’, ‘je hoeft nergens bang voor te zijn, je kan het gewoon’, ‘het gaat je heus wel lukken, doe niet zo gek!’.

Herkenning

Niet zelden herkennen ouders deze gevoelens ook bij zichzelf. Angst is iets besmettelijks en wordt, helaas, gemakkelijk doorgegeven aan kinderen. Hoe goed je ook denkt dit niet te laten merken. Kinderen voelen dit echter feilloos aan en nemen dan ook vaak gedrag over. Daar komt bij dat angst ook een stukje genetisch materiaal is: het is vaak een karaktertrek. Mensen kunnen in meer of mindere mate emotioneel stabiel zijn, wat o.a. wordt afgemeten aan de mate van angstig gedrag. Dat betekent dat het ene kind per definitie angstiger is dan het andere kind. Zo kan er dus een kwetsbaarheid bij je kind zijn om bijvoorbeeld faalangst te ontwikkelen.

“Mijn dochter van 8 wil niet meer naar school. Ze vindt het saai, het duurt allemaal te lang. Toen ik wat doorvroeg, kwam er iets uit wat ons niet verbaasde: faalangst. Ik herken het enorm bij mijzelf, en mijn man trouwens ook.”

Argumenten en overtuigen

De meeste ouders zijn behoorlijk creatief in het aandragen van goede argumenten om hun kind te overtuigen van hun ongelijk. Maar tegelijk merken ze dat deze goed bedoelde peptalks niet lijken binnen te komen. Soms ontstaat er een patroon dat een kind deze geruststelling en bevestiging steeds harder nodig gaat hebben voor het ergens aan begint, wat ouders soms tot wanhoop kan drijven: “wat ik ook zeg, niks lijkt hem ervan te overtuigen dat hij zich geen zorgen hoeft te maken”. Het hele aanmoedigingsproces gaat steeds meer tijd kosten merken ze.

“Sam (13) komt steeds vaker ziek naar huis. Het begon toen hij voor Nederlands een presentatie moest geven voor de klas. Hij was zó zenuwachtig, terwijl hij zo goed had geoefend. Het uur voor zijn presentatie kreeg hij buikpijn en werd misselijk. Hij heeft zich toen ziek gemeld en is naar huis gekomen. Het lijkt wel of hij nu probeert alle spannende momenten op school te vermijden.”

Meteen goed doen

Faalangst komt voor bij alle kinderen. Het is een fabeltje dat dit niet bij jonge kinderen voor kan komen of alleen bij kinderen die moeilijk leren. Niet zelden is faalangst gekoppeld aan perfectionisme. Deze kinderen hebben vaak het idee dat wat ze doen, 100% goed moet zijn. Of dat ze iets al moeten kunnen als ze er mee beginnen om het te leren, bijvoorbeeld zwemles of zonder zijwieltjes fietsen.

“Lilly (10) is slim, maar toch is ze als de dood dat ze een fout maakt. Ze neemt het risico liever niet dat de juf met rode pen een kruis door haar werk zet, want dat is volgens haar onvergeeflijk. Als het even kan, doet ze pas iets als ze zéker weet dat ze het kan. En als ze het dan heeft laten zien, lijkt ze te denken: ‘zo, nu heb je gezien dat ik het kan, nu ga ik het niet meer doen’. Ik maak me zorgen dat ze hierdoor gaat onderpresteren op school, omdat ze alleen gemakkelijke werkjes kiest die ze 100% zeker weten kan.”

Perfectionisme

Waar perfectionisme ophoudt en faalangst begint, is vaak een dunne scheidslijn. Perfectionisme is een mooie eigenschap. Het is tenslotte prima dat iemand graag goed werk aflevert en nauwkeurig is. Maar als dit ten koste gaat van het welzijn van het kind of het kind wordt belemmerd om dingen te doen die het anders wél zou doen, dan is perfectionisme een probleem geworden. Hoe doorbreek je het patroon? Hoe kun je je kind het vertrouwen in zichzelf geven en het weer onbezorgd de dagelijkse dingen laten doen? Er zijn een aantal tips die ik met jullie wil delen.

 

1. Goeie complimenten

De belangrijkste tip gaat over de manier van aanmoedigen. Complimenteren is een kunst, dat verdient een aparte blog. Voor nu is het belangrijk om te weten dat er een verschil is tussen complimenteren met een waarde-oordeel en complimenteren zonder beoordeling. Een waarde-oordeel gaat vaak over een prestatie. Veel voorkomende complimenten die in het geval van faalangst niet zo handig zijn: ‘goed zo’, ‘wat ben je slim!’, ‘dat kun je heus wel!’, ‘wat een mooi cijfer!’, etc. De waarde-oordelen zijn namelijk vooral prestatiegericht. En dat geeft de impliciete boodschap dat het gaat om de prestatie. Uiteindelijk wil je je kind leren hóe het tot een bepaalde prestatie komt, dus is het heel belangrijk dat de complimenten gaan over de inzet, het proces, de werkhouding van het kind. Houd in gedachten wat het doel is van een compliment: gewenst gedrag laten toenemen. Welk gedrag wil je vaker zien? Hoge cijfers? Of een goede inzet? Waarschijnlijk het laatste. Pas je complimenten daarom aan naar het gedrag wat je benoemt van je kind: ‘wauw, wat doe jij dat met aandacht!’, ‘jij let goed op zeg’, ‘daar neem je even de tijd voor, je wil het graag precies doen zie ik’, ‘je overweegt je antwoorden goed, merk ik’, etc.

