Archief van
Categorie: Peuters (2-4)

Het belang van fantasie voor kinderen

Het belang van fantasie voor kinderen

Fantasie als bouwsteen voor ontwikkeling

Fantasie heeft voor mijn gevoel een beetje een ambivalente betekenis. Aan de ene kant wordt het als iets positiefs gezien. Bijvoorbeeld als we het over spelende kinderen hebben, dan klinkt er iets in door dat iets weg heeft van naïviteit of onschuld. Alsof een kind nog niet beter weet en het gebruiken van fantasie daarom door de vingers wordt gezien. Het is tegelijkertijd een fenomeen dat iets veroordelends met zich meebrengt: ‘wat een grote fantasie heb jij zeg!’ kan dan eerder als een verwijt klinken dan als een compliment.

Fantasie heeft een functie

Er is iets geks aan de hand. Want fantasie is, net zoals dromen en het onderbewustzijn, een natuurlijk deel van ons mens zijn. Het dient ook ergens voor, het heeft een functie, al is die soms op het eerste oog niet duidelijk. Wat mij betreft is de fantasieontwikkeling van kinderen daarom één van de meest onderbelichte en ondergewaardeerde stukken in de ontwikkeling bij kinderen. Ik zal uitleggen waarom.

Doen alsof spel

Fantasiespel is niet doelloos. Sterker nog, het is superbelangrijk! Jonge kinderen maken allemaal dezelfde fases door in de ontwikkeling van hun fantasie. Dat begint met doen alsof, zo rond het eerste jaar. Ineens zie je je dreumes met een doekje achter je aan lopen om ‘mee te helpen’ afstoffen, of pakt het de borstel om haar eigen haartjes te kammen. Het is de eerste stap naar fantasie, maar richt zich nog op het nadoen van de werkelijkheid. Rond de 18 maanden wordt de eerste fantasie gebruikt. En dit is een grote mijlpaal in het leven van een kind: want naast de concrete werkelijkheid, wordt nu ineens een heel andere dimensie mogelijk. De verzonnen werkelijkheid, de fantasiewereld, waarin alles mogelijk wordt. Ook hierbinnen heb je verschillende ontwikkelingsfases, die uitleggen hoe deze fantasieontwikkeling steeds genuanceerder wordt. Greenspan heeft daar heel veel over geschreven. Bijvoorbeeld in deze boeken. Een andere keer ga ik dieper in op deze ontwikkelingsfases.

Fantasie geeft sociaal inzicht

Wat werken voor volwassenen is, is spelen voor een kind. Het is de belangrijkste dagbesteding, en essentieel om alle vaardigheden in te ontwikkelen voor het goed kunnen functioneren als mens. In fantasie en spel worden bijvoorbeeld de belangrijkste sociale vaardigheden, het sociaal inzicht en de empathie ontwikkeld. Want in fantasiespel stel je je iets voor, je bedenkt hoe iets kan zijn, voor jou en de ander. Je anticipeert hierop, oefent met reacties, oefent met gedrag zoals je die later ook in echte situaties gebruikt. In fantasiespel leren kinderen dus alle voorwaarden voor goed sociaal contact. Niet voor niets is ‘speltherapie’ een zeer waardevolle en effectieve behandelmethode, met name bij jonge kinderen. Hetzelfde geldt voor symbooldrama, een door mij veel gebruikte behandelmethode die in Duitsland één van de meest gebruikte methodes is, maar hier nog relatief onbekend.

Verstoorde fantasieontwikkeling

Ook bij symbooldrama speelt fantasie een grote rol, en wordt het gebruikt als krachtbron voor herstel. Zowel bij kinderen als bij volwassenen. Om van deze innerlijke krachtbronnen gebruik te kunnen maken, is de voorwaarde dat je kunt fantaseren: dat je je iets voor kunt stellen. En steeds vaker merk ik dat dit lastig is voor veel kinderen. Het is bekend dat bij autistische kinderen de fantasieontwikkeling verstoord is: deze kinderen blijven heel concreet, spelen dingen na die ze hebben gezien maar voegen daar geen eigen fantasie aan toe. Het blijft als het ware een in scene gezet geheel, zonder eigenheid van het kind. Hierin zie je ook terug dat gebrek aan fantasiespel hand in hand gaat met problemen in sociaal contact: hoe meer een kind oefent in fantasiespel, hoe meer het kan leren zich in te leven in de ander.

Realistisch speelgoed: de valkuil

Maar ook kinderen zonder autisme hebben steeds vaker een gebrek aan fantasie. En ergens is dat ook begrijpelijk: we zitten in een digitaal tijdperk, met veel games, die ook nog eens steeds realistischer worden. Het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid wordt daardoor steeds vager. En er wordt daardoor minder gespeeld met fantasiemateriaal. Denk aan playmobil, poppenhuizen, winkeltjes, etc. Het materiaal waarin zelf een verhaal kan worden toegevoegd. Waarin een banaan een banaan kan zijn, maar net zo goed een telefoon, race-auto of pistool. Dat zelf toevoegen van fantasie aan het materiaal wordt nog eens extra lastig gemaakt omdat speelgoed, goedbedoeld, steeds realistischer wordt gemaakt. Had je vroeger een paar blokken, tegenwoordig is een LEGO pakket zo gedetailleerd, dat een politie-agent nog onmogelijk kan doorgaan voor een cowboy of wat dan ook.

Voeg fantasie toe in het spel!

Met andere woorden, het wordt juist dáárom steeds belangrijker om toch speciale aandacht te besteden aan het gebruiken van fantasie in het spel. Om hierin je kind uit te dagen out of the box te denken, om de mogelijkheden op te rekken. Want door te spelen met fantasie, ontdekt een kind mogelijkheden, bedenkt het oplossingen, kan het omgaan met angsten en andere heftige gevoelens, kan het oefenen met sociale situaties, verwerken van gebeurtenissen, kortom, leert en ontwikkelt het zich.

Fantasie helpt bij verwerken

Fantasie iets onnozels? Niet dus. Fantasie maakt slim en creatief. Fantasie is een hele belangrijke vaardigheid voor kinderen om (heftige) gebeurtenissen te verwerken. Door deze na te spelen, krijgt een kind meer grip op wat er gebeurd is en kan het leren omgaan met de gevoelens die daarbij vrijkomen. Het kan gebruikt worden in de voorbereiding van gebeurtenissen die hen te wachten staan, zoals een operatie. Uit onderzoek blijkt dat in dit geval een kind inderdaad minder angstig is voor de operatie. In fantasiespel leren kinderen hoe de wereld in elkaar zit en wat hun rol hierbinnen is. Fantasiespel maakt een kind creatiever, gelukkiger en socialer.

Fantasie in de klas

In de klas kan fantasie een rol spelen binnen het lesmateriaal. Het blijkt dat de aandacht van kinderen beter wordt gevangen als er iets afwijkends is: als er een verrassend element of een onrealistische situatie wordt toegevoegd in bijvoorbeeld een opdracht of les, trekt dit de aandacht van kinderen en verhoogt het de motivatie. Als er bijvoorbeeld aan de woordenschat en begrijpend lezen wordt gewerkt, blijkt dat kinderen dit beter doen met fantasieverhalen dan met realistische verhalen. Ook de oplossingen uit fantasieverhalen kunnen de kinderen gemakkelijker toepassen, dan bij realistische verhalen.

Willen begrijpen

Kinderen zijn van nature nieuwsgierig en leergierig. Het blijkt dat een kind ook sneller op onderzoek uit gaat als er iets is, wat niet aan hun verwachting voldoet: als er iets afwijkt, willen ze weten hoe dat komt. Fantasie prikkelt dit, waardoor kinderen als vanzelf gemotiveerd zijn om er achter te komen hoe de vork in de steel zit. Ze willen het begrijpen, verklaren, snappen. Door na te denken over bijvoorbeeld onrealistische oplossingen uit fantasiespel leert een kind de contrasten tussen wat er wel en niet mogelijk is. Dit stimuleert dus het ‘echte leren’ van kinderen.

Fantasie maakt creatief

Je ziet dit bijvoorbeeld ook een beetje terug in de natuurwetenschappen, waarin ook wordt gezocht naar verklaringen van wonderlijke verschijnselen en de grenzen van mogelijkheden worden afgetast. Niet voor niets spreken de experimentjes uit deze vakgebieden tot de verbeelding van kinderen. Denk aan Nemo, met eindeloze proefjes voor jong en oud. Hierin worden kinderen ook uitgedaagd om out of the box te denken, om niet de voor de hand liggende verklaringen te kiezen, maar echt te begrijpen hoe iets werkt.

Fantasie maakt slim

Misschien dient de fantasie in die zin ook wel de behoefte van de mens om alles maar te willen verklaren. Omdat er zoveel verschijnselen zijn, zoals de snelheid van het licht, atomen die je niet met het blote oog kunt zien, etc., die uitlokken om onderzocht te worden. Omdat de mens uiteindelijk wil weten hoe het universum in elkaar zit. Het gebruiken van fantasie en verbeelding is dus een rijkdom en broodnodig, ook voor de toekomst. Het biedt de bouwstenen voor sociaal, emotioneel en cognitief gezond functioneren!

Slaaptekort bij kinderen

Slaaptekort bij kinderen

Slaapgebrek

Misschien heb jij er ook wel een: een kind met slaaptekort. Mijn hemel wat is dat een verschrikking zo nu en dan! Alle drie mijn kinderen zijn anders in hun slaapbehoefte en slaappatronen. Alle drie reageren ze ook anders op een slaaptekort. Want ieder kind heeft nou eenmaal andere behoeftes en manieren, en zo ook in ons gezin. Met name de oudste reageert sterk op te weinig slaap.

