Archief van
Categorie: ontwikkeling

Met welk speelgoed speelt je kind nu vooral?

Met welk speelgoed speelt je kind nu vooral?

De Vraag van Vrijdag!

Ja, je hebt hem inmiddels misschien wel voorbij zien komen: de vraag van vrijdag. Ontstaan door verschillende ideeën. Zo wilde ik wat meer interactie op de Facebookpagina én ook graag van jullie horen wat bij jullie speelt. Zo heb ik ook meteen meer input voor toekomstige blogs, want ik vind het belangrijk en leuk om bij jullie aan te sluiten. Ook was ik geïnspireerd door één van mijn dagboekjes: elke dag een vraag voor moeders van Pauline Oud.

Invulboeken

Nu ben ik sowieso fan van haar hele serie invulboeken, en sinds een paar jaar bestaat er ook een 5 jaren dagboek variant van. Met elke dag een vraag, gerelateerd aan ouderschap of opvoeden. Erg leuk, en het prikkelt om over de verschillende onderwerpen na te denken. Met die combinatie bedacht ik de Vraag van Vrijdag. Elke week een spontane vraag om een onderwerp even op de kaart te zetten. Of laagdrempelig te filosoferen over verschillende zaken.

Waar speelt je kind vooral mee?

De eerste vraag ging over speelgoed. De Vraag van Vrijdag ontstond ook op die vrijdag, toen ik met vriendinnen een gesprekje voerde over dit onderwerp. Dat werd dus de eerste vraag van vrijdag. En wat leuk, al die verschillende antwoorden. Met direct hier en daar wat twijfelachtige opmerkingen: ‘is dat wel speelgoed?’. Leuk. Dit vraagt dus om wat meer uitwerking.

Universele spelontwikkeling

Ik vind de spelontwikkeling van kinderen een fascinerende ontwikkeling. Overal ter wereld spelen kinderen. Als er geen speelgoed tot hun beschikking is, wordt er gebruikt wat er maar voorhanden is: takjes, zand, water, steentjes, afval… Het is bijzonder om te zien hoe alle kinderen ter wereld een soortgelijke ontwikkeling doormaken op dit gebied, los van de hele cultuur. Natuurlijk zijn er culturele invloeden, maar er is wel een zekere basis, een soort oerinstinct die ons drijft om die essentiële vaardigheden op te doen via spel.

Voorbereiding op de toekomst

Want dat is het. Spelen van kinderen is broodnodig om zich te ontwikkelen. In spel worden vrijwel álle vaardigheden die nodig zijn om goed te functioneren geoefend en aangescherpt. Daarin zijn vormen van spel die meer of minder de voorkeur hebben, al naargelang de unieke ontwikkelingsbehoeften van je kind.

Spelcomputers

Zo is er de hele discussie over beeldschermen. Over computerspelletjes. Is dat speelgoed? Ja, het is speelgoed, in die zin dat het bedoeld is om ermee te spelen, je mee te vermaken, toegespitst op de interesses van kinderen. Is het ook goed voor je? Dat is een andere discussie. Met sommige computerspellen train je je werkgeheugen of oefen je rekenvaardigheden. Tegelijkertijd zit je kind heel stil en dat is ongezond, om niet te zeggen onnatuurlijk bij de beweegbehoefte van kinderen.

Buitenspeelgoed

Is buitenspeelgoed ook speelgoed? Natuurlijk. Het stimuleert het bewegen, de fijne en grove motoriek en wellicht ook samenspel. Maar het doet minder een beroep op de creatieve kant. Daar leent knutselspeelgoed zich weer voor. Of tekenmateriaal. Of klei. En met die laatste val je weer in de categorie van het sensopatisch spel. Daar hoort bijvoorbeeld ook vingerverf, spelen met zand, water, brooddeeg of scheerschuim bij. Hiermee geeft je belangrijke zintuiglijke ervaringen die nodig zijn voor een goed zelfgevoel, voor het leren gebruiken van je lijf en aanvoelen van lichamelijke sensaties.

Wat is speelgoed?

In feite kan al het materiaal als speelgoed gezien worden. Toen wij moesten verhuizen, moest ik kiezen wat we meenamen en wat er in de opslag moest. Er was simpelweg niet genoeg plek voor al het materiaal. Ik koos voor klein materiaal (vanwege de ruimte), voor fantasiemateriaal (playmobil, poppen) en constructief speelgoed (lego, kapla). En wat teken- en knutselmateriaal. Feit is, mijn kinderen spelen hier maar weinig mee. Waar spelen ze mee? Wat doen ze de hele dag? Zodra ze wakker zijn hoor ik eigenlijk: ‘en toen was jij de vader, en ik was het kindje, en we gingen op vakantie, en…’.

Rollenspellen

Rollenspellen. Een hele belangrijke ontwikkeling binnen de fantasieontwikkeling, die bijvoorbeeld heel erg hard nodig is voor de ontwikkeling van sociale vaardigheden, sociaal inzicht en empathie. Hierin oefenen ze hun ‘rollen’, wat ze straks, in het latere leven willen doen en kunnen. En tegelijkertijd biedt het een uitlaatklep voor de verwerking van alledag. Niet zelden hoor je jezelf terug in wat je kind zegt als het de rol van vader of moeder heeft aangenomen.

Doen alsof spel

Signe is nog niet zover. Zij zit al wel met haar eerste stapjes in de fantasieontwikkeling, die begint met doen alsof spel. Dus gaat ze ‘schoonmaken’, ‘vegen’, haren kammen en alles wat ze anderen maar ziet doen. Ze doet werkelijk alles na, tot soms grote schrik of ergernis van ons. Zo moest ik vanmorgen ook de nagellak uit haar handen trekken, want ze was op de stoel geklommen die ze naar de kast had geschoven om zelf haar nagels te gaan lakken.

Buiten spelen

Wat doen ze nog meer? Buiten spelen, gelukkig! Een vorm van spel die zeker vandaag de dag veel te weinig wordt gedaan. Met buiten spelen vang je heel veel vliegen in één klap: er wordt samengespeeld, bewogen, ideeën verzonnen, motoriek geoefend, rollenspellen gedaan, grenzen opgezocht en verlegd en daarmee zelfvertrouwen opgedaan. Niet voor niets is het verplichte kost op school, en meer naarmate kinderen jonger zijn. Door hun beweegbehoefte is het gewoon noodzakelijk dat zij lekker naar buiten gaan.

Wat herken jij?

Ik ben benieuwd wat jullie herkennen in de spelontwikkeling van je kind. Soms denk ik wel eens: we hadden al dat speelgoed niet nodig gehad. Er valt nog een heleboel meer over te schrijven. Dat houden jullie nog van mij tegoed. Nu lonkt de zon, dus gaan we naar buiten!

Trainen in de turnselectie

Trainen in de turnselectie

Starten in de RTT turnselectie

Na ruim 2 jaar bij de Kweekvijver kregen we voor de zomervakantie in een eindgesprekje een advies voor Meia. Al eerder schreef ik over het turnen van Meia, waarmee ze al jong is begonnen. Ik had beloofd hier een vervolg aan te geven. Al sinds Meia 3 jaar is gaat zij met veel plezier naar gym. Was het in eerste instantie nog peutergym, inmiddels sluit zij straks aan bij het ‘echte’ turnen: ze mag meedoen met de RTT.

