Archief van
Categorie: pubers

11 nadelen van straffen

11 nadelen van straffen

Straffen, weet wat je doet!

Ik straf liever niet. Maar omdat er veel misverstanden bestaan rondom straffen en belonen leg ik de dingen het liefst goed uit, zodat we beter begrijpen van elkaar waar we het over hebben. Eerder gaf ik een overzicht van soorten straf. Niet alle maatregelen uit dit lijstje beschouw ik als straf. Toch blijf ik erbij dat je beter op een andere manier kunt proberen om het gedrag van je kind te sturen.

 

Zoek alternatieven!

Straf is in eerste instantie niet aan te raden als opvoedmiddel. Er zijn veel andere middelen die beter werken en minder nadelen hebben dan straf. In het volgende deel geef ik daarom alternatieven voor straf waar je alvast je voordeel mee kunt doen. Vandaag zoom ik in op de nadelen die er aan straffen kleven. Ik noem er 11.

 

11 Nadelen van straf

  1. “Als je zo door gaat dan mag je niet mee naar oma en blijf je maar alleen thuis!”. Dreigen met zware gevolgen heeft weinig effect omdat ze toch niet worden uitgevoerd. Je gaat immers toch wel naar oma en je kind gaat gewoon mee, want je kan hem nu eenmaal niet alleen laten. Een ander nadeel kan zijn dat het onnodig angst oproept bij je kind: ‘alleen thuis blijven? Help! Dat durf ik niet!’. Ook leert je kind na verloop van tijd dat dreigementen toch niet worden uitgevoerd: ‘dat zei mama vorige keer ook, en toen mocht ik ook gewoon mee, dus het zal wel weer zo zijn’.
  2. “Als je dat nog één keer doet dan vind ik jou niet meer lief hoor!”, “jij krijgt dus geen knuffel, want jij deed net zo lelijk!”. Liefdesonthouding is niet verstandig omdat je kind zich daardoor als persoon voelt afgewezen. Het is in feite emotionele chantage en legt je kind een ‘voor wat, hoort wat’ principe op. Terwijl we toch onvoorwaardelijke liefde willen geven? Dan moeten we deze maatregel zo snel mogelijk in de prullenbak kieperen!
  3. Als ouders hun kind uitlachen of belachelijk maken, kan het kind onzeker worden: hun eigenwaarde wordt dan aangetast. Een inkoppertje, zul je misschien denken. Maar denk even goed na: soms lachen we omdat iets er komisch uitziet en bedoelen we het niet verkeerd. Maar kinderen begrijpen het verschil tussen uitlachen en toelachen nog onvoldoende. Als je kind de boel op stelten zet en je schiet in de lach, zeg dan dat je het er grappig uit vindt zien en dat je hem niet uitlacht.
  4. Straffen bij milde problemen leidt tot meer gedragsproblemen. Leg niet op alle slakken zout. Choose your battles. Lieve papa’s en mama’s: dit is een vrijbrief om af en toe gewoon te doen alsof je het niet ziet. Want wees eerlijk: ondeugend doen hoort bij een kind. Op die manier ontdekt het de wereld, het zoekt grenzen op, leert van ervaringen. Probeer de politiepet en scheidsrechtersfluit aan de kant te leggen.
  5. Met straf leer je je kind wat het niet mag doen, maar niet wat het wél mag doen. Als we ergens aandacht aan besteden, wordt het beter onthouden. Elk moment dat je straft, zet je dat gedrag in de spotlights. Het werkt zo: “denk niet aan die roze olifant!” en natuurlijk denk je aan die roze olifant. Straf vergroot dus vaak de kans op herhaling van het gedrag waar je voor straft.
  6. Jonge kinderen leggen geen automatisch verband tussen hun gedrag en de straf die ze krijgen. Hooguit wordt er angst opgeroepen omdat ze schrikken van je reactie. Ze zullen stoppen met wat ze aan het doen waren, maar alleen omdat ze bang zijn dat jij weer zo boos reageert. Of kinderen vinden het maar wat interessant als je iedere keer zo’n show weggeeft en herhalen het gedrag. Linksom of rechtsom: je kind leert niet dat jouw reactie komt door zijn gedrag en waaróm het dan niet zou mogen.
  7. Lichamelijke straffen leiden bij alle kinderen tot meer gedragsproblemen en bovendien tot psychische schade. Ook hebben deze kinderen meer problemen in de puberteit en volwassenheid, zoals bijvoorbeeld depressie of alcoholmisbruik. Zo, de risico’s in een notendop. Er is geen enkel geldend argument om deze maatregel te gebruiken. Het is niet voor niets bij de wet verboden.
  8. Straf kan maken dat het kind zich als persoon voelt afgewezen. Het voedt impliciete ideeën als ‘ik ben niet goed’, ‘ik faal’, ‘ik ben niet de moeite waard’, ‘ik doe het nooit goed’, ‘wat ik ook doe, het is toch verkeerd’, etc. Het geeft negatieve kerncognities of een negatief zelfbeeld, wat op termijn kan leiden tot depressie, angsten of andere psychische klachten.
  9. Straf kan leiden tot boosheid bij het kind en bovendien garandeert straf niet dat het kind vervolgens gewenst gedrag laat zien. Monkey see, is monkey do. Sta je te schreeuwen tegen je kind als je hem straft? Je kind leert dat je moet schreeuwen om iets duidelijk te maken. Om de boodschap over te brengen. Pak jij je kind eens stevig beet? Je kan het hem niet kwalijk nemen dat hij hetzelfde bij zijn vriendje doet. Hij heeft het immers geleerd van zijn voorbeelden.
  10. Met straf stimuleer je geen gedrag, daarvoor moet je andere middelen gebruiken. Het maakt hooguit een einde aan het gedrag (voor even), maar het geeft geen alternatief wat je kind kan doen.
  11. Veel straf kan leiden tot een kille opvoeding en machtsmisbruik. Misschien wel de meest voorkomende: straffen geeft een rotsfeer. Moeder boos, vader sacherijnig, dochter stampvoetend de trap op en zoonlief in ijzige spanning zijn bord verder leegetend. Wie herinnert zich niet deze spanningsvolle of negatieve interacties uit de kindertijd? Als we niet oppassen verzanden we snel in een negatieve spiraal. Tijd voor een andere aanpak dus!