Weinig slaapbehoefte

Het begon eigenlijk al als baby. Ik las braaf alle boekjes en kwam er al gauw achter dat een baby het grootste gedeelte van de dag slaapt. Tot zover de theorie. De praktijk was toch beduidend anders. Hoe vaak ik niet gefrustreerd en radeloos met een huilend kind naar beneden ben gelopen, na de zoveelste poging haar in slaap te krijgen! Ik zat er soms twee uur bij, haar sussend, over haar hoofd of buikje aaiend, in de veronderstelling dat ik er goed aan deed, dat ze uiteindelijk zou slapen. Ja, dat deed ze uiteindelijk ook. Maar liefst 20 minuten. En dan begon het hele feest weer van voren af aan.

Geen zin

Meia had als baby bijna geen slaapbehoefte. Hetzelfde zie ik nu terug bij Signe. Blijkbaar een meidending in ons gezin. Alhoewel, ik reken slapen toch echt wel onder mijn favoriete hobby’s, dus voor mij gaat die vlieger niet op. Zowel Meia als Signe lijken als baby wel wat beters te doen te hebben dan slapen. Slapen doe je maar als je niks anders te doen hebt. Ze hebben het gewoon veel te druk met andere dingen, dat ze zich niet goed kunnen of willen overgeven aan de slaap.

Niet moe

Ik schrijf dit trouwens om 20.30u en Signe zit klaarwakker naast mij de inhoud van een kast op de grond te trekken, om het geheel nog even te illustreren. Ik heb net 3 vruchteloze pogingen gedaan haar te laten slapen. Anders dan bij Meia, leg ik me nu gemakkelijker neer bij de situatie. Blijkbaar is ze nog niet moe. Ik kan hemel en aarde bewegen om haar in slaap te krijgen, maar ze zit nu lief te spelen, dus ik kan het ook gewoon over een uurtje nog eens proberen. Doorgaans slaapt ze dan wel snel in. Wie weet moet ze ook wat knuffeltijd inhalen, omdat we elkaar weinig gezien hebben vandaag.

Gedrag

In tegenstelling tot Signe, die gewoon weer over gaat tot de orde van de dag of een extra knuffel komt halen als ze stiekem toch een beetje moe is, laat Meia op een heel andere wijze merken dat ze te weinig slaap heeft gehad. Hoewel ze slapen waarschijnlijk onder de noemer ‘verspilde tijd’ schaart, wijst de praktijk toch anders uit. Dan verandert ze af en toe in een soort ‘terror’ variant van zichzelf, eentje die je niet terug zou herkennen, waar je stiekem een beetje bang van wordt.

Alarmbel

Ineens leiden de kleinste tegenvallers tot heftige explosies van haar kant, waar ze zich hysterisch en verongelijkt van de stoel laat glijden of stoïcijns tegen een willekeurig meubelstuk (of toevallige voorbijganger) aan blijft schoppen. Dit alles vergezeld van een geluidenbrei zonder herkenbare woorden, alsof er geen energie meer over is om zich verstaanbaar te maken. Soms is het een komisch gezicht, maar meestal is het een alarmbel voor een lastige periode die aanbreekt. Want eenmaal in deze modus belandt, is het zéér lastig om haar eruit te krijgen. Want, je raadt het al, het enige dat helpt is slapen.

Ik ben niet moe!

En dat is nu precies wat ze niet wil. Slapen! Ik ben toch niet ziek? Ik heb al uitgeslapen vanmorgen tot half 7 (ja echt waar, normaal wordt ze namelijk 6 uur wakker) en nog belangrijker: ik bén he-le-maal niet moe!! Ja, ga er maar eens aan staan. Kom je met al je goeie argumenten dat het belangrijk is, dat het dan allemaal makkelijker gaat, en gezelliger wordt. Op zo’n moment lijkt dit rationeel overdenken allemaal niet toegankelijk. En het is nu eenmaal zo dat je zaken als slapen, eten en zindelijkheid niet kunt afdwingen. Bummer!

Afspraken maken

Soms helpt het als ik afspraken maak. Dat ik aangeef dat ze nu niet hoeft te slapen, maar dat we het morgen doen, tussen de middag. Of dat ze het nog even mag proberen om lief te spelen, maar dat we alsnog gaan slapen als het toch niet lukt. Niet als straf, maar omdat het daardoor gezelliger gaat. Soms helpt het om iets fijns in het vooruitzicht te stellen: na het slapen gaan we gezellig even de stad in. Ik zal je wakker maken na een uurtje, dan weet je zeker dat je niet teveel mist. Soms hebben we mazzel, als we bijvoorbeeld ergens naar toe rijden en ze in slaap valt in de auto. Scheelt aanzienlijk in het humeur!

Zoektocht

Opvoeden blijft een zoektocht. Wat voor de één geldt, is voor de ander onzin. Meia is te eigengereid om naar mijn argumenten te luisteren, ze leest liever 10 boeken voor ze er doodmoe bovenop in slaap valt. Om haar dag vervolgens om 6 uur te starten. Ik heb me er bij neergelegd: we zoeken naar wegen om het voor iedereen draaglijk te houden. En nu met Signe zie ik dat het ook anders kan: Signe heeft net zo weinig slaap nodig (ze is intussen een stuk karton aan snippers aan het scheuren naast me), maar wordt er niet vervelend van. Hooguit wat stilletjes. En dan is het tijd om poolshoogte te nemen, zoals nu.

Het reptielenbrein van je kind

Het reptielenbrein van je kind

Over hersenen en driftbuien

Wel eens gehoord van het reptielenbrein? Dat is het deel van ons brein dat ervoor zorgt dat je kind zo nu en dan op een exploderend stukje vuurwerk lijkt, zich gillend en stampend op de vloer laat vallen of je voor van alles en nog wat uitmaakt als het allemaal tegenzit. Natuurlijk is dit (gelukkig) niet dagelijkse kost voor de meeste mensen, maar iedereen kan zich er wel een beeld bij vormen.

Hersenfuncties

Hersenfuncties zijn behoorlijk ingewikkeld, maar soms helpt het je als ouder te begrijpen waarom je kind zo doet, als je iets meer snapt over hoe de hersenen werken. Dit geldt trouwens niet alleen voor kinderen: ook wij volwassenen kunnen soms last hebben van een dominerend reptielenbrein. Ik zal uitleggen hoe het werkt.

Lastige gevoelens

Eigenlijk gaat het nog verder dan er niet zoveel van weten. Ik sprak al eerder over emotionele inflatie. Ik denk nog steeds dat dát vooral aan de oorzaak ligt van het meeste klachtgedrag. Nederlanders, ikzelf inclusief, zijn nog altijd die nuchtere mensen. De mensen met het motto ‘doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg’. Stilstaan bij je gevoelens of er zelfs over praten, dat is vaak ‘eng’, ‘gek’ of ‘lastig’.

Prefrontale cortex

Dat laatste klopt trouwens. Want gevoelens zijn behoorlijk ingewikkeld. Zonder zweverig te zijn: gevoelens zijn ook gewoon een product van onze hersenen en hebben belangrijke functies in de omgang met anderen. Door de jaren heen zijn onze hersenen steeds beter gaan werken en hebben verschillende vaardigheden zich beter ontwikkeld. We hebben als mensen, in tegenstelling tot de meeste dieren, bijvoorbeeld als enige een gedeelte in het brein dat ingewikkelde functies heeft zoals plannen, prioriteiten stellen, overzicht houden, beslissingen nemen, etc. Dit zijn de executieve functies waar ik al eerder over schreef. Deze zitten in de prefrontale cortex, aan de voorkant van je hersenen, zo’n beetje achter je voorhoofd. Deze functies zorgen ervoor dat wel weloverwogen en bedachtzaam dingen kunnen doen, dat we rekening houden met anderen en met de omgeving. Met andere woorden, dat we menselijk reageren op verschillende situaties.

Stress en gevaar

Wanneer je kind zich echter gillend en krijsend uit je armen werkt, de beker uit je handen slaat, keihard “stomme mama!” gilt of hysterisch huilend over de grond dweilt, lijken deze vaardigheden toch ver te zoeken. En dat is ook precies wat er aan de hand is. Want op het moment van stress, is de prefrontale cortex (die van de handige vaardigheden) als het ware even niet beschikbaar.

Overlevingsreacties

Je zou het zo kunnen uitleggen: als je kind stress of spanning ervaart (even los van het feit of dit nou ‘terecht’ is of niet), klapt het voorste gedeelte van het brein even weg, waardoor het brein regelrecht gebruik maakt van het stuk daarachter: het reptielenbrein. Dit is het stuk brein wat als eerste is ontwikkeld bij zoogdieren, en direct ook het belangrijkste stuk brein om te overleven. Het wordt geactiveerd bij stress. Want stress wordt nog altijd gelabeld als ‘gevaar’ door je brein. En je reptielenbrein kan dan drie dingen doen om daarop te reageren:

  • vechten (‘fight’)
  • verlammen (‘feeze’)
  • vluchten (‘flight’)

Woedeaanvallen

En dat is wat je ziet bij je kind: vechten. Maarja, tegenwoordig zijn er nou niet bepaald loerende sabeltandtijgers om je tegen te verweren. In ons land is er gelukkig maar weinig concreet gevaar om op te reageren. Je lijf maakt daar echter geen onderscheid tussen en reageert hetzelfde op alle vormen van stress: het schakelt over naar je reptielenbrein en je prefrontale cortex is dan niet meer beschikbaar. Dus vertoont je kind eigenlijk heel normaal gedrag: het verdedigt zich, wat zich bijvoorbeeld uit in driftbuien, woedeaanvallen of ander licht ontvlambaar gedrag.