Einde van de kweekvijver

‘Huh!?’ Hoor ik je denken. Ja, ik heb ook maar vriendelijk geglimlacht toen dat werd uitgesproken, want ik heb geen kaas gegeten van die hele turnwereld, laat staan dat ik wist waar ze het over had. Gelukkig legt de trainster het nog eens geduldig uit: het Rayon Turn Toernooi (zei me nog niks, trouwens). In simpele taal: dit is de selectie binnen een vereniging, waarin ze een paar wedstrijdjes per jaar doen, op regionaal niveau.

Gelukkig geen topsport

Ah, dat was een opluchting. Natuurlijk had ik ook wel ingeschat dat Meia niet de nieuwe Sanne Wevers was, maar het is toch wel prettig als wordt bevestigd dat het geen toptalent is. Ja, je leest het goed, ik ben opgelucht dat ze dat niet is. Want dan kwamen we toch wel voor hele ingewikkelde keuzes te staan met ver reikende gevolgen. Hele dagen trainen, op jonge leeftijd al prestatiegericht opgevoed worden, de keuze maken voor sport in plaats van afspreken met vriendjes en vriendinnetjes… ik ben blij dat wij niet voor die keuzes staan, omdat ik niet zou weten of ik er goed aan zou doen. Of Meia me er later dankbaar voor zou zijn, of dat ze het gevoel zou hebben dingen te hebben gemist.

Sporten binnen de vereniging

Afijn, ik dwaal af. Gelukkig doet onze dochter straks ‘gewoon’ de selectie. Gezellig, met een cluppie andere meiden en bij haar oude vereniging. Daar is ze inmiddels ruim 2 jaar weg, dus ze zal wel weer even haar plekje moeten vinden. Gelukkig verhuizen er een paar andere meisjes mee naar de vereniging.

Andere weekplanning

Onze week zal er ook anders uit gaan zien. Ik ben best wel blij dat Meia nu wat minder gaat trainen. Hoewel het nog steeds 2 keer per week is, is er nu 2,5u per week, in plaats van 4 uur. Ik hoop dat daarmee wat meer tijd komt voor andere bezigheden. Gewoon, lekker afspreken of wat meer thuis aanrommelen. Wat relaxter.

Samenwerken

Het is ook leuk dat ze straks echt gaan leren hoe ze bepaalde oefeningen gaan uitvoeren. En hoewel turnen vrij individueel is (je voert de oefeningen tenslotte in je eentje uit), is het tegelijkertijd heel sociaal: je probeert als team gezamenlijk de meeste punten te halen op een wedstrijd. Dat waardeer ik aan deze sport. Het haalt de druk van het individuele presteren er een beetje af, en legt het accent op samen presteren. Kan voor Meia zeker geen kwaad.

Ouder-kind gym

Ik grapte een tijd terug al tegen de trainster van de Kweekvijver dat onze jongste telg binnenkort wel zou volgen. Om de daad bij het woord te voegen: binnenkort zal ik inderdaad starten met ouder-kind gym nu ze 2 jaar is. Ik kan niet wachten. Het lijkt me heerlijk om haar lekker te laten bewegen en energie kwijt te raken, en om dat samen te delen.

 

 

Fietsenrekje

Fietsenrekje

Melktandjes wisselen

Met 5 jaar was het zover: Meia had haar eerste wiebeltand. In eerste instantie dacht ik nog: ‘neejoh, dat heb je vast gezien bij anderen, en nu wil je het ook’. Maar na even voelen bleek het toch écht zo te zijn. Vol spanning volgden we met het gezin het proces van de steeds losser zittende tand.

Nieuwe fase

Toen het eenmaal zover was: de dag dat de tand er uit zou gaan, had ik gewoon kriebels in mijn buik! Het is toch iets fascinerends. Eerst wacht je vol spanning af tot je baby’s eerste tandje doorkomt, en een paar jaar later sta je samen te juichen als dezelfde tand er dan uiteindelijk uitgaat. Het is een hele concrete markering van een nieuwe fase, en een duidelijk afscheid van een vorige fase.

Dag baby en peutertijd!

De baby en peutertijd zijn voorgoed voorbij. Het babyspek is er inmiddels afgerend, je kind kan zich volledig verstaanbaar maken en ineens moet je nieuwe kleren aanschaffen omdat ze zijn versleten, in plaats van eruit gegroeid. Mijn kind is een schoolkind geworden en zal nooit meer zo klein zijn.

Grote mensen tand

Het was een grappig gezicht, het jonge bekkie met een gat in haar mond. Het werd nog veel gekker toen haar grote mensentand doorkwam. Een soort groteske, veels te grote tand die zich onvermurwbaar een weg zocht tussen de kleine kaboutertandjes.

Kleine meisjes worden groot

Vervolgens bleef het lange tijd stil. Deze ene tand leek een vroege aankondiging van wat komen zou, waarna de storm weer was gaan liggen. Een soort waarschuwing: ‘bereid je maar vast voor. Kleine meisjes worden groot, en het gebeurt nu’. Het duurde ongeveer een jaar, voor eindelijk de tweede tand begon te wiebelen en ook deze het veld moest ruimen voor zijn tweelingbroer, die zijn weg omhoog baande vanuit zijn verstopplek.

Fietsenrek

Inmiddels is het hek van de dam. Alsof met de tweede tand het definitieve startsein is gegeven, is Meia in een maand tijd inmiddels 4 tanden kwijt. Het is een absurd gezicht. De maaltijden vormen soms een uitdaging: dan weer met links eten, dan weer rechts kauwen. Maar iedere keer is het toch een klein feestje en worden er grote ogen opgezet als er een kleine tand uit is. Het fietsenrek en wisseltijdperk is in volle gang actief.

Wiebeltand

Ook Fosse sluit zich aan bij deze manie: zijn eerste wiebeltand is ook een feit. Met wisselend ontzag en afschuw  volgt hij de tandenwiebel-, draai- en trekpraktijken van zijn grote zus, als een voorbode van wat hem te wachten staat. We volgen de ontwikkelingen vol spanning en blijdschap met ze mee.

Melktandjes

Maar ook een beetje met weemoed. Zodra de melktandjes plaats hebben gemaakt voor de echte tanden, hebben zij ineens een heel ander gezicht. Wijs, groot. Het melkgebit gaf ze toch een zeker onschuld, een aaibaarheidsfactor, die we zullen missen. Ik ga nog maar flink wat foto’s maken van de jongste twee, zolang zij hun melktandjes nog hebben denk ik.

Aan de slag met de plaswekker

Aan de slag met de plaswekker

Zindelijk worden in de nachten

Nog steeds is er sinds het schrijven van mijn eerdere artikel geen verschil te merken in de zindelijkheid ’s nachts bij onze kinderen. Nouja, Fosse heeft trouwens wel een paar keer achter elkaar een droge luier gehad. Maar bij Meia gaf het weinig hoop. Omdat ons intussen wel duidelijk was geworden dat er vanzelf niet direct iets zou veranderen, begonnen we serieus na te denken over een plaswekker.

Geen goed startmoment

In eerste instantie wilde ik hier nog mee wachten. We hebben een hele onrustige periode achter de rug, met de verhuizing naar de flat, onze nanny met zwangerschapsverlof, de poes die dood ging, de auto die de deur uit moest en onrust op het werk bij zowel Steef als bij mij. Het leek ons geen ideaal moment om met de plaswekker aan de slag te gaan. Maar intussen zitten we al een tijdje in de tijdelijke huurwoning en duurt het (helaas) nog een poos voor we de overstap maken naar ons uiteindelijke doel.