 

Voer het goed uit

Toch blijft het voor veel gezinnen, zo niet de meeste, een vanzelfsprekend onderdeel van het gezinsfunctioneren. Het vraagt soms een hele omschakeling als je van veel straffen naar niet straffen gaat. Het is vooral van belang dat de dingen die je doet, goed worden uitgevoerd. Daarom alvast wat tips  waar je aan moet denken als je ‘straf’ geeft.

  • de allerbelangrijkste: verdiep je in alternatieven voor straf en straf zo min mogelijk!
  • geef altijd eerst een waarschuwing zodat je kind tijd heeft om zijn gedrag te veranderen;
  • negeer alleen gedrag wat daarvoor geschikt is: als je kind dingen stukmaakt of iemand pijn doet, is negeren geen goed idee;
  • negeren is niet hetzelfde als je kind doodzwijgen. Je kunt best zeggen: ‘ik ga dit gedrag nu even negeren’ voordat je begint en maak ook een duidelijk einde aan deze periode: ‘zo hèhè ik ben blij dat je ermee bent gestopt, nu kan ik weer rustig met je praten’;
  • bij onthouding van iets leuks moet de straf wel uit te voeren zijn. Als je je kind tóch wel meeneemt, zeg dan niet dat hij niet mee mag. Als je hebt gezegd dat je kind geen tv mag kijken, maar de andere kinderen kijken wél tv (en dus je kind ook), dan heeft het weinig effect;
  • houdt altijd de veiligheid van je kind in het oog.