Kalm brein

Dat is leuk en aardig, maar vervolgens zit je natuurlijk wel met een hysterisch kind waar je niks mee kunt. Wat is de oplossing? Eigenlijk is er maar één oplossing. Het klinkt simpel, maar dat is het helemaal niet. Als je kind in stress zit, kan het niet meer goed nadenken. Hetzelfde geldt voor ons als volwassenen: als je opgefokt en boos bent, trap je het liefst tegen de prullenbak of flap je er ineens wat uit. Dan kun je niet rationeel bedenken ‘misschien moet ik zus of zo doen’. Dat lukt pas wanneer je gekalmeerd bent. En dat is precies wat je kind nodig heeft: kalm worden.

Executieve functies

Je prefrontale cortex, en daarmee je executieve functies van je kind zijn pas weer beschikbaar bij een kalm brein. De eerste taak van de omgeving is dan ook: zorg dat je kind kalmeert! Maar dat is lastig, als je kind jou met zijn boosheid kwetst, irriteert of tot wanhoop drijft! Dan wordt namelijk je eigen reptielenbrein geactiveerd, waardoor rustig reageren ook geen optie lijkt te zijn.

Reguleren

Soms is daarom de eerste stap om eerst zelf te kalmeren. Als volwassenen heb je namelijk al meer vaardigheden geleerd door de jaren heen om jezelf te helpen weer kalm en rustig te worden. Je hebt geleerd je gevoel te reguleren. Dat is nou juist de vaardigheid die bij je kind nog ontbreekt, en waar je als ouder zo hard voor nodig bent. Zodra je zelf weer rustig bent, is het daarom voor je kind hard nodig om nabij te blijven: want als het voelt en merkt dat het gezien en gehoord wordt, weet het: ik ben niet alleen, mijn moeder/vader ziet me, ze weten ervan. Dat helpt om sneller rustig te worden.

Waardevol

In het reguleren kun je als ouders een heleboel doen om je kind te leren hoe het met deze heftige gevoelens om kan gaan. Hier komen termen bij kijken zoals emotieregulatie, mentaliseren, spiegelen… Vaardigheden die jammer genoeg geen gemeengoed zijn voor veel mensen vandaag de dag. In therapie merk ik dan ook dat op dit terrein in de behandeling van kinderen en gezinnen veel winst te behalen is. Als ik ouders of gezinnen in therapie heb, gaat er soms een wereld voor hen open wanneer  we ingaan op dit stuk van gevoelens. Ik ben benieuwd of dit bij anderen ook herkend wordt?

 

Gevoelige periodes bij kinderen

Gevoelige periodes bij kinderen

Leren in de gevoelige periodes

Iedereen heeft er wel eens van gehoord: de kritische of gevoelige periode waarin een kind het beste iets leert. Eigenlijk is dat ook de grootste reden waarom kinderen al vanaf jonge leeftijd naar school gaan (moeten): omdat er in de kindertijd de meeste gevoelige periodes zijn om iets te leren. De ervaringen uit je kindertijd zijn bovendien heel vormend voor je persoonlijkheid en hebben grote invloed op alles wat je de jaren erna doet.

Gevolgen voor later

De eerste en meeste gevoelige periodes vinden al plaats in de babytijd. Als er in zo’n periode iets misgaat, kan dat soms blijvende gevolgen hebben omdat de juiste verbindingen in de hersenen dan niet worden aangelegd. De gevoelige periode voor de ontwikkeling van het zicht is bijvoorbeeld tussen de 3 en de 8 maanden: als er dan iets is waardoor de baby minder goed kan zien, kan het blijvend schade houden aan het zicht op latere leeftijd.

Hoe kinderen leren

Met verschillende onderzoeken en experimenten wordt gekeken of een gevoelige periode opnieuw kan worden uitgelokt, op een ander moment. Wanneer dat zou lukken, zou eventuele schade bijvoorbeeld kunnen worden ingehaald. Als er duidelijk wordt hoe kinderen precies leren en ontwikkelen, zou men het onderwijs daar naadloos op aan kunnen laten sluiten.

Gevoelige periodes op school

Dat laatste gebeurt natuurlijk al zoveel mogelijk, hoewel dat per school veel kan verschillen. Naar mijn idee onderstreept de theorie van de gevoelige periodes alleen maar meer het belang om daar op flexibele wijze rekening mee te houden op school. Globaal gezien zijn de gevoelige periodes ongeveer op hetzelfde moment, maar dit kan per persoon wel veel verschillen. Zeker omdat iedereen een andere geboortedatum heeft. Het aanbieden van lesstof zou daarom eigenlijk pas moeten, wanneer het kind in de gevoelige periode voor die stof zit.

Inspelen op interesses van je kind

De gevoelige periodes zijn er de reden van dat er in groep 3 wordt begonnen met lezen, want de meeste kinderen ‘zijn er aan toe’. Het is de reden waarom er in de kleuterklassen nog veel buiten wordt gespeeld (motorische ontwikkeling) en in de middenbouw wordt gestart met de zaakvakken. Omdat dán de interesse in de wereld om hen heen toeneemt. Maar deze ‘mal’ in wat er aan je kind wordt aangeboden, is een grove schatting, terwijl de gevoelige periodes juist zeer precies zijn. En dáárom is het zo belangrijk om in te spelen op de interesses van het kind. Want pas als een kind iets leuk vindt, leert het. Het heeft geen zin om domweg stof ‘erin te stampen’ als er geen interesse of motivatie is.

Aanvoelen waar het kind zit

En dat is in het onderwijs nog best lastig, merk ik vaak. Ik kom geregeld voor schoolobservaties en schoolgesprekken op scholen. En ik ken natuurlijk de montessori-onderwijsmethode van onze eigen kinderen. Tussen de scholen zit veel verschil. Zowel in de visie als in de dagelijkse praktijk van de leerkracht. Want uiteindelijk komt het er op neer of de leerkracht aanvoelt ‘waar een kind zit’ en hier op kan in spelen door de juiste stof aan te bieden. Dan hebben we het nog niet eens over onderlinge niveauverschillen tussen kinderen. Dat maakt de differentiatie extra moeilijk.

Eigen inbreng

In het traditionele onderwijs is er naar mijn idee vaak net iets minder mogelijk aan flexibele aanpassingen aan het leerproces van kinderen, omdat er nog steeds vaak klassikaal les wordt gegeven. Kinderen volgen de structuur van de lessen en hebben weinig eigen inbreng in wat ze wanneer doen. In het montessori-onderwijs is dat anders. Kinderen beslissen per dag bijvoorbeeld de volgorde van hun taakjes. Daarbij hebben ze een zekere vrijheid voor hoelang ze aan een taak willen werken: is een kind momenteel meer geïnteresseerd in rekenen, dan mag het, tot op zekere hoogte, langere tijd hier aan werken.

Motivatie

De leerkracht bewaakt dit proces door te benadrukken dat elke beslissing gevolgen heeft: nu meer rekenen betekent een andere keer meer taalwerk. Toch is dit voor mijn gevoel een methode die van nature beter aansluit bij het grillige ontwikkelingsproces van kinderen. Bovendien is de motivatie om aan de taken te werken per definitie hoger, omdat een kind zélf de keuze maakt voor een taak.

Leerbehoeften

Er zijn tegenwoordig (gelukkig) steeds meer vormen van onderwijs, die rekening houden met de verschillen in voorkeuren, ontwikkeling en leerbehoeften van kinderen. Goed onderwijs is namelijk een onderwijsvorm (en leerkracht) die goed aansluit bij de specifieke behoeftes van je kind. En dat verschilt per persoon.

Snoeien in synapsen

Het is echter niet zo dat een kind alleen maar leert in de de gevoelige fases. De hersenen hebben een zekere plasticiteit. Dat betekent dat mensen hun hele leven lang kunnen leren en zich aan kunnen passen aan veranderende omstandigheden. Maar in gevoelige periodes is er veel meer mogelijk. In de babytijd is dit het meest duidelijk: een baby wordt geboren met een oerwoud aan synapsen (mogelijke verbindingen voor informatieoverdracht), waar die eerste maanden behoorlijk in gesnoeid wordt: alles wat niet nodig is, gaat weg. Zo blijven alleen de belangrijkste verbindingen over. Dat gebeurt in de gevoelige periodes: zo wordt er orde in de chaos geschept en gaat het brein steeds beter functioneren.

Vorming van persoonlijkheid

Het is interessant om te bedenken waarom de gevoelige periodes alleen maar tijdens de kindertijd zijn. Ze zijn immers super nuttig voor de ontwikkeling en voor de overleving, zou je denken. Onderzoekers denken daarom dat er ook een keerzijde aan de kritische periodes zit: in die momenten draaien de hersenen namelijk op volle toeren, waardoor er ook eerder kans is op beschadiging aan de hersenen. En omdat de gevoelige fases ook vormend zijn voor de persoonlijkheid, kun je je afvragen of het wenselijk is wanneer deze gevoelige periodes ook in de volwassenheid optreden: wat zou het doen met je identiteit en je persoonlijkheid? Misschien is het daarom maar goed dat ze beperkt blijven tot de kindertijd.