2. Gevoelens benoemen

In aanvulling daarop is het belangrijk dat je ook aandacht hebt voor de gevoelens die je kind toont. Het is begrijpelijk dat je je kind zo snel mogelijk wil opvrolijken en oppeppen, maar effectief is het meestal niet. Als kind in de stress zit, neem dit dan serieus door mee te leven: ‘je maakt je zorgen he’, ‘je vind het spannend om iets nieuws te proberen als je nog niet weet of het meteen lukt’, ‘ik zie dat je verdrietig wordt nu je een foutje hebt gemaakt, daar baal je van’, etc. Het benoemen van gevoelens en met meeleven, de gevoelens serieus nemen en erkennen, is essentieel voor het ontwikkelen van een gezonde emotionele stabiliteit.

3. Oplossen is geen oplossing

Houdt in gedachten dat je als ouders niet altijd problemen hoeft op te lossen of te voorkomen. Het meeleven (tip 2) en je kind serieus nemen is vaak al meer dan genoeg. Een kind merkt dat je hem begrijpt en dat het deze gevoelens mag hebben. Doordat je er voor hem bent, heeft het vaak genoeg vertrouwen om alsnog de situatie aan te gaan. Er ontstaat een soort ‘life-line’, omdat je kind weet: ‘mijn moeder weet hoe ik mij voel’. Oplossen van de problemen van je kind is vaak juist niet de oplossing. Op je handen zitten is op de lange termijn beter.

4. Gedachten uitdagen

Als je kind een ster is in doemdenken, van een mug een olifant maakt of het ene blik argumenten na het andere opentrekt vol faalangstgevoelens, dan is het de kunst om uit de discussie te blijven. Nadat je bovenstaande 3 punten hebt gedaan, kun je proberen de gedachtes van je kind uit te dagen. Want, zoals je vaak al door hebt, vaak kloppen die gedachtes helemaal niet. Maar je kind gelooft ze wel. In plaats van overtuigen van zijn ongelijk, kun je daarom beter je kind leren om zelf tot inzicht te laten komen. Dat doe je door steeds kleine zaadjes van twijfel over de waarheid van zijn gedachtes te planten. Die zaadjes plant je, door vragen te stellen aan je kind die hem aan het denken zetten. Bijvoorbeeld: ‘is dat zo?’, ‘klopt het wat je zegt, gaat het echt altijd mis?’, ‘welke keren dat het goed ging vergeet je nu?’, ‘hoe weet je zo zeker dat het zo zal gaan?’, ‘hoe denkt vriendje x hierover?’, ‘als vriendje x dit zou hebben, wat zou jij dan tegen hem zeggen?’, etc.

5. Geef vertrouwen

Als laatste is het fijn als er wat praktische aanpassingen zijn. Zeker om een negatief patroon te doorbreken. Dat is meestal in samenwerking met de ouders en/of leerkracht. Het gaat erom dat je kind weer vertrouwen in zichzelf krijgt. Dat wordt versterkt op het moment dat hij voelt dat de leerkracht en zijn ouders dit vertrouwen in hem stellen. Als omgeving is het dan ook goed om, waar mogelijk, je kind meer verantwoordelijkheden te geven, zodat hij het gevoel krijgt dat hij invloed heeft op hoe dingen gaan. Geef hem bijvoorbeeld keuzes (Welk shirt kies je vandaag, rood of blauw? Wil je vanmiddag liever een tosti of broodje knakworst? Ga je eerst met rekenen beginnen, of met schrijven?). De keuzes zijn niet te groot en de volwassene zet de kaders uit. Dat geeft een gevoel van veiligheid. In het instrueren van een taak, is het fijn als er met een zekere mate van vanzelfsprekendheid en vertrouwen wordt gecommuniceerd: ‘vandaag ga jij deze twee rijtjes maken’, ‘vertel mij maar hoeveel 14×2 is’. Als ezelsbruggetje kun je in je achterhoofd houden dat je de vraagtekens zoveel mogelijk weglaat in je manier van spreken, maar dat je vooral zinnen met een punt maakt. Vragende zinnen roepen namelijk impliciet onzekerheid op: ‘dit is een vraag, hierop bestaat een goed en fout antwoord’. Een zin met een punt geeft deze onzekerheid veelal niet.

Hebben jullie nog meer tips? Laat het vooral weten!