 

Bronnen

  1. Aussems, A.; Zwaan, E.J. (2000). Straffen in de opvoeding. Amersfoort: Acco.
  2. Bakker, W.; Husmann, M. (2008). Positief omgaan met kinderen. Assen: Van Gorcum.
  3. Diekstra, R.; Hintum, van, M. (2010). Opvoedingscanon. Omdat over kinderen zoveel meer te weten valt. Uitgeverij Bert Bakker.
  4. Driesen, L. (2007). Hoe minder straffen? Een boek over eisen, straffen en belonen voor ouders, leraren en andere opvoeders. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
  5. Janssen, H. (2000). Als kinderen niet luisteren. Meppel: Uitgeverij Boom.
  6. Janssen, H. (2006). Kinderen vragen om duidelijkheid. Meppel: Uitgeverij Boom.
  7. Webster-Stratton, C. (2007). Pittige jaren: praktische gids bij het opvoeden van jonge kinderen. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

 

Een andere kijk op dromen en dagdromen

Een andere kijk op dromen en dagdromen

Wat levert (dag)dromen op?

Dromen, fantasie, de kracht van mythen en sprookjes, het onbewuste… In mijn werk als therapeut ben ik deze concepten steeds beter gaan leren kennen, begrijpen en gebruiken. Ik zie mezelf nog staan (ja, staan) op de eerste cursusdag van de opleiding Symbooldrama, nuchter als ik ben. Ik dacht niet dat ik me wijs kon laten maken met onzin en gewauwel over het onderbewuste en dergelijke.

Symbooldrama werkt

Maar tegelijkertijd was ik gefascineerd over wat ik tot dusver had gezien in de praktijk. Mijn collega heeft al jarenlange ervaring in het werken met o.a. symbooldrama en ik zág dat het werkte. Maar ik begreep er niks van. Hoe kan het, dat problemen overgaan door zoiets ‘simpels’ als dagdromen en tekenen? Daar ben ik door de jaren heen wel achter gekomen. En het is allesbehalve simpel. Het is superingewikkeld, en tot op de dag van vandaag stoei ik met de uitleg aan kinderen en hun ouders over de werking van de behandelmethode. Maar ik heb gezien dat het werkt, en nu ik er al jaren zelf mee werk, ben ik overtuigd van de kracht van de behandelmethode. Het laten ervaren is eigenlijk de enige goeie uitleg aan ouders: ze merken namelijk vanzelf dat de klachten afnemen.

Willen begrijpen

Door die opleidingsroute tot symbooldramatherapeut ben ik steeds meer gefascineerd geraakt door deze theorieën, die ook hun grondslag hebben in andere behandelmethodes. Ik wil de abstracte fenomenen zoveel mogelijk begrijpen, zoals dromen of narratieven (de verhalen die iemand heeft over zijn leven), zodat ik zo goed mogelijk kan aansluiten bij die ander. Zonder nu al te diep in te gaan op wat symbooldrama nu precies is (dat bewaar ik voor een andere keer), wil ik wel iets uitleggen over dromen en dagdromen in het algemeen.

Nachtdromen

Want er is een verschil tussen dagdromen en nachtdromen. Nachtdromen zijn een soort sensomotorische hallucinaties met een verhaal. Dat betekent dat je verschillende zintuigen gebruikt, behalve geur, en dat je op het moment van dromen de droom als echt ervaart: je kunt je bewegen, dingen aanraken, praten, etc.  Er zijn wel belangrijke verschillen, want tijdens een droom kunnen de meest bizarre dingen gebeuren, die op dat moment totaal niet als vreemd worden ervaren. Het is doodnormaal dat je ineens kan vliegen of je buurman ineens in je broer is veranderd. De meeste mensen hebben daarnaast ook geen controle over de dromen.