 

EMDR bij peuters

EMDR bij peuters

Jonge kinderen in therapie

 

Als orthopedagoog ben ik opgeleid om kinderen en gezinnen te helpen. Anders dan een psycholoog, die zich breder richt op álle leeftijden, ben ik dus wat meer gespecialiseerd in de mensen die nog in ontwikkeling zijn. De meeste cliënten die ik zie, vallen in de basisschoolleeftijd, grofweg tussen de 6 en 12 jaar oud. Maar ook jongere (en oudere) kinderen heb ik regelmatig in de spreekkamer. Vandaag een artikel over de ervaring met EMDR bij peuters.

Veerkracht

Zo had ik pasgeleden een kleine peuter in behandeling, van rond de 2,5 jaar. En op de één of andere manier heb ik iets met die ukkies, misschien omdat ik zelf nog drie kleintjes heb, maar er is iets fascinerends aan hele jonge kinderen. Ze zijn nog zo puur, zo aan het begin van hun ontwikkeling, zo vormbaar. Gebeurtenissen kunnen een grote impact hebben in hun nog zo korte leventje, maar tegelijkertijd tonen ze een onnavolgbare veerkracht. Het verwondert me, en het herinnert me aan hoe weinig we eigenlijk weten over bijvoorbeeld de werking van de hersenen.

Verbondenheid tussen ouders en kind

Het is een fabeltje om te denken dat een kind te jong is voor therapie. Natuurlijk ga je met een kind van 2 jaar geen diepzinnige gesprekken beginnen over identiteitsontwikkeling of gedachtes uitwisselen over schoolkeuzes, maar op andere manieren kunnen ze zeker baat hebben bij therapie. In specifieke cursussen gericht op de ontwikkeling en behandeling van jonge kinderen heb ik ervaren hoe essentieel deze behandelingen kunnen zijn voor hun verdere levens. Als kinderen nog echt jong zijn, pakweg voor ze naar de basisschool gaan, dan is het een vanzelfsprekendheid dat ik het kind zie samen met de vader en/of moeder: ze zijn nog zo verbonden met elkaar, dat het onnatuurlijk zou zijn ze los van elkaar te zien.

Slaapproblemen

Zo was het ook bij mijn peutercliëntje. Deze kleine kwam voor slaapproblemen: elke nacht werd het kindje meerdere keren hysterisch wakker en moest het per sé door moeder getroost worden, vader werd niet geaccepteerd. Overdag was de peuter ontzettend vermoeid, wat zorgde voor negatief gedrag en uiteindelijk een negatieve sfeer. Het was al maanden bal en ouders werden elke dag een beetje vermoeider en meer radeloos. Het zorgde voor een grote belasting voor met name moeder en alle gezinsleden hadden grote behoefte aan een goede nacht slaap.

EMDR

In de intake is het zaak om nauwkeurig uit te pluizen waar de klachten mogelijk mee te maken hebben. Daarom wordt er veel gevraagd, soms tot in de kleine details en tot jaren terug. Klachten zijn namelijk vaak hetzelfde, het is de unieke geschiedenis van een cliënt die uiteindelijk de behandeling vormgeeft. En zo kwam ik er achter dat er in de korte levensgeschiedenis van dit cliëntje een aantal ingrijpende gebeurtenissen waren geweest, die naar mijn idee te maken hadden met de klachten. Ik besloot daarom om EMDR te gaan doen (later licht ik deze behandelmethode meer toe). EMDR bij zo’n kleintje? Ja echt, het kan. Heel goed zelfs. EMDR is in het kort een manier om ingrijpende gebeurtenissen te verwerken. Dit wordt zowel bij kinderen als volwassenen toegepast, en is dus ook mogelijk bij hele jonge kinderen.

Het verhaal schrijven

Voordat we daarmee konden starten, was het de bedoeling dat ouders het verhaal zouden schrijven van de gebeurtenis. Klinkt simpel? Dat is het niet. Ten eerste is het de bedoeling dat ouders in de schoenen van hun kind gaan staan als ze het verhaal schrijven. In dit geval moest het verhaal dus worden geschreven alsof het door de ogen van de peuter werd beleefd. Dat vergt nogal wat inlevingsvermogen. Want wat indruk maakt op ons als volwassene, kan soms mijlenver af staan van wat impact heeft op een kind. Ten tweede is het opschrijven van de gebeurtenissen direct een stuk rouwverwerking en exposure voor de ouders: ze beleven als het ware de hele situatie weer opnieuw en dat roept vaak hun eigen stukje trauma en spanning weer op. Dat maakt het extra lastig om te scheiden tussen hun eigen gevoelens en die van hun kinderen. Ten derde hebben ouders een natuurlijke neiging om hun kind te troosten, te sussen en te beschermen tegen alles wat naar is. En bij EMDR gaat het er júist om, om zoveel mogelijk lading in een verhaal te stoppen. Met andere woorden, om het verhaal zo eng, heftig, verschrikkelijk of zo naar mogelijk te maken. Dat vergt ook veel moed van ouders.

Desensitiseren

Het duurde daarom een poos voor de ouders het eerste verhaal op papier hadden staan. Na wat kleine aanpassingen, was het dan tijd voor de eerste sessie. En in tegenstelling tot hoe lang ervoor nodig was om het verhaal op papier te zetten, zo kort waren de sessies toen ze uiteindelijk plaatsvonden. Het voorlezen van het verhaal en tegelijkertijd desensitiseren (het laten afnemen van de spanning), was meestal binnen een half uurtje gefixt.

De sessies

Het is een wonderlijk proces. De peuter kroop knus bij mama op schoot en koos de knuffels waarmee ik op de beentjes zou tikken (het afleidingsproces). Hierna begon haar moeder het verhaal, dat verliep volgens vaste richtlijnen: eerst een rustige inleiding, dan toewerkend naar het meest spanningsvolle stukje, waar uitgebreid bij wordt stilgestaan en eindigend met een goed einde. Het eerste verhaal had zichtbaar spanning: de blik van de peuter werd naar binnen gekeerd, er verscheen een pruillip en er werd steun gezocht bij moeder door haar stevig beet te pakken. Deze spanning zakte zichtbaar aan het einde van het verhaal.

Emotioneel

Voor de tweede sessie hadden we de tweede ingrijpende gebeurtenis uitgeschreven. Dit bleek tijdens de sessie het meest heftige moment te zijn geweest voor de kleine cliënt. Bij de climax van het verhaal, waarin er thema’s van verlatingsangst speelden, raakte de peuter zeer geëmotioneerd en zocht ze schokkend van verdriet bij de moeder die ze toen zo had gemist. Aan het einde van het verhaal zakte ze uitgeput en nog na snikkend tegen moeder aan, terwijl extra werd benadrukt dat alles nu weer veilig en goed was.

Impact

Iedere keer dat ik dit soort EMDR sessies doe, ben ik weer onder de indruk van het effect. Hoewel het voorlezen van een verhaal misschien 10-20 minuten duurt, zijn het zeer ingrijpende sessies, waarin veel emoties worden losgemaakt. Het is voor mij keer op keer weer een bevestiging van de ongelooflijke veerkracht en flexibiliteit in de ontwikkeling van jonge kinderen.

Afscheid nemen

EMDR staat er om bekend dat het na de sessie doorwerkt, tot zo’n 3 dagen daarna. En zo was het bij dit gezin ook. De dagen erna merkten ze verschillende gedragsveranderingen, zoals nachtmerries, veel vragen naar de gebeurtenissen en willen weten waar iedereen was. Na deze zogenaamde ‘naweeën’, begonnen de klachten significant af te nemen: de peuter werd veel minder vaak wakker, en als het gebeurde, was het zonder hysterie of paniek. Ook werd papa weer geaccepteerd en kon de peuter gemakkelijk terug naar bed worden gebracht. De nachten waren in zeer korte tijd sterk verbeterd. Er was meer rust en ook overdag kon de peuter beide ouders beter accepteren. In het afscheid nemen viel op dat de peuter nu gedag zei, wat voorheen niet gebeurde. Alsof de kleine er weer op kon vertrouwen de ander weer terug te zien, wat misschien eerder niet vanzelfsprekend was. En zo gebeurde het, dat na een keer of vier de peuter zich bij het weggaan ineens naar mij omdraaide, haar handje opstak en een vrolijk ‘doei!’ zei. Knap gedaan meisje, je hebt je vertrouwen weer terug!

Hoe Fosse niet zindelijk wilde worden

Hoe Fosse niet zindelijk wilde worden

Te koppig om naar de wc te gaan

Zindelijkheid. Dat is wel een dingetje geweest hier. Met de oudste was het aanvankelijk geen probleem. Met 2,5 jaar oud vroeg ze uit zichzelf of ze op het potje mocht en binnen een week (!) was ze overdag volledig zindelijk. Het ging volgens het boekje: ze was geïnteresseerd, keek hoe wij plasten, ging met ons mee en was bereid om te oefenen. En sinds die tijd zijn de keren dat het mis ging op één hand te tellen.

Geen zin

Maar bij Fosse was het een heel ander verhaal. Fosse, met zijn gemoedelijke karaktertje, kon het niet zoveel schelen. En dat was zachtjes uitgedrukt. Want Fosse heeft, met bepaalde onderwerpen, een flinke kop erop zitten. En dus had hij blijkbaar besloten dat hij niet zindelijk hoefde te worden. Als je denkt dat ik een grapje maak: helaas! Toen hij al een tijdje 3 was, zei hij doodleuk dingen als: ‘ik ga niet op de wc plassen, want ik word toch niet groot’ of: ‘ik doe het gewoon in mijn luier’. Nou en geloof me, als Fosse dat eenmaal heeft besloten, moet je toch van verdomd goeie huize komen wil je daar verandering in de zaak brengen.