 

Toename in psychische problemen

Toename in psychische problemen

Zorgen over de toekomst

Niet om melodramatisch te gaan doen, maar ik wil toch iets van mijn hart. Ik maak me zorgen over de ontwikkelingen binnen onze maatschappij en de effecten ervan op de psychische gezondheid van kinderen en jongeren. Er is sinds 2015 een nieuwe jeugdwet, waardoor de psychische zorg voor kinderen en jeugd niet meer via zorgverzekeraars loopt, maar wordt geregeld via de gemeente. Sindsdien worden eigenlijk overal noodklokken geluid. Dat is niet zo gek: er bestond een systeem dat door de jaren heen steeds verder is ontwikkeld, en redelijk liep. En ineens wordt dan binnen no-time alles op zijn kop gegooid, en wordt er zogezegd een nieuw wiel uitgevonden. Maar helaas eentje die niet goed rolt, zo blijkt.

Meer jongeren met problemen

Naast alle administratieve rompslomp, onzekerheden en onduidelijkheden die de nieuwe jeugdwet met zich meebrengt, is er bovendien nog een andere ontwikkeling gaande. Die tweede ontwikkeling loopt eigenlijk parallel aan de eerste, maar dan wereldwijd. Er is namelijk een toename in psychische problemen bij kinderen en jongeren. Zelfs zo erg, dat de Wereldgezondheidsorganisatie spreekt van een epidemie. Deze trend zet zich voort, wat betekent dat er steeds meer kinderen en jongeren psychische zorg nodig hebben, ook in Nederland. Daarom is het des te frustrerender voor ons als hulpverleners, dat er op deze hulp wordt bezuinigd. En niet zo’n beetje ook.

Gevolgen van de nieuwe jeugdwet

Zo wordt ons budget van 2017 maar liefst 11,5% minder dan die van 2016. En dat, terwijl er steeds meer mensen hulp nodig hebben. Bovendien gaat heel veel tijd op aan het eindelijk aanleveren van cijfers, je werkzaamheden verantwoorden en controleren of deze processen goed lopen (helaas gaat nog het te vaak mis), waardoor er minder tijd over blijft om cliënten te zien. Het voelt daarom ontzettend dubbel, dat je als praktijk groeit en populair bent, dat er steeds meer aanmeldingen blijven komen, maar dat je aan de andere kant weet: we kunnen niet iedereen helpen, want straks is het geld op, en dan?

Geen geld door bezuinigingen

Het gaat rechtstreeks tegen onze visie als hulpverleners in: je hebt dit vak geleerd om anderen te helpen. Ik ben van mening dat iedereen recht heeft op psychische hulp, dat hierin geen drempel mag zijn. Want uiteindelijk heeft de hele maatschappij baat bij psychisch gezonde mensen. Maar die drempel wordt wel opgegooid nu. We worden min of meer gedwongen een wachtlijst te maken, omdat er teveel werk is voor te weinig mensen. Er is werk zat, maar geen geld om het te vergoeden. Dat wringt.

Epidemie van psychische problemen

En als je dan de cijfers van de World Health Organisation (WHO) leest, dan kan ik me daar nog bozer om maken. Waarom wordt door de maatschappij deze negatieve trend bevorderd? Ik snap dat er bezuinigd moet worden, maar waarom wordt er geen rekening gehouden met effecten op de lange termijn? Ongeveer 30% van de jongeren (15-30 jaar) wereldwijd heeft namelijk psychische problemen. Hiervan komen verslavingen het meeste voor (15 tot 20%), maar ook depressies (10 tot 15%) en allerlei angststoornissen (5 tot 15%). Ook heeft 2-5% een eetstoornis en 2-3% een borderline persoonlijkheidsstoornis.

Niet kunnen voldoen aan verwachtingen

Van de jongeren tussen de 14 en 25 jaar geeft zo’n 60% aan dat ze zich slecht voelen, omdat ze denken niet aan andermans verwachtingen te kunnen voldoen. En 1 op de 3 van de jongeren heeft het gevoel dat ze hun problemen niet aan kunnen. Daar schrik ik van! Dit geeft de noodzaak aan voor tijdige hulp, voordat de problemen steeds ernstiger en hardnekkiger worden. En duurder dus, bovendien.

Langer wachten met aanmelden

En dat ze steeds ernstiger worden, merk ik ook in de aanmeldingen. Sinds de crisis wachten mensen sowieso al langer met aanmelden van hun kinderen, uit angst dat het hen geld kost. Maar ook sinds de nieuwe jeugdwet was er wat huivering, omdat het vaak nog onduidelijk was. Als ouders hun kroost dan uiteindelijk hadden aangemeld, waren de problemen in veel gevallen al vergevorderd. Daardoor is naar mijn idee het werk ook zwaarder geworden. Dat wordt nu extra puzzelen, omdat je gebonden bent aan een beperkte tijd dat je mag behandelen.