Tijd om te oefenen

We hebben ons droomhuis inmiddels gekocht, maar het verkeert – zachtjes uitgedrukt – nog niet in de staat zoals we die wensen (of überhaupt bewoonbaar is). Reden te meer om toch maar van de gelegenheid gebruik te maken om te zien of we stappen kunnen maken in het zindelijk maken van de kinderen in de nacht. Dus bestelde ik een plaswekker.

Plaswekker vaak vergoed

Toen we, vanwege iets anders kleins, toch al bij de huisarts waren, informeerden we daarom direct naar de werkwijze hierin. Via de zorgverzekering kun je informatie opvragen of een plaswekker gedeeltelijk of geheel wordt vergoed. Wij hadden geluk: een groot bedrag van de prijzige plaswekker met toebehoren werd vergoed. We kozen voor Rodger. Een modern systeem met een draadloze wekker en meerdere geluiden voor de wekker.

Plaswekker bij late zindelijkheid

Een plaswekker is een methode die ik veel aanraad voor mijn eigen cliënten bij wie de zindelijkheid maar niet vanzelf lukt. Ik raad het aan als een kind nog nooit eerder zindelijk is geweest. Als een kind een terugval heeft en ineens weer begint met bedplassen, is er vaak een andere oorzaak en is een plaswekker niet de juiste keuze om het probleem aan te pakken.

Wakker worden

Met een plaswekker leert je kind om wakker te worden bij de eerste plasdruppels. Zodra je kind begint te plassen, gaat er een weinig subtiel alarm af. In ons geval variërend van sirene geluiden tot een heus luchtalarm. En, voor de vaste slapers zoals de onze: je kunt hem súperhard zetten. Omdat ik meteen in één klap het probleem wilde aanpakken, heb ik direct grof geschut in huis gehaald. De plaswekker heb ik daarom gepimpt met een ware ‘pillow shaker’, een soort vibrator voor onder je kussen dus.

Luisteren naar je lichaam

Het werkt zo: je kind slaapt vast en merkt niet dat het aan het plassen is, om vervolgens weer door te slapen. Of misschien wordt het pas een uur later wakker in zijn inmiddels koude plas. met een plaswekker draagt je kind een speciale onderbroek met een zender en sensoren die direct merken wanneer er urine in het broekje komt. Bij de eerste druppels gaat het alarm af, waardoor je kind in een reflex stopt met plassen. Je kind legt na een aantal dagen, weken of maanden uiteindelijk de associatie dat het wakker moet worden bij de aandrang om te plassen. De plaswekker leert dus om zelfs in je onbewuste alert te blijven op lichamelijke signalen en je sluitspier te trainen.

Zelf oefenen van gewenst gedrag

Zodra de wekker af gaat, moet je kind de wekker zelf uitzetten. Het oefent daarmee direct dat het goed wakker is om te gaan plassen. Vervolgens gaat je kind naar de wc om daar te plassen. Hierdoor traint je kind ook het gewenste gedrag: op de wc plassen bij aandrang in de nacht. Daarna wordt de wekker weer aangezet en slaapt je kind verder. In ons geval zit er nog een stap tussen, merken we in de praktijk na een paar dagen: een schone onderbroek aantrekken en een droge handdoek (of matrasbeschermer) neerleggen, omdat het toch vooralsnog net iets meer dan een paar druppels zijn.

Gemotiveerd

Meia vond het erg spannend om met de plaswekker te beginnen. Ze zet echt haar tanden erin om het voor elkaar te krijgen en is heel gemotiveerd. Het was voor haar een opluchting dat ze eindelijk geen luier meer om hoefde. Dus begonnen we vol goede moed met de eerste nacht. Na meerdere demonstraties en checks of ze wist wat ze moest doen ging ze slapen. Ik was erg benieuwd hoe laat de wekker zou gaan. Rond 23.00u was het dan zover: en zoals het onze taaie doorzetter betaamt, zat ze al rechtop en had het alarm al uitgeschakeld voor wij binnen waren.

De eerste veranderingen

Intussen zijn we bijna drie weken verder en is er veel verandert. In de eerste week was er nog geen droge nacht , maar ging Meia al wel vaker uit zichzelf naar de wc om te plassen, en was zij 1x van 21u tot ’s ochtends 7u droog. Ze merkte die eerste week al dat ze ’s ochtends meer moest plassen dan voorheen. In de tweede week al was daar de eerste droge nacht, en inmiddels zijn dat er al ruim 6 achter elkaar. Het lijkt er op dat de plaswekker het laatste zetje heeft gegeven en dat we nu eindelijk richting de nachtzindelijkheid gaan. Geduld is een schone zaak, en dat gezegde gaat zeker op voor een zindelijkheidstraining. Maar het geeft hoop en energie om er mee bezig te zijn, dus gaan we gemotiveerd door.

 

Ruzies tussen kinderen

Ruzies tussen kinderen

Waarom kinderen ruzie maken

Door jullie gekozen als volgende blogonderwerp: ruzies tussen kinderen. En dan heb ik het even niet over broertjes en zusjes, want die ruzies zijn onvermijdelijk en bovendien noodzakelijk. Maar leeftijdsgenootjes onderling maken ook héél wat ruzie met elkaar. Heel normaal. Even een robbetje vechten of lik op stuk geven. Maar in onze huidige maatschappij is ruzie tussen kinderen iets wat soms niet lijkt te mogen bestaan. Iets wat zo snel mogelijk moet worden opgelost of weggemaakt.

Wat doe je er aan?

Toen wij nog in het hof woonden, had ik er, tot mijn eigen irritatie, helaas regelmatig mee te maken. Ik zag kinderen uit de buurt en mijn eigen kinderen elkaar achterna zitten, uitschelden of elkaars spullen afpakken. Het is een lastige kwestie voor ons als ouders: je wilt niet dat je kind een ander slaat, pijn doet, uitscheldt, buiten sluit of op een andere manier kwetst. Toch lijkt het aan de andere kant soms onvermijdelijk.

Boos en overstuur

Als een meute kinderen mijn kind belaagden, de fiets afpakte of het stoepkrijt in de put propte, dan is het niet meer dan logisch dat mijn kinderen boos werden. Woedend zelfs. En dat zij overgingen in hetzelfde gedrag: vergelding. Maar in de meeste gevallen raakten zij overstuur en kwamen huilend thuis, zich geen raad wetend met de situatie.

Levenslessen

Hoe vervelend sommig gedrag tussen kinderen ook is, en hoe moeilijk het is om aan te zien: het zijn belangrijke lessen. Als mijn kinderen nu van school thuis komen met verhalen van scheld- of schoppartijen door andere kinderen, dan vreet ik me soms op. Maarja, ik ben er niet bij en kan er nu niks meer aan doen. Het enige dat je als ouders nog kunt doen is lering trekken uit deze situaties, en je kind wapenen tegen volgende situaties. Want die komen er, hoe oud ze ook zullen zijn.

Op je handen zitten

Dus zit ik soms op mijn handen terwijl ik uit het raam kijk hoe er tussen buurtkinderen een duel wordt gestreden. Om te zien of mijn kinderen in staat zijn tot redelijke oplossingen, zoals aangeven dat ze het vervelend vinden (‘stop daarmee’, ‘ik heb er last van!’), negeren (stoïcijns blijven door krijten) of uit de situatie gaan (‘kom we gaan ergens anders spelen’). In de hoop dat onze gesprekjes over de voorvallen hebben geholpen.