Interesse in plassen op de wc

Natuurlijk waren wij met Meia’s 2,5 jaar verwend, en verwachtten we ook niet dat Fosse dan al zindelijk zou zijn. Dat hoefde ook niet. Jongens zijn immers ook later dan meisjes met zindelijk worden, dus we gaven het nog even de tijd. Maar het viel al wel op dat er 0,0 interesse was vanuit hem. Op het consultatiebureau werd het bezoek na bezoek ook gecheckt: ‘is er al interesse?’, ‘kijkt hij naar anderen?’, ‘neem je hem mee, probeer je het al eens samen?’. En met elk bezoekje besefte ik: hmm, het is nog steeds niet aan de orde.

Verschonen

Maar het waren niet de vragen vanuit het consultatiebureau die mijn motivatie om aan de zindelijkheid te werken versterkten. Heb je wel eens geprobeerd een flinke 3-jarige op een verschoningsmatje te vouwen? Die dingen zijn ontworpen voor BABY’S, met bijbehorende afmetingen. En mijn zoon voldeed absoluut niet aan die omschrijvingen. En dat was nog niet het ergste: de productie bij een baby is nog te overzien. Die van een 3-jarige is echter van een heel ander kaliber! Het was gewoon geen feestje meer, deze momenten. En ‘helaas’ wordt er door ons kroost nog al wat naar binnen gewerkt, en alles wat er in gaat… Juist.

Motiveren om zindelijk te worden

Dus langzaam maar zeker begonnen Steef en ik ons offensief uit te voeren. We begonnen met vriendelijk vragen: “zullen we eens proberen op de wc te plassen Fosse?” “Nee! Ik wil niet op de wc, ik blijf gewoon klein!”. Ik begon met benoemen van de voordelen: “als je straks op de wc plast, kun je alles gewoon zelf doen, dan blijven je billen ook gewoon schoon en stinkt het niet meer zo erg door die vieze luiers” “Maar ik ga toch niet op de wc plassen”. We haalden boekjes uit de bieb over zindelijk worden, op het potje gaan, op de wc plassen, etc. Hij vond er niks aan. In mijn wanhoop heb ik zelfs geprobeerd hem op te kopen: “als je het probeert dan krijg je een ijsje!” “Nee, ik hoef niet”. Ik begon, gevoed door eigen irritaties, met het benoemen van de nadelen (geen idee of dat pedagogisch verantwoord is, maar het gebeurde): “jemig Fosse, je past helemaal niet meer op het kussen, je bent veel te groot! Grote jongens gaan gewoon naar de wc. Straks op school kun je niet meer in een luier hoor! En het is zo vies… heel je billen onder de poep! Dat zit toch ook helemaal niet lekker!”, waarop veelal werd gereageerd met een pruillip en dito gezicht, waardoor ik me per direct weer een rot moeder voelde.

Reacties van anderen

Ondertussen kwam het onderwerp natuurlijk ook bij anderen ter sprake, die vaak verbaasd reageerden als ik uitlegde dat Fosse nog luiers droeg. En ik was er van overtuigd dat hij gewoon zindelijk kón zijn, als hij het maar probeerde, want ik kon de klok erop gelijk zetten wanneer hij naar de wc moest. Maar koppig als hij was, deed hij dit gewoon niet. Punt. Dus wanneer meneer ging spelen bij zijn vriendinnetje, ging er steevast een setje luiers en doekjes mee. Het zou hem een worst wezen volgens mij. Zo ook op de peuterspeelzaal. Vaak merk je bij kinderen onderling dat er iets van statusgevoel ontstaat wanneer er een paar zelfstandig naar de wc kunnen, wat vervolgens de motivatie bij andere kinderen vergroot om dat óók te kunnen. Bij Fosse dus niet. Die had er was anders op bedacht: hij ging gewoon niet.

Peuterspeelzaal

En niet zelden werd ik dan weer aangesproken door de leidsters die met een ernstig gezicht uitlegden dat het nu toch wel tijd werd om hem voor te bereiden op de basisschool, dat we nu toch echt moesten beginnen met zindelijkheidstraining. Fosse stond dan te zuchten en te dralen terwijl deze gesprekjes plaatsvonden, want het was alles behalve relevant voor hem, had hij bedacht. Want, zo hield Fosse de laatste weken voor de zomervakantie vol: “het duurt nog héél lang voor de school begint”. Alle tegenargumenten ten spijt.

Het omslagpunt

Ik zag het inmiddels somber in. Hoe moest dat nou straks, de leerkracht gaat echt zijn luier niet verschonen. Ik had al een doemscenario dat hij helemaal niet naar school zou kunnen. Totdat Fosse op een dag, ergens in juni, ineens besloten had op de wc te plassen. Het was kort nadat er wederom een gesprekje plaatsvond op de peuterspeelzaal tussen de leidster en mij. En ik vervolgens mijn moedeloosheid uitte naar onze nanny. Wat er precies is gebeurd, ik weet het niet, maar een wonder voltrok zich voor onze ogen: Fosse wilde naar de wc!? We begrepen er niks van. Het plassen was (wat ik al vermoedde) zó onder de knie, hij voelde natuurlijk allang aan wanneer hij moest.

Poepen op de wc

De grote boodschap vond hij spannender. Het letterlijk loslaten hiervan vond hij eng, wat veel kinderen in het begin hebben. Ik opende resoluut mijn grote trukendoos weer en begon met alle liefde met chanteren: “Fosse als het lukt dan gaan we meteen een autootje kopen!” riep ik half hysterisch terwijl hij vechtend tegen de aandrang zijn drol probeerde rechtsomkeert te laten maken. En dit keer won ik. De drol plonsde in de wc en ik zette een polonaise in, in mijn eentje, klappend en joelend van geluk, want ik wist: nu het één keer gelukt was, ging de rest ook lukken. Zoals beloofd trakteerde ik mijn zoontje van net geen 4 jaar op de mooiste hot wheels die hij kon vinden en stuurde ik, volledig opgaand in mijn manie, een foto van de inhoud van de wc door aan onze nanny. Het is ons gelukt! En wat was Fosse trots, nu hij merkte dat het hem lukte én zoveel voordeel opleverde. Sindsdien gaat het eigenlijk altijd goed. Wat een opluchting.

De nachten zijn een heel ander verhaal, waarover ik een andere keer zal schrijven.

Speelgoed, wat doe je ermee?

Speelgoed, wat doe je ermee?

Hoe voorkom je overspoelen door speelgoed? Vier tips.

 

“Toen ik nog zwanger was van Meia had ik, net als alle ouders, bepaalde voornemens voor het ouderschap. Zo vond ik speelgoed met ‘licht en geluid’ en van plastic maar schreeuwerige rommel die ik niet in mijn huis hoefde te hebben. Nu, zes jaar later, kijk ik om mij heen en zie een kakofonie aan kleuren en geluiden. Wat is er in die jaren mis gegaan? Is er eigenlijk wel iets misgegaan?”

 

Groot aanbod

Met speelgoed heb ik een beetje een haat-liefde verhouding opgebouwd door de jaren heen. Er is zoveel! En binnen dat ruime aanbod is het soms zoeken waar je goed aan doet. Waarop baseer je de keuzes van je speelgoed? En daarnaast: hoe werkt dat in de praktijk? Want je kunt zulke goede ideeën hebben, als het niet wordt uitgevoerd, loopt je hele ‘plan’ mis. Sowieso een dingetje hoor, ‘plannen’ met kinderen. Kun je beter niet doen geloof ik.

Gebrek aan bergruimte

We wonen in een huis met erg weinig bergruimte, dus was onze insteek: liever geen grote dingen, want die kunnen we toch niet kwijt. En drie keer raden wat er dan voor de verjaardag gegeven wordt: jawel, een kinderwagen en een mini-bakfiets. Tot zover het voornemen voor klein speelgoed. Het volgende streven was überhaupt niet te veel kopen. Hoofdreden was nog steeds de bergruimte, maar daarnaast waren we al snel lid geworden van de speel-o-theek (hierover een andere keer meer), waardoor we steeds (groot) speelgoed konden lenen én weer terugbrengen. Scheelde zeeën aan ruimte (en geld)!

Cadeaus

Maarja, opa’s, oma’s en Sinterklaas hebben hele andere voornemens kwamen we al snel achter. ‘Niet te veel’ werd krap geïnterpreteerd merkten we. Trots als zij zijn op hun kleinkroost, worden kosten noch moeite gespaard om hen in de watten te leggen. Met als gevolg dat we al na 1,5 jaar semi-noodgedwongen zes gigantische speelgoedkisten in elkaar timmerden om al het aangeschafte spul weg te werken. Om maar niet te spreken van de uitbouw die weer een paar jaar later volgde (oké oké die was heus niet voor al het speelgoed, maar toch).

Overspoeld

Die gigantische aanvoer van speelgoed had trouwens als gevolg dat er minder gespeeld werd. Ja echt. Door de overvloed aan speelgoed wordt er minder gespeeld. Niet zo gek ook trouwens, het werkt voor ons volwassenen net zo: als je in een overvolle kamer komt weet je ook niet meer waar je moet kijken en waar je moet beginnen. Zo werkte het bij onze kinderen ook.

Minder speelgoed = meer spelen

Dat merkte ik maar al te goed in de afgelopen vakantie, toen een ander kwartje viel. Ik zocht wat klein speelgoed uit voor tijdens de reis en tijdens de vakantie. Vanwege beperkte ruimte in de auto, moest ik selectief zijn. Dus een klein beetje playmobil, een paar auto’s en dat soort dingen. En wat bleek? Het beschikbare speelgoed, wat slechts een fractie was van alles thuis, werd intensief gebruikt. Er werd gespeeld! Dat was een eye-opener: teveel is een dood-doener.