Onbewuste thema’s

Veel mensen zeggen niet te dromen, maar dat klopt niet: iedereen droomt. Maar omdat dromen alleen vlak nadat je wakker wordt nog herinnerd kunnen worden, vergeten de meeste mensen hun dromen. Je kunt ze blijven onthouden door het meteen te vertellen of op te schrijven. Opvallend is dat er in dromen vaak dingen naar boven komen die je in het bewuste leven allang was vergeten of bijvoorbeeld had weggestopt. In dromen kunnen vaak heftige gevoelens zitten van angst, verlies, verdriet of vreugde. Daarom wordt er door psychologen ook vanuit gegaan dat dromen iets vertellen over onbewuste angsten, wensen, behoeften en dergelijke. Het is niet voor niets dat mensen meer nachtmerries hebben na een trauma, bijvoorbeeld.

De kracht van dagdromen

Onze hersenen kennen geen pauzestand, ze maken dag en nacht associaties. ’s Nachts is er daarom een eindeloze stroom aan herinneringen, gevoelens, wensen, gedachtes of ideeën die in ons hoofd ronddolen. In dagdromen gebeurt in feite hetzelfde, maar op een meer bewust niveau en vaak met meer controle. Vaak merk je niet dat je wegdroomt, maar het is meestal op momenten van verveling of wanneer we niks beters te doen hebben. Of wanneer wat we doen heel monotoon is, zoals hardlopen of autorijden. Hoewel dagdromen door veel mensen als nutteloos wordt gezien, zijn er echt wel voordelen te noemen. Vaak komen automatische gedachtes om de hoek kijken als onze gedachtes afdwalen, waarin negatieve emoties vaak een rol spelen. Tegelijkertijd komt er ruimte om na te denken over nieuwe ideeën, het verwerken van situaties, herinneringen een plek te geven en te bedenken hoe we op situaties willen reageren. In andere woorden, we bereiden ons zo goed mogelijk voor op de eisen die de buitenwereld aan ons stelt. Daarbij gebruik je vaardigheden als creativiteit om oplossingen te bedenken, je reflecteert over jezelf (metacognitie) en verplaatst je in de ander.

Fantasie en sprookjes

Al eerder schreef ik over de voordelen van de fantasieontwikkeling bij kinderen. Misschien zijn de vaak bizarre verhalen uit onze dromen ook wel de reden dat ze zo tot de verbeelding spreken en we ze willen begrijpen (als het ons gelukt is om ze te onthouden). Want al eeuwenlang zijn kinderen geboeid door sprookjes en fantasieverhalen, die vroeger vaak van generatie op generatie werden doorverteld. Het is grappig om te zien dat wat sprookjes of soortgelijke verhalen nou aantrekkelijk maakt voor kinderen. Het blijkt dat er in zulke verhalen zogenaamde ‘minimale contra-intuïtieve concepten’ zitten. Bijvoorbeeld Peter Pan, die met wat toverstof kan vliegen, of schoentjes, die uit zichzelf kunnen dansen.

Vertaald naar symbolen

Het gaat om dingen of situaties die afwijken van wat we verwachten. Daardoor wordt je aandacht getrokken en probeer je, nieuwsgierig als we zijn, te begrijpen hoe dit kan. Daarom worden deze verhalen ook beter onthouden: daardoor zijn ze door de jaren heen wijd verspreid en behouden gebleven. Als er zulke verrassende dingen gebeuren, of dat nou in sprookjes, dromen of Bijbelverhalen is, denken we erover na en worden ze grondig verwerkt in de tijd daarna. Dat is ook de beeldende kracht uit symbooldrama, waarin ook vaak verrassende elementen in de dagdromen zitten, die cliënten aan het denken zetten. Vooral jongeren zijn er goed in om op zoek te gaan naar de betekenis die het voor hen kan hebben. Er wordt dus gebruik gemaakt van de voordelen die dromen en dagdromen oplevert, de vaardigheden die daarin worden geleerd, maar dan concreet gemaakt: er wordt, net zoals in nachtdromen, een verhaal van gemaakt, met beelden erbij (symbolen). Op die manier is er een samenhang tussen de verschillende elementen en onthoudt je bovendien beter waar het over gaat. Om dit extra te verstevigen vraag ik altijd om de dagdroom te tekenen, verven, krijten of zelfs te kleien. Zo is er een blijvend beeld en is de inhoud uit de droom ook meteen al een stukje verwerkt.