Waarom kinderen ruzie maken

Kinderen maken ruzie met elkaar. Dat is altijd al zo geweest en zal altijd zo blijven. Het is vaak nog steeds de wet van de sterkste die geldt. In het ruzie maken of ruzie zoeken zitten veel verschillende drijfveren. Mensen zijn sociale wezens en willen contact. Maar dit leggen van contact moet wel geleerd worden, door voorbeelden. Kinderen leren snel van ons en van elkaar. Ze zien waarmee andere kinderen succes hebben.

Macht

Voorbeeld: als een dominant kind een step wil hebben van een ander, kan hij die ander eraf duwen en de step opeisen. Dat geeft een gevoel van macht. Andere kinderen zullen uit angst sneller gehoorzamen aan dit kind. Als dit gedrag niet wordt doorbroken en niet ter discussie wordt gesteld, is het niet meer dan logisch dat het kind zo blijft doen. Hij krijgt immers zijn zin en niemand zegt er iets van, toch?

Sociale vaardigheden

Ander voorbeeld: een kind wil eigenlijk heel graag meespelen met andere kinderen, maar heeft nooit goed geleerd hoe hij dit moet aanpakken. Thuis is het een losgeslagen zootje tussen de broertjes en zusjes en helaas voelen ouders zich niet sterk genoeg om hier op in te spelen. De enige manier waarop ze nog overwicht hebben is door te straffen en af en toe wat tikken uit te delen. Dit kind rent op een middag de straat op als hij andere kinderen verstoppertje ziet spelen en gilt vervolgens waar iedereen zit naar de zoeker. De andere kinderen balen en worden boos, waarna het jongetje begint te schelden en spugen.

Stapjes in de goede richting

Het maken van ruzie kan dus verschillende oorzaken hebben, maar gebeurt meestal omdat kinderen onderling hun positie ten opzichte van elkaar willen ontdekken en veilig stellen. Kinderen zijn daarin puur, ze hebben nog weinig rem, en geven daarmee een indruk wat er tussen ons als volwassenen zou gebeuren als wij ons niet aan de sociale regels zouden houden. Uiteindelijk is het wel zo prettig als onze kinderen, op termijn, op redelijke wijze met elkaar kunnen omgaan. Ruzie maken met anderen zijn de trainingen op weg naar de einddoel. Zie het niet als tegenslagen, maar als weer een stapje richting de groei, als weer een lesje voor je kind.

Nabespreken van de situatie

Een les dus. Dan wil je ze wel wat leren. Maar je kind leert pas, als het voor hém relevant is. Dus preken heeft weinig zin. Wat ik bespreek na zo’n voorval? Wat ik vooral belangrijk vindt is dat ze mogen vertellen wat er gebeurde, zodat ze het volgens hun eigen interpretatie kunnen vertellen. Zonder te moraliseren of beoordelen (dus niet: ‘ja maar als jij zo doet, dan is het logisch dat…’). Ik benoem hun gevoel, beaam dat ze bijvoorbeeld van streek of boos zijn (‘ja dat is ook heel naar schat, ik snap dat je daar verdrietig van word’). Samen verwonder ik me over het gedrag van de verschillende kinderen (‘hoe zou het komen dat hij zo doet’) en probeer ook perspectief te bieden, in de hoop dat er begrip voor de ander kan worden opgebracht, hoe lastig dat ook is.

Begrijpen

Zoals ik eerder beschreef in de voorbeelden: dat kinderen ruzie maken, heeft altijd een oorzaak. Sterker nog: ál het gedrag heeft een oorzaak. Het kunnen begrijpen van de onderliggende oorzaak, geeft vaak meer begrip en acceptatie. Het neemt de boosheid of het verdriet weg bij je kind, omdat het de gebeurtenis menselijker maakt. Een voorbeeld zou kunnen zijn: ‘misschien wilde hij heel graag meespelen. Het lijkt wel alsof hij niet goed weet hoe hij het moet vragen. Misschien heeft hij het nooit zo geleerd, zoals jij het hebt geleerd’. Het biedt een opening voor een gesprek, en het stilstaan bij de behoefte en gevoelens van de ander: ‘hoe zou het voor hem zijn denk je, als hij merkt dat iedereen hem stom vindt en weg rent met wie hij graag zou willen spelen?’.

De volgende keer

Een laatste, moeilijke stap is het bespreken van volgende keren. Elke les kun je nabespreken in termen als ‘wat ging er goed?’, ‘wat ging er niet goed?’. Maar belangrijker nog is dat je kind er iets aan heeft voor een volgende keer. Zodat het kan oefenen met de nieuwe kennis. Dán pas kun je spreken van verandering van gedrag, tenslotte. Een afsluitende vraag is dan ook: ‘hoe zou het de volgende keer beter kunnen gaan?’, of: ‘wat zou je volgende keer anders kunnen doen?’, of: ‘hou zouden wij hem kunnen leren/laten zien hoe je leuk met elkaar speelt?’.

Beginnende geletterdheid

Beginnende geletterdheid

Leren lezen

Ineens kon hij het. Mijn kleine ventje die voorheen alleen maar geïnteresseerd was in spiderman en race-auto’s: letters herkennen. Ik zag hem in een boekje bladeren, wat hij al sinds baby af aan leuk vindt om te doen. Tegelijkertijd leek het alsof hij zijn mond bewoog terwijl ik intens naar de bladzijden keek. Direct zei ik tegen Steef: ‘volgens mij probeert hij te lezen?’.

Geen interesse

Ik kon het me bijna niet voorstellen, omdat er tot voor kort nul interesse deze kant op ging. Hij was (en is) altijd aan het spelen, bezig met afspreken, raketten aan het bouwen of ‘oorlog aan het voeren’ met denkbeeldige draken of dino’s. Waar zijn oudere zus nog wel eens dappere pogingen ondernam om hem te betrekken bij haar spel, liep dit steevast op een afwijzing van zijn kant uit. ‘Kom we gaan schooltje spelen en ik was de juf’ werd beantwoord met ‘Nee, saaaaaai!!’, waarmee de kous af was.

Ik kan mijn naam schrijven

Ook op school kreeg ik te horen dat we een echt speelkind hebben. Vooral bezig met buurten en socializen. Mijn hemel, wat heeft ie al een drukke agenda in groep 1. Brullen en dikke tranen wanneer hij een middagje niet kan afspreken. Op school zal hij dan ook niet uit zichzelf voor een ‘werkje’ kiezen. Dat hij ineens vertelde dat hij zijn naam kon schrijven, kwam voor ons dan ook totaal uit de lucht vallen! Waar hebben we een afslag gemist?

Grillige ontwikkeling

En inderdaad, toen we een blaadje aanboden, schreef Fosse ijverig met tong uit zijn mond en een ingespannen bekkie in hanenpootjes zijn letters op papier. En nu, niet veel later, worden we opnieuw verrast door deze ontwikkeling in beginnende geletterdheid, die een enorme vlucht lijkt te nemen. Dat de ontwikkeling grillig verloopt bij kinderen is mij al langer bekend. Maar om het dan bij je eigen kind te zien, blijft een bijzondere ontdekking.

Letters herkennen

Zo zaten we, net als elke avond, met een boekje in bed voor te lezen. Al langere tijd merkte ik dat Fosse tijdens het lezen zijn vingers bij de paginanummers hield: hij herkende steeds beter de cijfers en getallen en maakte er een spelletje van om te raden welke bladzijde we waren. Maar dat hij hetzelfde met de letters kon, was voor mij een complete verrassing. Ineens wees Fosse een woordje aan en zei: ‘ik weet wat hier staat, hier staat t…a…k… tak!’ Het was een boek met veel plaatjes bij de woordjes, dus ik vermoedde dat dit een gokje was, maar toen hij ook woordjes uit de tekst zónder plaatjes noemde, wist ik het zeker: hij begint te lezen.