Tips om je kind te laten spelen

En hoewel wij zelf weinig tot niets aanschaften, groeide onze spullenvoorraad en verbleekte de voornemens van eenvoudig, degelijk en kwalitatief speelgoed zonder al te veel poespas steeds meer naar de achtergrond. Om toch de kinderen tot spelen te laten komen, bedachten we wat trucs.

  1. Zeker bij de eerste jaren van onze kinderen, verstopten we na de verjaardagen en sinterklaas wat van het nieuwe speelgoed. Klinkt gemeen he? Maar gelukkig kunnen ze als ze zo klein zijn nog niet goed bijhouden wat ze precies hebben gekregen. We borgen daarom een deel op voor later. Zo bleef er op een later moment ook nog een moment van verrassing en ruimte voor nieuwe ervaringen, als we de cadeaus dan nogmaals gaven.
  2. In lijn op het voorgaande, borgen we sommig speelgoed uit het zicht op. We stopten ze hoog in hun kledingkast of in kastjes in hun kamer waar ze (expres) niet bij konden, zodat ze er om moesten vragen als ze het wilden hebben.
  3. Toen ik merkte dat onze kinderen écht niet meer speelden, maar alleen maar wat in de bakken rommelden en er van alles uithaalden zonder er naar te kijken, besloot ik dat er wat veranderd moest worden. We gingen naar ikea en kochten daar stapels opbergdozen in soorten en maten. Daarna volgde een weekend lang sorteren van al het speelgoed en deze op het neurotische af in elk hun eigen bakje stoppen. Op deze manier konden ze een bakje pakken met daarin één soort speelgoed, en hier vervolgens mee spelen. Dat klonk als een ideale situatie, maar ik merk dat hier nog wel haken en ogen aan zitten in de uitvoering (zie verderop).
  4. We wisselen speelgoed regelmatig: wat beneden staat verhuizen we naar boven, spullen uit de kast worden tijdelijk beneden gezet. Wat al een tijd niet wordt gebruikt, gaat de kast in. Zo prikkel je steeds opnieuw je kind. Voorwaarde is dan wel dat je je spullen netjes bij elkaar moet houden.

Verlanglijstjes

Het werken met lijstje.nl voor het aanmaken van de verlanglijstjes van je kinderen werkt praktisch en zorgt ervoor dat je dubbele cadeaus vermijdt en zelf een beetje kunt sturen in wat er wordt gegeven. Toch blijft dat lastig, omdat mensen soms hun eigen interpretatie op de spullen geven of van het lijstje afwijken.

Uit het speelgoed groeien

Dan heb je nog het probleem dat kinderen uit speelgoed groeien. Zo zit je na een jaar met een berg babyspeelgoed waar niet naar wordt omgekeken. En zo’n zes jaar lang had ik ideeën voor een soort speelgoedruilbeurs, maar dit komt tot op heden niet van de grond (meteen een stille oproep aan mensen die zich geroepen voelen dit even te organiseren!).

Wegdoen van speelgoed

Zo hakte ik afgelopen weekend, na drie keer mijn nek bijna te breken over rondslingerende poppetjes, balletjes en andere prullaria, een knoop door: weg ermee! Er wordt niet (meer) mee gespeeld, ligt alleen maar in de weg en zorgt voor irritaties en onnodige opruimtijd. Dus pakte ik een rol vuilniszakken en sorteerde al het babyspeelgoed dat we door de jaren heen hebben verzameld. In totaal drie vuilniszakken vol en wat losse dingen daarnaast stonden vervolgens klaar om weg te doen naar de kringloop.

Sorteren, uitzoeken, opruimen…

De volgende uitdaging ligt in het sorteren van al het overige speelgoed. Ligt het aan mijn kinderen? Er is een onverhuld talent voor in no-time alle sorteren bestaand speelgoed als een soort grote blender door elkaar te husselen en in tig verschillende opbergplekken te stoppen. Hoe vaak ik niet ochtenden lang potloden en stiften heb gesorteerd, stapels papier heb gemaakt en puzzels in de goede doos heb teruggestopt… om gek van te worden! En met iedere keer spraken we (uiteraard) af dat er nu wél goed op werd gelet, etc. etc. (je kent het wel). Maar tot op heden lijkt het niet te lukken.

Zorg dragen

Ik vind het belangrijk dat ze leren zorg te dragen voor hun spullen, maar het lijkt wel lastiger te worden naarmate er meer beschikbaar is. Het lijkt ze iets te geven in de trant van ‘iets kwijt? dan pak ik toch wat anders’ of ‘kapot? ik heb toch nog genoeg’. Een soort nonchalance, en dat irriteert me. Een les die ik van belang vind is namelijk dat je zuinig bent, dat je dankbaar bent voor wat je hebt. Gretigheid en inhaligheid en daarmee dus verwend gedrag zijn eigenschappen waarmee ik (en dus ook mijn kinderen) liever niet mee in verband word gebracht.

Overzicht houden

Met het vieren van Meia’s verjaardag voor de deur, was ‘plaatsmaken voor het nieuwe’ (jemig wat klinkt dat decadent!) een vereiste. Tijdens het uitzoeken en opruimen mijmerde ik over hoe ik het ooit voor me zag: kleine beetjes speelgoed, van goede kwaliteit, overzichtelijk, zodat het gepakt kan worden en weer opgeruimd zoals bedoeld. Ik besloot dat het nog niet te laat was. Wegdoen wat overbodig was, was stap 1. Ondertussen dacht ik aan de volgende stappen. Eén daarvan is grondig uitzoeken van het huidige speelgoed en deze weer sorteren. Want, zoals ik uit ervaring leerde: less is more! En wat er dan overblijft ga ik goed opbergen, zodat het overzicht blijft.

Spelkamer

Het speelgoed dat incompleet, stuk of ongebruikt is gaat weg. Of naar de kringloop of verkopen of weggeven, we zien wel. Ook kan ik een deel van het ongebruikte of ontgroeide speelgoed gebruiken voor de praktijk. Er komen immers dagelijks kinderen bij ons, soms in gezelschap van (jongere) broertjes en zusjes die soms zoet gehouden willen worden. En een van mijn dromen is ook een spelkamer in de praktijk, dus wie weet krijgt het speelgoed een nieuwe bestemming in die richting.

Activiteitenboek

En een laatste, ambitieuze stap die ik wil nemen is het maken van een soort activiteitenboek. Met foto’s van alle beschikbare spullen, spellen en speelgoed of andere activiteiten die gedaan kunnen worden. Op school werken ze met een planbord, en dat gaat naar mijn idee heel goed. Ik hoop met een activiteitenboek hetzelfde te kunnen bereiken: bewust kiezen voor een activiteit, deze afmaken en weer opruimen. Dat wordt nog een uitdaging, ik ben nog in de brainstormfase over de uitvoering hiervan, maar ik hou je op de hoogte.

 

Ontwikkelingsvoorsprong bij de oudste: het besef

Ontwikkelingsvoorsprong bij de oudste: het besef

Voorlopen in ontwikkeling

Toen Meia nog maar een baby was, merkte ik al vrij snel dat er een aantal dingen niet ‘volgens het boekje’ liepen. Meia was onze eerste en wij waren ook de eerste in de familie en onze vriendengroep, dus was vergelijkingsmateriaal niet direct voor handen. Maar ik voelde dat onze baby anders reageerde dan de meeste anderen.

En hoewel ik toen net een studie achter de rug had, voelde ik me alles behalve zeker in die eerste maanden. Zeker omdat je bepaalde verwachtingen hebt ten aanzien van baby’s en het ouderschap die dan niet kloppen met de werkelijkheid. Dat brengt je een beetje uit evenwicht.

Weinig slaapbehoefte

Een van de eerste dingen die opvielen was dat ze zo weinig sliep. Baby’s sliepen toch het merendeel van de dag? Ik begreep er niks van. Hoe deden andere ouders dat? Ik zat soms 1,5u mijn kind in slaap te wiegen, voordat ze eindelijk sliep. Redelijk uitgeput ging ik dan vervolgens naar beneden, op muizenvoeten, waar ze na krap 20 minuten alweer wakker was! Gek werd ik er van! Ik had echt het idee dat ze helemaal niet wilde slapen. In de kraamweek was de kraamverzorgster al zo verbaasd dat ze haar hoofdje al zo vaak zelf rechtop hield als ze op schoot zat of op haar buik lag. Ze is zeker sterk, dacht ik toen. Maar na een paar dagen kreeg ik het idee dat ze haar hoofdje doelbewust wilde gebruiken om om zich heen te kijken, tot ze niet meer kon.

Alles in zich opnemen

Sowieso zat ze het liefst rechtop op schoot, over onze schouders heen kijkend, grote opengesperde ogen. Ze vond alles mooi, maar nooit lang. Zolang je maar met haar rondliep, de dingen benoemde en aanwees, liedjes zong, gekke bekken trok of wat dan ook, was het goed. Het vergde nogal wat energie om haar tevreden te stellen, want dat was ze echt niet gauw. Het was alsof ze zich geen tijd gunde om te slapen, alsof ze niets wilde missen en alles in zich op wilde nemen. En het leek zelden genoeg.

Huilen uit boosheid en frustratie

Haar ontwikkeling verliep razendsnel. En dat besefte ik uiteindelijk pas toen onze tweede, Fosse werd geboren. Toen we met hem een babytijd ‘volgens het boekje’ doormaakten, werd het contrast met de babytijd van Meia met een schok duidelijk. Terwijl je bezig bent met het verwerven van je nieuwe rol als moeder, ouder, het wennen aan en leren kennen van je kind, merk je niet hoe de ontwikkeling anders verloopt van die van anderen. Althans, niet erg bewust. Op een meer onbewust niveau merkte ik wel dat we steeds tegen dingen aanliepen omdat je niet goed snapt waarom ze bijvoorbeeld zo vaak huilde, en dan vooral uit nijd of boosheid leek het wel.