Somatisch onverklaarbare lichamelijke klachten

Somatisch onverklaarbare lichamelijke klachten

Lichamelijk onverklaarbare klachten

Soms lijkt het wel alsof er in de praktijk ineens meer van dezelfde soort problemen bij cliënten bestaan. Zo heb je ineens allerlei aanmeldingen van kinderen met concentratieproblemen of heb je toevallig veel onderzoeken naar sociaal inzicht tegelijk lopen. Zo valt het me de laatste tijd op dat er veel jongeren worden aangemeld met lichamelijk onverklaarbare klachten. Het wordt ook wel eens somatisch onverklaarbare lichamelijke klachten (solk) genoemd.

Buikpijn van de zenuwen

Iedereen heeft wel een hoofdpijn na een inspannende dag, of buikpijn ‘van de zenuwen’ voor een toets of presentatie. Er is dan ook geen medische oorzaak aan te wijzen: de lichamelijke klachten komen door stress of spanning. Zo is het ook bij cliënten met solk: zij hebben veel last van lichamelijke klachten, maar zonder duidelijke medische oorzaak. En daarbinnen heb je heel veel varianten, die bovendien ook van heel mild tot zeer ernstig kunnen gaan.

Somatiseren

Zo meldde een poosje terug een meisje zich aan met verschillende klachten: pijn in spieren, gewrichten, moe, rugpijn, gevoel dat er iets in haar keel zit, etc. Een ander meisje had klachten zoals haaruitval, pijn in armen, benen en botten. Weer een ander meisje werd ontzettend misselijk en naar als ze in spanningsvolle situaties kwam. En een jongen had aanvallen van hyperventilatie, zweten, buikkrampen en overgeven. Het zijn allemaal voorbeelden van somatiseren: het lichamelijk uiten van klachten die eigenlijk een andere oorzaak hebben.

Medische molen

Veel van deze jongeren hebben al een traject achter de rug, via huisarts, kinderarts en de hele medische molen. Er worden diagnoses gesteld zoals chronisch vermoeidheidssyndroom, ziekte van pfeiffer, prikkelbaar darm syndroom, astma… En geen van de classificaties dekt voor hun gevoel de lading van hun klachten. Sterker nog, de cliënten herkennen zich soms totaal niet in deze ziektes.

Lichaam en geest

Het is iets wonderlijks, iets fascinerends: de relatie tussen lichaam en geest. In de zorg zijn deze gebieden vaak strikt van elkaar gescheiden. Zo hebben wij geen bevoegdheid en kennis om medisch te handelen. Andersom kijken artsen niet verder dan hun eigen medische vakgebied. Maar in de praktijk is er dikwijls een overlap, een groot grijs gebied tussen deze twee ‘werelden’. En ik raak nog altijd onder de indruk van de werking van dit systeem.

Niet klagen maar dragen

Neem nou een van mijn (fictieve) cliënten. Laten we haar Denise noemen, een meisje van 14 jaar. Ze is altijd opgevoed met de waarde dat ze voor anderen klaar moest staan. Het zat in haar aard dat ze anderen hielp, opkwam voor kinderen die gepest werden, die het zwaar hadden op school. Dit liet ze ook ten koste gaan van haarzelf. Het gebeurde bijvoorbeeld regelmatig dat zij, voor de lieve vrede, haar eigen wensen aan de kant schoof en deed wat anderen graag wilden doen. Haar ouders waren allebei harde werkers, hun motto was: niet klagen, maar dragen. Ze waren nooit ziek, ze waren sterke en optimistische mensen. Denise had daar grote bewondering voor en nam deze manier van in het leven staan gemakkelijk over.