Beginnende geletterdheid

De beginnende geletterdheid vind ik zoiets wonderlijks: grip krijgen op de taal om je heen. Er gaat een wereld voor je open als je kunt lezen. Toen Meia hiermee begon, merkte ik dit ook, en het is sindsdien alleen maar toegenomen. Dat Fosse hier nu ook ineens een vlucht in maakt, maakt me enthousiast: het is zo’n leuke fase! Ik ben blij dat wij hier getuige van mogen zijn en verheug me op alle ontwikkelingen die hierop zullen volgen.

Woordjes lezen en schrijven

Het herkennen van letters en woordjes gaat trouwens hand in hand met het schrijven van letters en proberen te vormen van woordjes. Helaas voor ons is Fosse niet kieskeurig op welk medium deze letters oefent. Blijkbaar geeft hij nu vooral prioriteit aan het schrijven, en minder aan de omstandigheden. Hoewel je zou kunnen denken, ‘ach, je gaat toch verhuizen’, is het toch best lullig om een half alfabet op de muren achter te laten voor de volgende bewoners.

Indruk achter laten

Blijkbaar heeft het schrijven ook iets van ‘een indruk kunnen achterlaten’, zoiets als je handtekening ergens onder zetten. Zoals je nu nog ziet op de wc deuren van kroegen of concertzalen: ‘Lisa was here’. Ik vermoed dat dit over dezelfde behoefte gaat. Hopelijk kunnen we die behoefte nog een beetje binnen de perken houden en het vooral op papier laten zetten. We gaan het zien.

Eetproblemen van peuters

Eetproblemen van peuters

12 tips bij eetproblemen van je peuter

Ze bestaan in alle soorten en maten: eetproblemen. En een groep kinderen waar het veel voorkomt zijn peuters. Hoe komt dat? En vooral: wat doe je er aan? Vandaag neem ik je mee in deze veelvoorkomende problemen. Want echt: je bent niet de enige! En echt: het gaat weer over!

Overleven in het eerste jaar

Hoe komt het dat dit een van de meest besproken problemen is? En waarom komt het zoveel voor? Dat heeft eigenlijk een hele logische reden. Als je kindje net geboren is, is het nog totaal afhankelijk van de omgeving. Je kindje vertrouwt volledig op jou, en is daarin ontzettend kwetsbaar. Zonder de zorg van zijn ouders of verzorgers, zal een baby niet overleven. De eerste taak van een ouder is dan ook om je kindje in leven te houden. Het hele eerste jaar bestaat er een basale onzekerheid: zal het me lukken?

Steeds meer zelf

Zodra je dreumes 1 jaar is geworden, neemt deze onzekerheid geleidelijk af, omdat je ziet en ervaart dat je kind steeds meer zelf kan. Het begint te kruipen, lopen, kan zelf bij spullen komen. Het begint uiteindelijk te brabbelen en woordjes te zeggen, waardoor er steeds meer interactie komt. Je zal al gauw merken dat je kindje een heel eigen persoonlijkheid ontwikkeld. Maar nog steeds ben jij als ouder de belangrijkste persoon in zijn leventje. De verzorging van je kindje maakt nog steeds een groot deel uit van je dagelijkse taken. Zo ook het verzorgen van eten.

Onzekerheid en bezorgdheid

Als je kindje dan ineens niet eet, alle groentes op de grond gooit of zit te spelen met z’n eten, dan geeft dat direct zorgen. De bekende onzekerheid van het eerste jaar steekt dan weer de kop op: ‘als mijn kind niet eet, dan gaat het niet goed’, met als ergste sluimerende nachtmerrie: ‘als mijn kindje niet eet, dan wordt het ziek of zal het sterven’. Dit maakt het eetprobleem dus zo’n beladen thema voor ouders. Het triggert direct de bezorgdheid over je kind.

Machtsgevoel

Veel ouders durven er niet op te vertrouwen dat het goed komt, ze zijn tot dan toe altijd gewend geweest dat hun kind at wat zij het gaven. En nu beslist je kind daarin ineens zélf over. En ook dát is de normale ontwikkeling. Opvoeden is niet voor niets ‘het tot zelfstandigheid brengen van je kind’. Uiteindelijk moet je kind zichzelf kunnen redden. En dat proces begint al vanaf de geboorte. Zodra je kind merkt dat het meer en meer zelf kan, geeft dat zelfvertrouwen en een machtsgevoel.

Machtsstrijd

En dat betekent dus een conflict tussen ouder en kind: want de ouder is bezorgd, en wil controle uitoefenen door zijn kind te laten eten. En het kind wil tegelijkertijd zélf bepalen wat hij eet. Er zijn namelijk drie gebieden waar je kind in feite de totale macht over heeft:

  1. eten
  2. slapen
  3. zindelijkheid

Want als het er op aankomt: je kind bepaalt uiteindelijk zélf wat het in zijn mond stopt en wat niet, wat hij kauwt, uitspuugt of doorslikt. Het heeft daarom per definitie geen enkele zin om er een strijd van te maken: een machtsstrijd rondom deze thema’s verlies je sowieso en levert enkel frustratie en negativiteit op. Wat kun je wel doen?

Aan tafel eten

In een eerder artikel schreef ik al over het belang van gezamenlijk aan tafel eten. En in veel gevallen is dat géén vanzelfsprekendheid. Soms wordt er wel aan tafel gegeten, maar los van elkaar. Er wordt bijvoorbeeld eerst eten gegeven aan de kinderen, om vervolgens zelf op een ander moment te eten. Het samen, gelijktijdig aan tafel eten is daarom een eerste voorwaarde om een goeie eter te krijgen.

Ligt het aan mij?

Het is niet alleen een kwestie van opvoeden. Als je kind een eetprobleem heeft, kan dat behoorlijk onzeker maken en bovendien bezorgd. Het voelt misschien als falen, dat het je ‘niet eens’ lukt om je kind behoorlijk te laten eten. Geloof me, het is zo’n veel voorkomend probleem, dat het onmogelijk alleen aan ouders kan liggen. Het is tenslotte ook de fase waar je kind in zit. Het spelen met het uitoefenen van zijn macht is nodig voor een gezonde ontwikkeling. Probeer daarom mild te zijn voor jezelf, je helpt je kind zich als zelfstandig persoontje te ontwikkelen. En daar zijn veel oefenmomenten voor nodig.

Verschillen tussen kinderen

Het is bovendien ook niet zo dat alle kinderen uit eenzelfde gezin dezelfde eetgewoontes hebben. Zo hebben we met Meia en Fosse nooit zorgen gehad om het eten: ze aten en eten als bootwerkers, en lusten alles wat ze krijgen voorgeschoteld. Het is eerder de andere kant op: ze hebben altijd maar trek. Toen Signe kwam, waren we daarom heel verbaasd te merken dat ze geen korstjes at, dat ze de schillen van de appel weggooide en al haar groente van haar stukjes vlees peuterde met het avondeten. Dit gedrag kenden we totáál niet. Zo zie je maar: elk kind heeft ook zijn eigen voorkeuren en persoonlijkheid die weer effect hebben op de relatie tussen ouders en kind.