Snelle motorische ontwikkeling

Want Meia was (en is) een meisje met temperament, met een kop erop zogezegd. Als zij iets wil, dan wil ze het nu, en wil ze het ook nu kunnen. En zo kwam het dat zij met 4 maanden door de woonkamer tijgerde, met 7 maanden langs de tafel liep, en met 9 maanden woordjes begon te zeggen. Ze leek zichzelf geen rust te gunnen, alsof ze geen tijd te verliezen had. Ik denk ook mede om die reden dat we regelmatig bij de huisartsenpost te vinden waren: Meia had zichzelf geleerd op de bank te klimmen, maar nog niet om er ook handig vanaf te komen, met de nodige ongelukjes van dien. Meia klom de trap op en wist op haar eerste verjaardag zichzelf in de draaistoel te hijsen en deze vervolgens te laten draaien. Val- en struikelpartijen lagen altijd op de loer, door al haar gekke toeren die ze uithaalde.

Temperamentvol

Steeds regelmatig kreeg ik vanuit de omgeving opmerkingen in de trant van “ze is wel vlot hoor”, “kan ze dat al?”, die lieten doorschemeren dat zij wellicht vlotter in haar ontwikkeling was. Maarja, bij zulke kleintjes kun je daar toch verder niks mee, dacht ik toen. En iedere keer hoopte en dacht ik: “als ze straks kan kruipen/lopen/praten/pakken/etc. dan zal ze wel tevreden zijn, dan zal haar frustratie weg zijn”. Maar dat was slechts van korte duur. Want zodra ze de ene kant op kon rollen, was ze boos dat ze niet meer terug kon rollen. Kon ze eindelijk dingen pakken, werd ze boos dat ze geen twee dingen beet kon houden of ergens niet bij kon. Kon ze tijgeren, zat ze steeds klem onder de tafel of kast. Kon ze lopen, ging het haar te traag en viel ze constant in haar hopeloze pogingen te rennen. Het was constant alsof haar hoofd een stap voorliep op haar lijf. Alsof ze begreep wat er in theorie mogelijk was, maar het nog niet helemaal kon uitvoeren. En het dreef haar (en ons) regelmatig tot wanhoop.

Zoeken van uitdaging

Het eerste jaar was al met al een pittig jaar. Weinig slapen, pas doorslapen met 8 maanden, overdag bij wijze van spreken een dagprogramma vol met entertainment willen hebben om tevreden te zijn (de box is bij ons toen nooit gebruikt, enkel als opslagplek voor alle zooi). Ik was benieuwd wat de jaren daarna zouden brengen. Toen ze goed kon lopen werd haar wereld wel groter, evenals haar zelfstandigheid en haar mogelijkheden. Het leek eindelijk wat rust te brengen. Maar ze zat nooit stil. Overal zocht ze de uitdaging in. Met 2 jaar was ik blij dat ze eindelijk naar de peuterspeelzaal kon, zodat ze misschien wat uitgedaagd kon worden. Maar dat was achteraf bezien wat ijdele hoop. Ook daar konden ze niet bieden wat ze wilde, en wij konden ook niet precies uitleggen wát ze nodig had, omdat we dat nog niet precies wisten.

Grenzen opzoeken

En wat er dan gebeurt is iets wonderlijks. Kinderen die uitdaging nodig hebben, zoeken die uitdaging, ongeacht op welk terrein. Het is als het ware een soort ontwikkelhonger die gestild moet worden. Als er geen gebied is om die uitdaging in te vinden, dan wordt het zoeken van de uitdaging verlegd op het terrein van de relatie. Dus gebeurde het dat Meia, met haar 2 jaar, op bijna manipulatieve wijze, de grenzen op zocht bij ons als ouders. Het was bikkelen, want ze leek geen gezag te accepteren en we begrepen er geen snars van. Hoe kon zo’n klein meisje nu zo’n ijzeren wil hebben en zo vastberaden zijn? Ik merkte dat het steeds botste als wij in de machtspositie belandden (zinloos, geloof me): dan was het hard tegen hard.

Machtsstrijd

Pas na talloze vruchteloze machtsstrijden viel bij mij het kwartje: ik moet er naast blijven staan, ze moet het gevoel hebben dat zij niet de mindere is, niet ondergeschikt, maar gelijkwaardig, dat zij als partner wordt behandeld. En dat was inderdaad het antwoord (Ja jongens, al ben je dus orthopedagoog, als moeder blijf je ook maar mens!). Toen we meer als ‘team’ gingen samenwerken, ik haar uitlegde waarom ik deed zoals ik deed, ik argumenten gaf voor de reden waarom ik dingen van haar verwachtte, kon ze de deze accepteren en zich er naar voegen. Maar zelfs dan, met nog geen 3 jaar oud, kon ze ook beslissen iets niet te doen, gewoon omdat ze de reden ervan niet overtuigend genoeg vond. En toegegeven, nog steeds zijn dat lastige momenten: want hoe krijg je soms voor elkaar wat je wilt, zonder in een machtsstrijd te verzanden?

Vaststellen van een voorsprong

Ik overlegde deze en veel andere zaken ook wel eens met mijn collega’s en bijvoorbeeld op het consultatiebureau. En steeds vaker begon ik te denken of ze misschien voorliep, dat ze daarom andere behoeftes had in haar ontwikkeling, dat we daarom soms niet op één lijn zaten. En toen ze op het consultatiebureau uiteindelijk ook zeiden dat het doen van een intelligentieonderzoek wellicht goed was, heb ik die stap uiteindelijk gezet. Met net 3 jaar heeft Meia het onderzoek gedaan, afgenomen door een collega. En hoewel je vermoedens hebt, is de uitslag toch even schrikken. Een voorsprong van 1-2 jaar op verschillende onderdelen. Dus toch.

Eindelijk rust?

Op die leeftijd kun en mag je nog niet spreken van hoogbegaafdheid, maar van een ontwikkelingsvoorsprong, vanwege de grilligheid in de ontwikkeling. Maar doordat we nu wisten dat we haar cognitieve vermogens op een ander niveau konden (ja zelfs moesten, eigenlijk) aanspreken, veranderde ons meisje zienderogen. Weg met de leeftijdsindicaties op alle spellen en speelgoed, maar afgaan op interesses. Ik kreeg dat jaar een museumkaart voor mijn verjaardag en sindsdien hebben we haar meegenomen naar musea. Er ging een wereld voor haar open. Ze vroeg de oren van onze hoofden en genoot van alles wat ze zag en hoorde. In de bibliotheek liet ik de peuterboeken links liggen, maar zocht ik voorleesboeken en boeken met specifieke onderwerpen. Ze verslond ze!

Vinger aan de pols voor de toekomst

En nu ze eindelijk de voeding kreeg die ze zo nodig had, klaarde ze op: er kwam rust, ze kon weer spelen, ging zich beter concentreren, was niet meer zo vluchtig. Toen ze daarnaast ook op peuter/kleutergym met bijna 3 jaar, kon ze ook haar motorische energie kwijt. Op de peuterspeelzaal werd materiaal uit de kleutergroepen gehaald om haar te prikkelen. En alle puzzelstukjes vielen steeds meer op hun plek: we snapten de onrust, de frustraties en de rappe ontwikkeling uit de babytijd nu ineens. En nu we wisten wat ze nodig had, konden we daarop inspelen. Vanuit mijn opleiding wist ik dat we waakzaam zouden moeten blijven, dat vinger aan de pols houden nodig bleef. Maar ik had vertrouwen in de toekomst en was benieuwd hoe ze zich verder zou ontwikkelen.

Ruimte nodig hebben voor je energie

Ruimte nodig hebben voor je energie

Ontwikkelingsdrang

Mijn dochter was 3 jaar, ik zie mezelf nog zitten: internet afstruinend naar een activiteit voor mijn beweegmonster. Ik voelde me een beetje alleen, en nog wel eens. Onze kinderen hebben Ruimte nodig. Met hoofdletters. Uiteindelijk vond ik een activiteit: peuter/kleutergym, eigenlijk vanaf ongeveer 4 jaar, maar Meia mocht gelukkig meedoen. Want wat had ze dat nodig. Het was zomervakantie, dus geen peuterspeelzaal of andere activiteiten om zich op te richten en we liepen zowat tegen de muren op. Vooral als het regende was het huis te klein. Figuurlijk, maar ook letterlijk!

Frustratie

Ik wist het al vanaf de babytijd. Altijd boos en gefrustreerd als ze iets wilde dat haar nog niet lukte. Wilde altijd nét meer dan ze op dat moment kon. En gillen dat ze dan deed! Stilzitten was er niet bij, slapen deed ze ook al liever niet. Altijd maar in de weer, in beweging, als een spons alles in zich opnemend. Niks willen missen van het leven, een tomeloze ontwikkelingsdrang. Echt baby is ze daarom voor mijn gevoel nooit geweest.

Altijd willen bewegen

Met 4 maanden tijgerde ze door de kamer, met 6 maanden kroop ze en met 7 maanden liep ze langs de tafel. Er was geen houden aan. En dat tempo hield ze vast, tot de dag van vandaag. Maar iedere keer was het zoeken geblazen: hoe sluit ik aan bij haar behoeften? Wat kan ik voor haar doen? Want ze leek niet snel tevreden, wilde bewégen, vrij zijn. Zodra ze vast werd gezet (maxi-cosi, kinderstoel, de fiets) zette ze het op een brullen. Ze voelde zich denk ik begrensd en vocht om vrij te komen.