Door je hoeven zakken

Als enig kind was Denise als klein meisje al vroeg zelfstandig. Haar ouders vonden dit fijn, maar ze hadden ook niet anders verwacht. Ze vonden het belangrijk dat Denise leerde haar eigen boontjes te doppen en van niemand afhankelijk te zijn. Ze gaven haar al vroeg verantwoordelijkheden omdat ze merkten dat ze dat wel aankon en om haar zelfvertrouwen te vergroten. Zo groeide Denise op als een meisje die inderdaad stevig in haar schoenen leek te staan, nooit klaagde en altijd voor iedereen klaar stond. Tot het moment dat ze op school na een fikse meidenruzie, waar Denise probeerde de boel te sussen, ineens door haar benen zakte. Letterlijk. Ze zakte in elkaar als een pudding en kon even niet meer lopen. Door haar klasgenoten werd ze overeind geholpen, maar Denise leek vrij onbereikbaar. Ze was misselijk, duizelig, kreeg buikpijn en wilde weg daar.

Onduidelijke oorzaak?

Sindsdien is ze thuis. Ze gaat niet meer naar school, want elke confrontatie met school geeft klachten. Maar ook thuis gaat het niet lekker: ze heeft constant pijn in haar lijf, dan weer in haar nek, dan weer in haar rug of gewrichten. Ze is moe en snapt niks van de situatie. Er was totaal geen aanleiding en nu zit ik thuis? Ze verveelt zich te pletter thuis, maar ziet het echt niet zitten om naar school te gaan. Ze kan niet uitleggen waarom niet. Als mensen er over beginnen of op aandringen, wordt ze boos.

Wie niet luisteren wil, moet maar voelen

Haar lichaam heeft uiteindelijk aan de bel getrokken: Denise heeft al die jaren niet geluisterd naar haar lijf, naar de signalen, en toen besloot haar lijf zelf in actie te komen. Wil je niet luisteren? Dan moet je maar voelen! En besloot een drastische alarmbel af te laten gaan door haar in elkaar te laten zakken. In de taal zitten veel metaforen voor dit soort verschijnselen verborgen, zoals: ‘door je hoeven zakken’, ‘niet meer op je benen kunnen staan’, ‘het werd ondraaglijk’, etc. Het verwijst naar de relatie tussen lichaam en geest, hoe deze onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het lichaam vertelt je iets, het waarschuwt je, er is werk aan de winkel!

Lichamelijke klachten als symptoom

De lichamelijke klachten zijn dus slechts een symptoom van het echte probleem. In het geval van Denise is er misschien te weinig oog geweest voor het kleine meisje met haar eigen behoeftes, zorgen, onzekerheden. Misschien is ze opgegroeid tot een schijnzelfstandigheid, terwijl daaronder nog de behoefte zit aan de zorg van anderen die passen bij het kleine meisje dat ze eens was. Misschien is het alsmaar klaar staan voor anderen zo belastend geweest, dat ze zichzelf uit het oog verloren is. Dat ze niet heeft geleerd dat klaar staan voor jezelf, lief zijn voor jezelf en goed voor jezelf zorgen minstens net zo belangrijk zijn. Wie weet heeft zij onbewust nooit de aandacht op zichzelf durven richten, ook al waren er misschien al eerder signalen die wezen op spanning of stress, want klagen was niet toegestaan thuis. Wegstoppen is op de korte termijn wel handig, maar het lichaam onthoudt alles: alle ervaringen worden bewust én onbewust opgeslagen. En wanneer het niet goed is verwerkt, gezien en erkend, wanneer er geen medeleven of compassie, geen co-regulatie door een ander is geweest, dan stapelen deze herinneringen zich op tot de grens is bereikt.