12 Tips om je kind beter te laten eten

Wat kun je nou doen om je kind te helpen beter te eten? Hier volgen 12 tips.

  1. Realiseer je dat je kind de macht heeft over wat er naar binnen gaat. Kinderen eten als ze jong zijn heel intuïtief: als er gezond eten wordt aangeboden, zal je kind zeker niet snel teveel eten. Je kind luistert (in tegenstelling tot de meeste volwassenen) goed naar de hongersignalen en ‘vol’signalen van zijn lijf. Daardoor zal je kind eten als het trek heeft, en stoppen als het genoeg heeft. Dat je kind dus bewust niet eet ’s avonds, geeft dus aan dat het niet barst van de honger.
  2. Een jong kind heeft in feite maar heel weinig eten nodig om op te functioneren. Het zal dus niet snel een tekort oplopen.
  3. Eet gezamenlijk aan tafel, eet gelijktijdig.
  4. Maak van het eten een fijn moment. Richt je op elkaar, praat over de dag, toon interesse in elkaar. Haal negatieve aandacht af van het eten.
  5. Noem tijdens het eten tegen elkaar hoe het smaakt, dat je het lekker vindt, dat het gezellig is om samen te eten, geef complimenten aan de kok, etc. Kortom, uit je positief (maar wel gemeend) over het eten.
  6. Biedt je kind gezond eten aan, gewoon wat de pot schaft. Ook al weet je dat je kind het niet lust of niets zal eten. Blijf het aanbieden.
  7. Haal het eten weer weg als de maaltijd voorbij is. Als je kind speelt met het eten, haal het dan eerder weg. Als mijn dochter haar beker melk in haar bord giet of de stamppot op de grond kwakt, zeg ik: ‘jij bent klaar met eten, dan haal ik je bord weg’.
  8. Biedt, als je dat gewend bent, wel gewoon een toetje aan na het eten. Zeg niet: ‘jij hebt slecht gegeten, dus je hebt geen toetje verdient’. Daarmee suggereer je namelijk dat het avondeten blijkbaar iets vervelends is waar een beloning voor nodig is. Geef gewoon een toetje, want dat is wat jullie altijd doen. Niet iets dat afhankelijk is van de ‘eetprestatie’.
  9. Als je kind al wat ouder is, kan het een idee zijn om twee soorten groentes te maken en je kind te laten kiezen: ‘wil je sperziebonen of bloemkool?’. Hiermee toon je respect voor het autonomiegevoel van je kind (‘ik heb macht, want ik mag kiezen’), terwijl je zelf de kaders uitzet.
  10. Als aanvulling hierop kan het heel goed werken om je kind te betrekken bij het eten maken. Laat het kiezen in de supermarkt wat ze willen eten, laat ze helpen met groente wassen of in de pan doen, etc. Hiermee vergroot je hun betrokkenheid en zijn ze meer gemotiveerd om te proberen van het eten.
  11. Als je kind besluit om niet/slecht te eten ’s avonds, biedt dan later die avond geen ‘compensatie-eten’ aan, omdat je denkt ‘dan heeft het toch nog wat binnen’. Dit creëert een patroon dat je kind weet dat het later die avond toch nog kans heeft wat te eten en neemt de motivatie weg om met het avondeten goed te eten. Je kind zal met het ontbijt weer inhalen wat het de vorige avond eventueel heeft gemist.
  12. Zorg aan de andere kant dat je kind overdag op regelmatige tijden eet en niet teveel eet kort voor het avondeten. Zo klom Signe al maanden overal op en at ze soms, ongevraagd, wel 4 appels achter elkaar. We hebben toen noodgedwongen de fruitschaal maar bovenop een hoge kast geplaatst, zodat ze er niet meer bij kon. Sindsdien eet ze aanzienlijk beter met het avondeten.

Heb je nog andere tips? Ik ben benieuwd!

Zintuiglijke prikkelverwerking

Zintuiglijke prikkelverwerking

Hoogsensitief, een trend?

Van sommige trends krijg ik een beetje jeuk. Eén daarvan is het idee dat heel veel kinderen ineens hooggevoelig of hoogsensitief zijn. Het is een nieuwe term voor een scala aan gedragskenmerken waarin vrijwel iedereen wel iets herkent. Begrijp me niet verkeerd, ik geloof best dat kinderen (of mensen in het algemeen) last kunnen hebben van bijvoorbeeld geluiden die hard binnen komen, teveel bezig zijn met hoe een ander zich voelt of zelfs  van het gevoel van spinazie in hun mond. Maar dat deze kinderen nou zoveel anders zijn dan andere kinderen, dat betwijfel ik.

Hooggevoeligheid is geen diagnose

Hoogsensitiviteit of hooggevoeligheid is dan ook geen diagnose of stoornis. Waar het naar mijn idee teveel mee wordt verward is de zintuiglijke prikkelverwerking. Dit is, in gewone woorden, de manier waarop informatie via je zintuigen binnenkomt. Dus alles wat je hoort, voelt, ruikt, proeft en ziet. En laat die nu bij iedereen een unieke afstelling zijn. Zo vindt Coen het heerlijk om hard muziek te luisteren, maar stopt Sara bij een feestje al haar vingers in haar oren. Iedereen heeft een eigen comfort zone waarin de prikkels die binnenkomen prettig zijn. Zit het daar onder, dan heeft je kind meer prikkels nodig om lekker te functioneren. Zit het erboven, dan is het teveel en heeft het behoefte aan minder prikkels.

Hoe ervaar je de wereld om je heen

Voordat je nu in je achterste benen staat en denkt ‘maar mijn kind is wél hoogsensitief!’, wil ik dit toelichten aan de hand van mijn eigen zoontje. Want ik denk dat veel mensen hetzelfde bedoelen, maar door verkeerd woordgebruik kan er verwarring ontstaan over waar het om gaat. Fosse is mijn enige zoontje, en hij is duidelijk anders dan de meiden in de manier waarop hij dingen ervaart. Al sinds jongs af aan liet hij duidelijk merken dat hij bepaalde kleding niet aan wilde hebben. Als het een ‘kriebelende’, stugge of gewoon andere stof was tegen zijn huid, vertikte hij het om het aan te trekken. Nog steeds kan hij er gerust 5 minuten voor uit trekken om zijn sokken goed te doen. Dat wil zeggen: het naadje precies zó hebben dat hij het niet voelt. Zodra hij de kans krijgt loopt hij trouwens op blote voeten. En in zijn minionpak, wat dat aangaat.

Het gevoel in je mond

In het leren eten met de pot mee, als kleine dreumes, was heel duidelijk dat hij duidelijke voorkeuren had in eten. Zo is hij een keer echt over zijn nek gegaan van prei, omdat hij die smaak te heftig vond. Van spinazie ging hij kokhalzen, omdat hij de structuur (glibberig) niet kon waarderen. Ik weet nog dat ik in het begin dacht: kom op zeg, wat een drama om niks. Maar daar ben ik van teruggekomen. Hij heeft gewoon een heel fijn afgestelde sensorische prikkelverwerking. Eigenlijk met alles.

Fijne neus en scherp gehoor

Van de geur van poepluiers van zijn kleine zusje rende hij letterlijk kokhalzend weg (nou snap ik dat ook wel hoor). Hij is ook de eerste die bijvoorbeeld ruikt wanneer er iets aanbrandt. Fosse kan, door zijn fijne neus, ook echt weigeren ergens bij in de buurt te komen als hij het vindt stinken. Of iets te proeven bijvoorbeeld. Hetzelfde geldt eigenlijk ook voor zijn gehoor. Hij heeft liever niet teveel herrie om zich heen, hoewel er uitzonderingen zijn waarbij hij zelf het hoogste woord voert.