Meer zelfmoord onder jongeren

Als je bijvoorbeeld kijkt naar zelfmoord, dan zie je ook in de suïcidecijfers een toenemende trend. In België is het zelfs de belangrijkste doodsoorzaak onder jongeren tussen de 15 en 24 jaar. Jongeren doen meer dan anderen pogingen om zich van het leven te beroven: 10% van de 18-jarigen zegt dit al vaker te hebben overwogen. Bij meisjes is dit zelfs 20%.

Rollen om te vervullen

Het heeft ook te maken met de maatschappij van nu, de omgevingsfactoren waar jongeren mee te dealen hebben, zogezegd. Ik merk het zelf ook: er worden veel verwachtingen aan je gesteld en het is soms koorddansen en tegelijk jongleren om alle ballen hoog te houden.  Je moet tegenwoordig, meer dan ooit, zoveel rollen vervullen: binnen de familie, vriendenkring, je werk, studie, spiritueel, cultureel… Voor een jongere die nog zo kwetsbaar is, en midden in zijn ontwikkeling zit, is dit moeilijker dan voor wie dan ook.

Hogere verwachtingen

Die rollen die we als mens moeten vervullen, komen door de verwachtingen van anderen. En die verwachtingen zijn steeds hoger geworden, bijvoorbeeld voor het succesvol zijn op school en in je opleiding. De verwachtingen doen bovendien nog iets schrijnenders: we streven met z’n allen steeds meer naar individualiteit, naar eigen succes, naar status, een hoger salaris en meer spullen. Hiermee wordt direct narcisme in de hand gewerkt, en aan de andere kant de intrinsieke motivatie afgekalfd. Hoe mooi zou het zijn, als je als jongere gewoon een opleiding kiest omdat je echt passie hebt voor het werk? Hoe fijn zou het zijn als de omgeving daarin kon aanmoedigen, zonder hierin te oordelen? Helaas blijkt dat dus steeds minder voor te komen.

Hersenontwikkeling in puberteit

In de puberteit, vanaf een jaar of 11, tot een jaar of 25-30, zijn de hersenen in volle vaart aan het ontwikkelen. Niet voor niks is dit voor jongeren en hun omgeving een pittige tijd. De snelle hersenontwikkeling wordt bovendien sterk beïnvloedt door de ervaringen die jongeren opdoen in hun omgeving, zoals met vrienden of hun ouders. En de verschillende hersenfuncties ontwikkelen zich grillig en niet tegelijkertijd. Dat tieners lekker uit de pan schieten is dan ook niet meer dan normaal.

Executieve functies

Zo is het emotionele gebied in de hersenen, het limbisch systeem, eerder ‘klaar’ dan de pre-frontale cortex (weet je nog? Die van de executieve functies). Voor je nu aan je hoofd krabbend en met lege blik afhaakt: de vaardigheden zoals op de lange termijn kijken, bedachtzaamheid, plannen, organiseren, timemanagement, reflecteren op jezelf en jezelf onder controle houden zijn voorbeelden van die executieve functies. Maar die beginnen zich dus pas rond je 15e te ontwikkelen, wat betekent dat jongeren emotioneel gezien als het ware ‘op scherp’ staan: er hoeft maar iets te gebeuren, of er is een kwetsbaarheid ontstaan…

Gezonde emotieregulatie

Niet gek dus, dat ik het gros van de tijd in behandelingen bezig ben met het bevorderen van een gezonde emotieregulatie bij deze leeftijd. Jongeren hebben nog de afhankelijkheid van hun omgeving, omdat zij zelf de vermogens missen om met hun ingewikkelde emoties om te gaan. En omdat het wel een essentiële vaardigheid is om tot een stabiel en evenwichtig persoon op te groeien, besteedt ik hier veel tijd aan.

Stress leidt tot schade

Jongeren willen voldoen aan al die eerder genoemde verwachtingen, net als volwassenen trouwens. Maar kinderen zijn nog een stuk loyaler hierin, en kunnen door te hoge verwachtingen veel stress ervaren. En laat stress nou precies hetgeen zijn wat je niet kunt gebruiken in deze tijd, als de hersenen zich zo drastisch ontwikkelen. Want teveel stress leidt simpelweg tot hersenschade. Ook de kans op gevoelens van faalangst en perfectionisme nemen dan toe, wat ervoor kan zorgen dat jongeren in een isolement raken of falen in hun werk. Niet voor niets zijn de werkloosheidscijfers onder jongeren zo hoog.