Op vakantie naar Marokko, 3 uur vliegen. 11 maanden was ze op dat moment, toen ze op schoot vastgezet moest worden in de gordels. En we hadden pech, want er was turbulentie, dus moest ze nog langer in de gordels. Nou, de medepassagiers hebben het geweten: “ach heeft ze zo’n last van haar oren”. Nee hoor mevrouw, ze moet blijven zitten, dát is het probleem. Wij hadden trouwens wel last van onze oren. Door haar gekrijs.

Exploratiedrang

En zodra ze kon lopen werd de wereld om haar heen groter, net als voor elk ander kind. De mogelijkheden waren eindeloos, wat in de praktijk inhield dat ik kilometers heb gemaakt achter Meia aan, in haar exploratiedrang. Genieten, op het moment dat ik het toe kon staan en mijn eigen plannen kon laten varen. Frustrerend, op veel andere momenten, waarop ik op tijd ergens moest zijn of Fosse mijn zorg opeiste.

Wat was ik daarom blij dat ik de peutergym had gevonden! Een activiteit waarin ze haar energie kwijt kon, een moment voor zichzelf, en waarop ze tegelijk andere vaardigheden leerde. Op haar beurt wachten, rekening houden met anderen, je lijf leren beheersen. Om maar wat te noemen.

Naar buiten!

En voor de overige uren in de week was het zoeken geblazen. Naar buiten! Was het credo. Haar beweegdrang en energie dwong ons tot creativiteit in de vrije momenten. Veel wandelen, fietsen, naar de speeltuin, voetballen op het plein, zelf leren fietsen, buiten spelen met andere kinderen en nieuwe plekken ontdekken.

En Fosse groeide intussen op, motorisch ook vlot en vaardig, maar gelukkig geduldiger en zonder frustraties. Hij profiteerde mee van de uitjes die we als gezin ondernamen en groeide daarmee op met dezelfde waardering voor bewegen en buiten spelen.

Buiten spelen

Wat prijs ik ons gelukkig met onze kindvriendelijke wijk, met een binnenplein waar de kinderen naar hartenlust veilig kunnen spelen. Ik realiseer me dat dit lang niet meer vanzelfsprekend is tegenwoordig. Zeker nu ik zelf de passie voor het sporten en bewegen weer heb hervonden, besef ik des te meer hoe belangrijk het is om te bewegen en je lijf te gebruiken. Het maakt je gelukkig, wakker, alert. Ik zou niet meer zonder kunnen.

Maar wat mijn kinderen aangaat, lijken zij soms anders in hun behoefte aan ruimte dan andere kinderen. Neem ze mee naar een restaurant (nou eigenlijk moet je dat bij voorbaat al niet willen trouwens), en ze zijn binnen 30 seconden op onderzoek uit, om zo nu en dan weer eens aan te schuiven om een stuk pannenkoek naar binnen te duwen, om vervolgens zo vlug mogelijk weer van tafel te gaan.

Niet vast willen zitten

En nu, met onze derde, merk ik veel gelijkenissen met Meia. Gelukkig heeft Signe ook niet dezelfde frustraties, maar wel dezelfde motorische ontwikkeldrang. Stilzitten is een no-go. Dagelijks houden we ons hart vast als ze op de stoelen klimt en triomfantelijk los gaat staan, als ze zichzelf op de bank laat vallen, als ze in een mum van tijd weer halverwege de trap is geklommen.

Nu ze aan het lopen is geslagen, breekt ook voor haar de tijd aan van ‘er achter aan lopen’. De grootste frustraties voor haar op dit moment zijn vastgezet worden in de auto, in de bakfiets, in de kinderwagen en in de kinderstoel. Vanmorgen kreeg ze het zelfs voor elkaar om voorover uit haar ledikant te kukelen, omdat ze achter haar broer aan wilde gaan.

Energie doseren

Gelukkig heb ik inmiddels de nodige ervaring (inclusief bezoekjes aan huisartsenposten) en weet ik dat de mogelijkheden toenemen als ze wat ouder worden (denk aan sport, buiten spelen met vriendjes, gym). Zo zit Meia nu op zwemles en turnt ze, waar ze haar energie gedoseerd in kwijt kan. Dat brengt rust op de andere momenten. Dat vooruitzicht voor de andere twee maakt een hoop goed. Wie weet breekt er ooit een moment aan dat we met zijn allen aan tafel blijven zitten als we uit eten gaan!

 

De afweging: wel of niet naar de peuterspeelzaal?

De afweging: wel of niet naar de peuterspeelzaal?

Waarom ik mijn derde kind thuis houd

Al eerder schreef ik over het afscheid van mijn middelste van de peuterspeelzaal. Toen mijn oudste nog naar de speelzaal ging, was dit op een andere locatie en met een iets ander beleid. Er was toen nog volledige vergoeding voor de twee ochtendjes die zij per week ging. Dit maakte de drempel voor mij laag om haar hier naartoe te laten gaan, zodat ik die uurtjes even mijn handen vrij had. Maar al vrij snel kwamen de bezuinigingen in het onderwijs, de zorg en ook de voorschool.

Is de speelzaal het geld waard?

In tegenstelling tot de basisschool, waar ik per jaar maar zo’n €75 betaal, moest ik voor die ‘luttele’ twee ochtendjes per week ineens per maand een flinke smak geld betalen! Dat maakte mijn houding ineens een stuk kritischer: was het dat geld wel waard? Tsja, je blijft tenslotte Hollander. Bovendien had ik een dure studie naast mijn werk, waardoor ik goed moest nadenken over de verschillende uitgaven.

Gastouder versus peuterspeelzaal

Maar Fosse had er zin in, en ik vond het ‘oneerlijk’ om Meia wel naar de voorschool te laten gaan en Fosse niet. Dus toen Meia op de basisschool begon, startte Fosse tegelijkertijd op de peuterspeelzaal. Maar al snel groeide bij mij wat twijfels. We hadden toen nog een gastouder waar de kinderen 2 dagen per week naartoe gingen. In feite deed zij dezelfde dingen, en oefende Fosse daar ook in het omgaan met andere kindjes. Toen Fosse 3 jaar werd, kregen we zelfs opvang aan huis (een nanny! hierover later meer :)), waardoor het nog meer dubbelop ging voelen.

Observaties op de peuterspeelzaal

Hoewel Fosse het wel naar zijn zin had, kreeg ik van de speelzaal weinig tot niets te horen over de voortgang. Nadat hij er inmiddels een jaar naartoe ging, vroeg ik of er nog iets van een observatie of gesprek zou komen. De leidsters planden een observatie in en ik kreeg de boekjes daarna mee naar huis. En toen ik die las, besloot ik: Signe hoeft van mij niet naar de peuterspeelzaal. In de boekjes werd namelijk een ander beeld geschetst van Fosse dan hoe wij hem kenden. Blijkbaar ervaren zij hem anders (dat kan natuurlijk) en ik was benieuwd hoe dit kwam. Dus vroeg ik een gesprekje aan.

Ouders betrekken

Met de leidsters had ik leuk contact, maar ze vertelden inhoudelijk weinig, waardoor ik dus verrast was door de observatie. Dit vond ik een teleurstelling: ik ben van mening dat je het contact met ouders warm moet houden, de lijntjes kort, met snelle terugkoppeling van observaties. Of ouders hier nu om vragen of niet. Maar al te vaak geven ouders van mijn cliënten aan hoe belangrijk zij het vinden om betrokken te worden bij de behandeling van hun kind. Naar mijn mening is dat in dit soort situaties niet anders.

Tegenzin voor de speelzaal

Ik gaf in het gesprek aan hoe ik Fosse thuis kende, hoe andere ouders hem kenden, en hoe dit verschilde van hun ervaringen. Waar zij relatieve ‘achterstanden’ constateerden (hij praatte onduidelijk, was roekeloos in de motoriek), stelden anderen geen problemen vast (op advies van de speelzaal bij fysiotherapeut geweest bijvoorbeeld).

Tegelijkertijd merkte ik dat Fosse steeds meer tegenzin begon te ontwikkelen in het naar de speelzaal gaan. Steeds meer vriendjes en vriendinnetjes werden 4 jaar en verhuisden naar de basisschool. Alle puzzels en spelletjes waren intussen wel gespeeld had ik het idee, steeds vaker bleef hij om mij heen drentelen. En het feit dat ik Signe uit haar slaap verstoorde om Fosse die dagen te brengen en halen, hielp bij mij ook niet mee.

Waardevolle vaardigheden

Zo kwam ik tot het besluit om Signe thuis te halen. Na 2 kinderen heb ik gezien wat de speelzaal kan bieden. Ik vind het heel waardevol dat er wordt gewerkt aan vaardigheden als op je stoeltje blijven zitten, op je beurt wachten, samen delen, zingen, etc. Maar nu met onze nanny ben ik ervan overtuigd dat zij hetzelfde en méér kan bieden, zonder die maandelijkse kosten en het wekelijkse heen-en-weer-gesjouw-met-kinderen.

Twijfels

Toch vind ik het ook wel spannend: hoe zal Signe het straks vinden als ze dan de stap maakt naar de basisschool? Zal ze moeite krijgen met afscheid nemen? Doe ik haar tekort door haar thuis te houden? Kan ze wel voldoende sociale vaardigheden oefenen als ze alleen maar thuis is en niet in de groep functioneert? We zullen het zien, de komende jaren.