Opzoeken van prikkels

Ook motorisch zie je een specifieke voorkeur in prikkelverwerking. Vroeger dachten we dat Fosse gewoon wat onhandig en lomp was. Hij struikelde overal over, liep tegen dingen aan, viel van zijn stoel af en maakte de meest gekke capriolen in zijn bewegingen. Omdat hij op de peuterspeelzaal toen als onbehouwen werd omschreven, ben ik naar de fysiotherapeut gegaan om het na te laten kijken. Op de speelzaal twijfelden ze aan zijn zicht, maar dit herkende ik dan weer niet. Dit bleek inderdaad ook in orde.

Prikkels en proprioceptie

Na wat motorische onderzoekjes, bleek Fosse juist aan de bovenkant te zitten qua motorische ontwikkeling. Het blijkt juist dat hij prikkels hierin opzoekt. Zo vindt hij tegendruk lekker, of het wiegende gevoel van schommelen. Hij wordt alleen gehinderd door zijn proprioceptie. Dat is het gevoel dat je weet wat de grenzen van je eigen lijf in de ruimte zijn. Dat je weet hoe kort je bocht kunt nemen om de tafel heen zonder je te stoten bijvoorbeeld. Dit was iets wat hij minder goed kon inschatten, wat de vele ongelukjes verklaarde.

Sensorische informatieverwerking

Als kinderen, zoals Fosse, gevoeliger zijn in het verwerken van sensorische informatie, zijn ze dikwijls ook gevoeliger voor de verwerking van andere informatie. Bijvoorbeeld hoe opmerkingen door anderen binnenkomen, hoe blij of verdrietig ze kunnen zijn in een situatie. Dit is eigenlijk logisch, omdat ze wat meer openstaan voor verwerking van informatie in het algemeen. Het is wat meer ongefilterd als het ware. Dit kan ook nog per zintuig verschillen. Zo is Fosse juist wat ongevoeliger in de motorische prikkelverwerking (hij zoekt ze daarom juist op), maar gevoeliger in mondmotoriek, smaak, geur en tast. Zo is het bij de meeste kinderen, wat elk kind dus een uniek profiel geeft en vraagt om een andere benadering.

ADHD, ASS en hoogbegaafdheid

Niet voor niets is ‘hoogsensitiviteit’ iets dat vaker voorkomt bij bijvoorbeeld kinderen met een hoge intelligentie, maar ook bij ADHD en ASS (autisme). Het is vaak niet óf óf, maar het is min of meer een verklaring voor bepaald gedrag bij deze kinderen. Bij zowel ADHD en ASS is er sprake van een informatieverwerkingsstoornis, wat al begint bij de zintuiglijke informatieverwerking. Dit kan ervoor zorgen dat deze kinderen wat ongefilterd reageren of juist ongevoelig lijken te zijn voor bepaalde prikkels (afhankelijk van iemands unieke profiel). Bij hoge intelligentie of hoogbegaafdheid zie je vaak ook meer gevoelige kinderen, omdat zij door hun scherpe opmerkzaamheid sneller informatie bij hen laten binnenkomen. Niet alleen cognitieve informatie dus, maar ook op andere (zintuiglijke) gebieden.

Als je wat meer onderbouwde literatuur wilt lezen over dit onderwerp, raad ik je het boek ‘Leven met sensaties’ van Winnie Dunn aan. Een andere keer zal ik dieper ingaan op de ontwikkeling bij jonge kinderen op dit gebied.

Zindelijkheid ’s nachts

Zindelijkheid ’s nachts

Droge luiers in de nachten

Het is een probleem wat er een beetje is ingeslopen. Blijkbaar een familietrek, want het schijnt dat het aan mijn kant van de familie vaak voorkomt: laat zindelijk worden ’s nachts. Inmiddels is Meia ruim 6 en Fosse ruim 4, maar nog geen enkel teken dat ze snel zindelijk worden ’s nachts.

Meia was binnen no time zindelijk overdag. Met 2,5 jaar besloot ze op de wc te plassen, en binnen een week was ze volledig zindelijk. Vrijwel nooit een ongelukje gehad. Fosse is een heel ander verhaal. Zijn koppigheid heeft de zindelijkheid behoorlijk op zich laten wachten, waardoor hij pas tegen zijn 4e jaar zindelijk werd. Maar ’s nachts is toch een heel ander verhaal.

Vast slapen

Al sinds kleins af aan drinkt Meia veel en vaak. Het was bij haar als baby en dreumes daarom eerder regel dan uitzondering dat ze was doorgelekt. Stapels luiers en nieuwe kledingsets gingen mee als we van huis gingen. Fosse drinkt veel minder, hij moet eerder aangespoord worden om genoeg te drinken. Dat verschil merk je in de nachten, helaas. Daar komt bij, dat onze guppen allemaal heel vast slapen, als ze eenmaal slapen. De eerste 4 jaren sliepen ze bijvoorbeeld dwars door al het vuurwerkgeweld heen met oud en nieuw. Als één van hen midden in de nacht ziek wordt, en we met zijn allen bedden aan het verschonen zijn, was aanzetten, een bad laten vullen, etc. slapen de andere kinderen er gewoon dwars doorheen. Je kan een jubal band naast ze laten optreden, ze merken het niet.

Doorlekken

In de eerste jaren nadat Meia overdag zindelijk werd, verwachte ik dat het ’s nachts vanzelf wel zou komen. Ik heb daarom geduldig afgewacht, elke ochtend braaf alle doorgelekte zooi in de was gedaan en bleef de nachtluiers kopen met de wekelijkse boodschappen. Maar omdat ze zóveel plaste, hebben we op een gegeven moment maar besloten dat we haar wakker zouden maken voor wij zelf naar bed gingen. Ik hoopte dat ze dan door gewenning uiteindelijk zélf wakker zou worden rond dat tijdstip om te gaan plassen. Niets blijkt minder waar.

Wakker maken

Tot op de dag van vandaag maken we haar wakker, tillen we haar slapend uit bed, zit ze als een zombie op de wc, doet een plas en slaapt weer verder. Alle kennis over zindelijkheidsontwikkeling ten spijt, bij mijn eigen kinderen lukt het nog niet. Ik wéét dat wakker maken vaak geen zin heeft, maar het scheelt aanzienlijk in het wasgoed. Ik wéét dat ze moeten leren hun eigen signalen te herkennen en hier wakker van te worden. Ik wéét dat dit vaak toch een stukje rijping is. Maar inmiddels krijgt ze de leeftijd dat ze steeds vaker uit logeren gaat, wordt ze ouder en is het niet heel cool meer met een luier te slapen. Ze baalt zelf best wel dat het nog steeds niet lukt.

Zelf wakker worden

’s Ochtends weet ze vaak niet eens meer dat ze er uit is gehaald om te plassen. Omdat ik weet dat het het beste werkt als ze wakker zijn, ben ik zo ook begonnen. En daar strandde het hele voornemen ook direct. Want ze werd gewoon niet wakker! En als ze dan eindelijk zelf uit bed was geklommen, bleef ze zwalkend met ogen dicht staan, en was er geen beweging in te krijgen. Kansloos. Dus hebben we eieren voor ons geld gekozen en brengen we haar maar naar de wc. Wat ze dan plast, scheelt alvast weer. En héél soms lukt het dan de rest van de nacht droog te blijven. Dan is ze supertrots!