Risicofactoren in de leefstijl

Ik ben nog niet klaar hoor, helaas. Want het zijn niet alleen kwetsbaarheden door de hersenontwikkeling en de verwachtingen vanuit de omgeving, het is ook de totale leefstijl die zo erg is veranderd de afgelopen jaren, dat de gevolgen daarvan nu pas steeds duidelijker worden. Even een paar voor de hand liggende, maar daarom niet minder belangrijk:

  • Er wordt steeds slechter gegeten, dus ook door jongeren. Het is sowieso bekend dat zij in de puberteit een natuurlijke behoefte hebben aan meer vet (voor de ontwikkeling van de hersenen). Helaas speelt de voedselindustrie niet in op wat gezond is voor mensen, maar op wat er geld oplevert. In plaats van de broodnodige omega 3 en omega 6 vetzuren, eten de meeste jongeren dus de schadelijke vetten in o.a. fastfood en de meeste etenswaren uit pakjes of zakjes.
  • Hetzelfde geldt voor suikers: in steeds meer voedselproducten zit suiker. Deze geven insulinepieken en dips in de bloedsuikerspiegel, waardoor jongeren opnieuw gaan eten. Uiteindelijk leidt dit tot o.a. obesitas, maar de suikerpieken geven ook ontstekingen in de hersenen, waardoor klachten ontstaan zoals slechte concentratie, geheugenproblemen, prikkelbaarheid, meer angst en impulsiviteit.
  • Niemand kijkt nog gek op als een ouder vertelt dat zijn 16-jarige zoon tot diep in de nacht aan het gamen is. Het is intussen bijna normaal geworden dat jongeren laat naar bed gaan. In zekere zin is dat ook zo: ze hebben pas later afgifte van het inslaaphormoon melatonine, en daardoor biologisch gezien een heel ander slaapritme. Helaas dwingt het schoolsysteem ze om op tijd op te staan, wat dus leidt tot een slaaptekort in zo’n 50-70% van de jongeren. Ook slaaptekort leidt tot klachten zoals meer angst, prikkelbaarheid, concentratieproblemen, slechtere cijfers en meer impulsief gedrag. Op de lange termijn raak je door het slaapgebrek gedemotiveerd en heb je een veel hogere kans op depressie.
  • Nog een inkoppertje: jongeren sporten steeds minder. Zo’n 40% (dus bijna de helft!) van de mensen sport niet of nauwelijks. Ernstig, want niet sporten vergroot de kans op depressie met maar liefst 25%!
  • Een probleem van deze tijd: cyberpesten, problemen via social media, waar veel jongeren worden geïntimideerd. Dit blijken belangrijke triggers voor ontwikkeling van psychische problemen.

Veerkracht als bescherming

Zo lezend lijkt het toch bijna een wonder dat er nog jongeren zijn die ‘goed gelukt’ zijn. Door mijn werk heb ik wellicht ook een wat vertekend beeld van de realiteit (dat hoop ik althans). Hoewel ik ook regelmatig jongeren tegenkom, die zo krachtig zijn en waarbij het een wonder is dat zij zich staande kunnen houden, ondanks alles wat zij meemaken. Dat is de veerkracht, die sommigen van ons hebben. En natuurlijk betekenen alle ontwikkelingen binnen de zorg en de bovengenoemde zaken niet dat een jongere automatisch psychische problemen krijgt. Het zijn risicofactoren. Hoe meer hiervan aanwezig zijn, hoe meer kans op problemen.

Triggers en risico’s

Zoals bij volwassenen ook vaak het geval is, is er vaak een trigger, waardoor er ineens problemen ontstaan. Denk aan een ingrijpende gebeurtenis, scheidende ouders, verraden worden door vrienden, een overlijden van een dierbaar iemand… Tot die tijd leek alles goed te gaan, maar na zo’n gebeurtenis komen ineens klachten naar voren. Maar nog steeds komen de meeste jongeren zonder al te veel kleerscheuren door deze periode. Maar, en dat is dus mijn zorg, dat worden er naar verhouding dus wel steeds minder.

Bezorgdheid

En hoe is het dan in vredesnaam mogelijk dat hier op wordt bezuinigd? Een gezond opgroeiende jongere is een investering in de toekomst, die, als het goed functioneert, de maatschappij juist veel oplevert. Het is vanuit die optiek voor mij onbegrijpelijk dat ik nu tegen mensen zou moeten zeggen: nog even geduld, ik heb geen plek, geen tijd voor u, geen geld om je probleem te behandelen. Om mensen naar huis te sturen, op het moment dat zij die belangrijke stap hebben genomen om te bellen. Vaak na zo lang overwegen, even aankijken, doormodderen, nog eens proberen. Tot het genoeg was, tot het niet langer ging, tot de nood te hoog werd. Ik ben bang dat wij mensen uit beeld verliezen, dat ze tussen de mazen van het net glippen, omdat er niet direct op de hulpvraag van mensen kan worden ingespeeld. En als ik dan de bezorgde berichten lees van de WHO wordt deze bezorgdheid alleen maar bevestigd.