Stilstaan bij je binnenwereld

Ik heb het gevoel dat dit soort klachten ook iets van onze maatschappij zijn. Het nuchtere, ‘door maar gewoon dan doe je al gek genoeg’, snelle en gejaagde leven dat de meesten van ons nu leven, zonder veel acht te slaan op hoe het nu werkelijk met je gaat. Want daar is geen tijd voor, of er is simpelweg niks aan de hand dus waarom zou je daar bij stilstaan? Het is goed te begrijpen, maar tegelijk baart het me ook zorgen. Net zoals depressie als een welzijnsziekte wordt gezien omdat het zo veel voorkomt in onze cultuur, ben ik bang dat deze lichamelijke klachten ook een veelvoorkomend symptoom gaat zijn. Ik ben heel benieuwd hoe anderen er tegenover staan, wat jullie herkennen en hoe er mee wordt omgegaan.

“Toen ik ging zitten voelde het al beter”

“Toen ik ging zitten voelde het al beter”

Vorige week kwam er een jongen van 13 jaar bij me. Hij had al een (kort) hulpverleningstraject achter de rug bij andere instellingen. Ik begroette hem en al vrolijk kletsend kwam hij de kamer binnen. Hoewel hij voor het eerst kwam, was hij niet verlegen en reageerde hij heel spontaan.

Kennismaken

De eerste vijf minuten maakten we kennis, ik vroeg hem naar zijn hobby’s, zijn fijne eigenschappen en complimenten die hij wel eens krijgt. Druk pratend werd deze jongen steeds enthousiaster en vertelde heel open wat hem hier bracht. Ik leerde weer heel wat bij over de nieuwste game-video’s op YouTube en noteerde een bandnaam die ik volgens hem toch écht eens moest beluisteren.

“Dit kan wel eens wat worden!” zei hij

Na een poosje leunde hij zuchtend en glimlachend achterover in zijn stoel. Ik moest grinniken om zijn houding en keek hem vragend aan, waarna hij opgelucht mededeelde: “dit voelt nu al beter dan bij die anderen! Toen ik ging zitten, eens om me heen keek en alles zo zag dacht ik al: ja, dit kan wel eens wat worden!”.

Stoffige personen

Verrast door zijn openhartigheid vroeg ik hoe dat zo kwam, waarna de jongen treffend uitbeeldde hoe een volgens hem stoffig en ongeïnteresseerd persoon in één van de vele kamers in de rij (‘kamer 1a, 1b etc.’) hem binnen riep en zelf bleef zitten, waarna deze figuur op nasale en monotone wijze vraagt: “zoooo vertel maar, wat is je probleem”. Om dan te vervolgen met een slaperig geknik en een teveel aan verkleinwoordjes (“ja dat zijn lastige probleempjes voor kindertjes he?”), waardoor deze jongen al direct afhaakte.

Aansluiten

Terwijl ik mijn lach niet kan inhouden tijdens deze beeldende schets, bedenk ik weer eens hoe weinig er soms nodig is om een goed gevoel te geven bij de cliënt. En of dat nou aan onze sfeer van de praktijk lag of dat ik de juiste toon aansloeg: het had effect. Het aansluiten bij zijn hobby’s en het weglaten van de -zoals hij het noemt- kinderachtige praat, was in dit geval voldoende.

Met een tevreden blik nam hij afscheid en liet mij voldaan achter. Hoe fijn is het werk dan: een goed gesprek, samen lachen en samen delen in het probleem. Ja, ik kijk al uit naar de volgende keer.


Misschien ook interessant:

  1. 10 tips voor een bedankje voor de juf
  2. Op de grens van gewoon opgroeien
  3. Over mij