Visie vasthouden

Hoe klein we ook zijn, als kleine vrijgevestigde, we houden onze visie hoog en blijven handelen naar ons geweten, proberen waar we kunnen de invloed uit te oefenen. Het is een spanningsveld, eentje waarin ik soms overwerkt raak en mezelf streng moet toespreken me niet gek te laten maken. Mijn supervisor van de opleiding symbooldrama zei al jaren tegen ons: laat je niet gek maken, blijf gewoon je werk doen. En mijn werk, dat is mensen helpen bij hun psychische problemen. Dus dat doe ik.

Naar de tandarts met je peuter

Naar de tandarts met je peuter

Met kinderen naar de tandarts

Gelukkig ben ik ‘one of the lucky few’ die niet bang is voor de tandarts. Bij mij duurt een gemiddelde controle pakweg 12 seconden. Helaas is de “behandeling” van 40 minuten (als het die vriendelijke benaming mag dragen) bij de mondhygiëniste die eraan vooraf gaat, echter minder ontspannen. Lees: met een slijptol langs overgevoelige blootliggende tanden is garantie voor uitgelopen make-up en chemische brilreiniging achteraf. Afijn, daar gaat dit artikel vandaag niet over. Maar over kinderen mee naar de tandarts nemen.

Peuter in de tandartsstoel

Hebben jullie wel eens geprobeerd om een peuter in de tandartsstoel te krijgen? Bepaald geen gemakkelijke opgave kan ik je zeggen. Omdat het logistiek gezien niet anders kon, nam en neem ik mijn kinderen altijd mee als ik zelf op controle moet bij de tandarts. Dus komen ze al sinds ze in de maxi-cosi liggen mee naar binnen. Soms brullend (ligt niet bepaald relaxt op die stoel), soms slapend. Maar nog vaker met grote ogen kijkend naar alle witte jassen en zilveren instrumenten. Op veilige afstand uiteraard.

Voorbereiden

De tandarts prees het dat ik mijn kinderen altijd mee nam. Volgens hem is het heel verstandig om ze zo vroeg mogelijk kennis te laten maken met de controles, zodat het ook een gewoonte wordt. En omdat ik zelf ook niet bang ben (hoewel ik er liever andere hobby’s op nahoud), voorzag ik geen problemen met Fosse. Toen hij de leeftijd van bijna 3 jaar bereikte, brak de tijd aan dat hij ook ‘tanden mocht tellen’ bij de tandarts. De afgelopen 2 keer dat Fosse verplicht meeging met mij, stond hij niet bepaald te springen, dus ik was zeer benieuwd.

“met een slijptol langs overgevoelige blootliggende tanden is garantie voor uitgelopen make-up en chemische brilreiniging achteraf”

De dagen ervoor bereidde ik hem langzaam voor. Als we tanden poetsten herinnerde ik hem eraan dat we binnenkort ook naar de tandarts gingen, dat we goed moesten poetsen, zodat hij kon laten zien hoe mooi zijn tanden waren. Dat hij dan bij mij op schoot mocht. En uiteraard had Fosse op die momenten de stoerste verhalen, dus dacht ik: ‘kat in het bakkie!’. Tot het eenmaal zover was.

Bang voor de tandarts

Fosse begon al te protesteren toen we ons ’s ochtends klaar maakten voor vertrek. Ik kalmeerde hem en pepte hem op voor vertrek. Eenmaal in de wachtkamer, begon Fosse steeds vaker te roepen: ‘ik wil niet!’. En toen we aan de beurt waren, stond hij inmiddels huilend achter mijn benen verstopt. Hoewel ik nog met zachte dwang probeerde hem over te halen in de stoel te gaan zitten, had Fosse al besloten: Ik. Ga. Niet.

Balend dat het me niet lukte hem te overtuigen, stelde de tandarts me gerust: als ze drie jaar zijn, willen ze niet, maar zodra ze vier jaar worden gaan ze op de stoel zitten. Ik geloofde er niks van. De angst die ik nu zag in Fosses ogen, de paniek die ontstond bij elke centimeter dichter bij de tandartsstoel, die kon niet zomaar overgaan! Toch?

Melktanden tellen

Maar van de week was het weer zover. Halfjaarlijkse controle. Met het hele gezin die kant op. En bofkont die ik ben, mag ik altijd als eerste naar de martelkamer annex mondhygiëniste, zodat het gezin ondertussen op controle kan. En geloof het of niet: toen ik klaar was, was het hele gezin al geweest. Inclusief een inmiddels vierjarige die als eerste (!) op de stoel wilde en vol trots twee rijen vol melktandjes liet zien. De stuiterbal die hij daarna kreeg, was meer dan verdiend. De wonderen zijn de wereld nog niet uit!

 

De eerste stapjes: zelfvertrouwen en machtsgevoel

De eerste stapjes: zelfvertrouwen en machtsgevoel

De eerste stapjes als je niet kijkt

Er is weer een mijlpaal geslagen: mijn jongste dochter loopt! En daarmee is ze nu toch echt baby af. Wat een cliché, maar het is blijft leuk en bijzonder. Al langere tijd liep ze langs de tafels, kastjes en klom ze overal op wat haar maar lukte: de trap, de kast, de bedden van broer en zus, en zelfs via het keukentrapje in haar kinderstoel. Maar lopen deed ze niet. Nog niet.

Wist je dat de eerste stapjes vaak worden gezet buiten het zicht van volwassenen? Het zien van de eerste stapjes zijn daarmee dus vaak niet de eerste stapjes. Dit is met experimenten vastgelegd op videobeelden, leerde ik eens in een cursus. Hoe kan dat? Het heeft te maken met zelfvertrouwen. Voor kleine kinderen geldt: ze doen pas dingen waarvan ze zeker weten dat ze het kunnen.

Los staan

In de fase waarin mijn dochter toe werkte naar het loslopen merkte ik dit ook heel goed. Soms stond ze met haar handen tegen de speelgoed kist aan. Eén handje stevig geklemd aan de kist, de ander werd doelmatig gebruikt om in sneltreinvaart zoveel mogelijk speelgoedstukken de kamer in te slingeren. Maar heel soms kwam ze iets interessant tegen, waarvoor ze beiden handen nodig had om het eens te onderzoeken. Op die momenten liet ze de speelgoedkist los, zonder dat ze er erg in had. Ze stond op die momenten dus los, druk wiebelend om zichzelf in balans te houden. Maar zodra ik een kreetje sloeg in de trant van “oh kijk nou, je staat los!”, greep ze angstvallig de kist beet of liet zich direct op haar billen vallen. Blijkbaar was dat toch wel erg eng.

De eerste stapjes bij een ander

Ik weet niet precies waarom een kind er voor kiest de eerste stapjes “buiten beeld” te zetten. Misschien heeft het te maken met het trotse gevoel, dat ze het pas willen tonen als ze er zeker van zijn dat het gaat lukken? Zodat ze weten dat hun ouders het goed zien en trots reageren? Ik weet het niet. Niet zelden hoor ik ook dat kinderen de eerste stapjes zetten bij hun oma, oppas of de kinderopvang. Ik vermoed dat dit geen toeval is, maar helemaal verklaren kan ik het niet.

Zelfvertrouwen

Dat er een stuk zelfvertrouwen meespeelt herken je in de momenten dat je probeert je kindje te laten lopen: proberen voorzichtig je vinger uit de greep van haar handje los te krijgen om haar los door te laten lopen, resulteerde bij mijn jongste steevast in het op de grond ploffen en een verontwaardigde schreeuw: ‘dat was niet de bedoeling!’. Of ze bleef gewoon staan: echt niet dat zij ging laten zien dat ze kon lopen! Niets op commando.

Maar inmiddels is bij Signe is het kwartje gevallen: ze loopt! En natuurlijk viel dat kwartje tijdens een voorstelling op school van mijn oudste, waar we allemaal geacht werden te blijven zitten. Hoe kiezen kinderen dat altijd uit hè? Dus verhuisde mijn vriend naar de achterste rij, waar Signe haar eerste meters maakte, één hand in de lucht en schaterend van plezier en trots. Het was een voorstelling op zich, prachtig!

Motoriek

Het zal voor jullie ook herkenbaar zijn dat het lopen dan niet direct wordt doorgevoerd: het blijft immers toch wat spannend (hóóg daarboven!), het geeft een heel nieuw perspectief en het zelfvertrouwen hierin moet samen met de motorische vaardigheid verder worden uitgebouwd. Dus kiest Signe nog 80% van de tijd voor kruipen. Hierin is ze zeker, snel en vaardig.

“hoe vroeger een kind kan lopen, hoe meer ervaringen het kan opdoen. Blijf het leren lopen daarom stimuleren.”

Toch is het zo, dat hoe vroeger een kind kan lopen, hoe meer ervaringen het kan opdoen. De wereld wordt groter, bereikbaarder, met nieuwe dingen om te ontdekken, te doen en te leren. Blijf daarom alert op het stimuleren van het leren lopen wanneer dit wat langer op zich laat wachten bij je kleintje. Want het feit blijft dat een kindje zijn motoriek nodig heeft voor andere vaardigheden.

Machtsgevoel

Tussen de 9 en 12 maanden krijgt je kind steeds meer spiercontrole. In de theorie van Mahler is dit de fase van praktiseren. Het leren staan en lopen geeft een ‘almachtsgevoel’, want doordat je baby of dreumes steeds beter zijn bewegingen kan controleren, merkt het dat het invloed heeft op de omgeving. Op het moment dat je kindje los kan staan, is dit als het ware het hoogtepunt in het gevoel van machtsgevoel: ‘kijk mij eens’. Zo hoog en groot is het nog niet eerder geweest. Het feit dat je kindje merkt dat je achter hem aan komt als het begint te lopen, geeft bovendien een hele belangrijke boodschap aan hem: ‘ik ben belangrijk genoeg om opgevangen of opgehaald te worden’. Ze voelen zich dus de moeite waard!

Oorzaken van ADHD-gedrag

Oorzaken van ADHD-gedrag

Het lijkt wel een plaag. Tegenwoordig kent iedereen de term ADHD en zitten er wel minstens 3 kinderen met ADD of ADHD in de klas. Er wordt op de middelbare school gehandeld in Ritalin en het hebben van concentratieproblemen lijkt soms eerder de norm dan de uitzondering.

Oké oké ik chargeer een beetje, maar toch heb ik het gevoel dat er tegenwoordig wel heel gemakkelijk over wordt gepraat: “mijn buurmeisje heeft ook ADHD en die moeder zei dat onze zoon toch zó op haar dochtertje lijkt”, “ik deed een test op internet en daar kwam uit dat ik ADD had”, ‘ik praatte er met een klasgenootje over, die heeft ook ADHD en ik heb precies hetzelfde als hij kwam ik toen achter”.

Belangrijkste kenmerken

Ja. Het is een feit dat dit “ADHD-achtige gedrag” inderdaad vaak voorkomt. En dat is ook niet gek. De meest voorkomende kenmerken zijn namelijk de volgende:

  • aandachtsproblemen
  • impulsiviteit
  • hyperactiviteit

Met name die eerste zorgt voor herkenbaarheid alom. Denk in de trant van je niet kunnen concentreren, dingen vergeten, spullen kwijtraken, snel afgeleid worden, etc. Maar ook de motorische onrust is bij veel mensen aanwezig: friemelen, wiebelen, niet goed stil kunnen zitten, etc.

Geen ADHD, maar…

Is er echt een toename van ADHD? Ik betwijfel het. Het ADHD-achtige typ ik met opzet: het gedrag doet denken aan ADHD, maar is het dat ook? In de praktijk hebben bijna alle kinderen die bij ons komen wel één of meer van bovenstaande ‘klachten’. En als duidelijker wordt wat er speelt, is dit ook vaak goed verklaarbaar. Het zoeken naar de oorzaak van de klachten is daarom een absolute must. Waar kun je zoal aan denken?

  • Trauma: door onverwerkte trauma’s na bijvoorbeeld ingrijpende gebeurtenissen of een moeilijke jeugd, zijn mensen som hyperalert en daardoor snel afgeleid.
  • Angst: als je angstig bent en je omgeving goed in de gaten houdt, kun je je niet goed concentreren op andere dingen. Deze kinderen moeten zich immers schrap zetten tegen ‘gevaar’.
  • Depressie: wanneer je echt somber bent en in de put zit, verlies je je interesse en kan je het niet opbrengen je ergens voor te concentreren. Je hebt je kop er niet bij en bent verstrooid, vergeet dingen, bent dromerig, etc.
  • Hechtingsproblemen: kinderen die een problematische hechtingsstijl hebben, kunnen zich nooit helemaal veilig en vertrouwd voelen en hebben constant een hoger stressniveau. En in stress is het logisch dat je onrustiger bent en je niet goed kunt concentreren.
  • Stress of burn-out: zoals hierboven al genoemd, kun je tijdens stress dezelfde klachten krijgen.
  • Onvoldoende uitdaging: sommige kinderen worden druk en raffelen hun werk af, zijn er niet bij omdat ze verveeld zijn of dingen te makkelijk vinden, wat overkomt als concentratieproblemen.
  • Overvraging: andersom kunnen sommige kinderen afhaken als er teveel van hen wordt verwacht dat ze niet kunnen waarmaken. Ze gaan dan andere dingen doen tijdens de les, gaan clownesk gedrag vertonen, etc.
  • Echtscheiding: ja, helaas kan echtscheiding ook leiden tot ‘adhd-achtig gedrag’, omdat een kind stress ondervindt van bijvoorbeeld spanningen tussen de ouders, op de breng-/haalmomenten of omdat het nog stoeit met loyaliteitsconflicten of de ingrijpende veranderingen als gevolg van de scheiding.
  • Slaapproblemen: een veelvoorkomend probleem en vaak vergeten. Slaap is een basale levensbehoefte. Gebrek aan (goede) slaap heeft effect op het totale functioneren. Kinderen met slaaptekort worden vaak druk en ‘hyper’.
  • Andere oorzaken binnen het gezin: de oorzaken zijn legio. Denk aan mishandeling, huislijk geweld, financiële zorgen, te kleine huisvesting, werkloosheid, problematiek van de ouders, misbruik, de geboorte van een broertje of zusje, verhuizing, etc.
  • Andere oorzaken binnen het kind zelf: ook hier zijn de invloeden eindeloos. Denk aan temperament, karaktereigenschappen, veerkracht, gevoeligheid, slaapbehoefte, etc.

En de lijst is nog lang niet compleet. Waarschijnlijk vergeet ik nog 100 belangrijke oorzaken, schroom niet me aan te vullen. Wat ik hoop is dat er wat nuance ontstaat: houdt de blik breed, wat kan er nog meer meespelen?