Plaswekker

Binnenkort ga ik toch maar eens informeren naar een plaswekker. Ik heb zelf regelmatig cliëntjes gehad met soortgelijke problemen en soms ook geadviseerd tot een plaswekker. Het is vaak het enige dat werkt in deze gevallen. Omdat ze dan direct wakker worden bij de eerste plasdruppels. Op die manier wordt de associatie gelegd: plassen=wakker worden. Ik heb mijn hoop hierop gevestigd, anders zou ik het ook niet meer weten.

Droge luier

Voor Fosse heb ik nog wel meer hoop. Hij is pas later zindelijk geworden overdag, dus ik gun hem nog even de tijd om dat ’s nachts te worden. Hij plast sowieso minder en heeft al af en toe een droge luier. Maar ook hij wordt nog niet wakker als hij moet plassen. Als we hem wakker maken voor wij zelf naar bed gaan, verandert hij in een klein venijnig monster, dat begint te gillen en wild om zich heen trappelt. Van pure sacherijnigheid besluit hij dan, moe als hij is, gewoon dus niet op de wc te gaan. Ook een kansloze zaak voor ons dus.

Zindelijkheid

Wie weet is driemaal scheepsrecht en maakt Signe nog verschil. Ik was in ieder geval van de week al enorm verbaasd toen Signe met haar 1,5 jaar naast de wc haar broek naar beneden begon te trekken, terwijl ze ‘plas, plas’ zei. Ik kon het me haast niet voorstellen, maar toen ik haar vroeg: ‘moet je plassen? wil je op de wc?’ kwam er een zelfverzekerd ‘ja’ van haar kant. Vol verbazing hielp ik haar toen op de wc, waar ze geduldig bleef zitten. Hoewel er niks gebeurde, pakte ze na een tijdje een stukje wc papier en veegde haar billen af! Ik viel om van verbazing, wat een gek gezicht! Niet praten maar wél naar de wc gaan? Dit ritueel herhaalde zich nog een keer of 3 daarna. Reuze interessant vond ze het. Het geeft in ieder geval wat hoop voor de toekomst.

Sporten van jongs af aan

Sporten van jongs af aan

Turnen met 2 jaar

Meia zit op turnen. Al sinds haar 2e jaar. En als ik het zo opschrijf denk ik ook direct: jemig, was dat nodig, zo vroeg? Ik zal uitleggen hoe dat is gegroeid. Ik schreef al eerder over haar tomeloze energie en onze zoektocht om dat in goede banen te leiden. Zo kwamen we struinend op het internet uiteindelijk bij peuter/kleutergym. De officiële startleeftijd was 3 jaar, maar ik waagde en gokje en vroeg of ze een keertje op proef mocht komen. Zo gezegd, zo gedaan en de week daarop zat ik in een gymzaal te kijken naar mijn kleine wervelwind, die met een big smile over de tumble baan sprong en aan de ringen slingerde. Het was een feest. Voor haar om te doen, maar ook voor mij om er naar te kijken. Om te zien hoe ze genoot, hoe ze helemaal haar ei kwijt kon.

Peuter/kleutergym

Ik wist het toen nog niet, maar het was de start van een fanatieke hobby. De peuter/kleutergym mag nog niet de naam turnen hebben natuurlijk. Het is een horde kleintjes die gaan klimmen en klauteren en in kleinere groepjes verschillende oefeningen doen. Toch wordt er ongemerkt veel geleerd. Dat werd direct de eerste keer duidelijk, toen Meia doodleuk vooraan de rij aansloot of halverwege het springkussen er weer op klom. Ze had geen notie van ‘op je beurt wachten’, ‘in de rij staan’, of ‘achteraan aansluiten’. Het hele ‘rekening houden met elkaar’ was natuurlijk nog volop in ontwikkeling met haar 2 jaar. De gymlessen droegen daar ongemerkt erg aan bij.

Zelfvertrouwen

Meia vond de gymlessen zó leuk, dat ze eigenlijk wat vaker zou willen gaan. Toevallig is een vriendin van mij ook trainer bij deze vereniging en had zij op dat moment ruimte in haar lessen. Ze stelde voor om Meia daar mee te laten doen. Meia was op dat moment bijna 4 jaar, maar de lessen waren eigenlijk vanaf 6 jaar. Omdat ze het toch graag wilde proberen, ben ik de eerste paar keren meegegaan. En algauw kreeg ze de smaak te pakken. Als jongste van die groep, werd ze in de watten gelegd door de andere meisjes en leiding, en bouwde ze zelfvertrouwen op om met de oefeningen mee te doen. Na een paar maanden merkte ik zelfs dat Meia deze lessen leuker vond dan de peuter/kleutergym.

Turntalentjes

Toen Meia een tijdje bezig was met de lessen bij mijn vriendin, kwam er een oproep voor alle meisjes uit het geboortejaar van Meia, om een zaterdagochtend te gymmen. Dit werd georganiseerd vanuit de kweekvijver, een soort overkoepelende vereniging van alle gymverenigingen uit Dordrecht. Ik kende het hele bestaan toen nog niet, maar zij houden zich bezig met het opleiden van jonge turntalentjes. De genoemde ochtend wordt jaarlijks georganiseerd om nieuwe turntalentjes te vinden.

Jury

Omdat ik wist dat Meia het leuk vond om lekker bezig te zijn, besloot ik haar op te geven. Op dat moment was ik hoogzwanger van Signe, dus ik had de tijd om die ochtend te blijven kijken. En dat was genieten: het was een goed georganiseerde ochtend, waarbij de kinderen met verschillende oefeningen aan de gang mochten. Het had ook direct iets officieels, want overal stonden juryleden driftig te schrijven. Ik verbaasde me toen al over het fanatisme dat onder sommige ouders heersten. Zo hoorde ik een ouder verkondigen dat sommigen echt geen turnlijf hadden of over de grote beloftes die haar dochter zou verkondigden.

Bewegen voor je plezier

Ik kan er alleen maar om grinniken. Vanaf moment 1 hebben we een sport gekozen omdat we voelden dat ons kind hier behoefte aan had. Haar plezier in het bewegen en de sport was en is daarom altijd leidend voor eventuele beslissingen hierin. Soms vind ik het jammer dat ouders hun eigen behoeftes, wensen of verwachtingen onvoldoende kunnen loskoppelen van die van hun kroost. Aan het einde van deze sportochtend werd voor alle meisjes geapplaudisseerd, en na beraad van de jury, kregen alle meisjes een envelop mee. Hierin stond of het kind werd uitgenodigd om 3x op proef mee te trainen met de kweekvijver.

Uitgekozen

Pas op dát moment dacht ik na over de eventuele gevolgen. Meia sportte nu tweemaal per week, wat ik al best veel vond voor een vierjarige. Als ze zou worden uitgenodigd, mocht ze bij de kweekvijver op proef 2 uur per week meetrainen. Dat zou sowieso teveel zijn. Ze moest tenslotte ook nog kunnen afspreken met vriendjes en gewoon lekker kunnen spelen en ontspannen. Ik wist dat er maar weinig kindjes werden uitgekozen, dus ik was behoorlijk overrompeld toen Meia inderdaad mocht komen meetrainen! Direct worstelde ik met de vraag: hoe breng ik dit over?

Geen prestatiedruk

Ik had over die ochtend enkel gezegd dat ze een keertje extra mocht trainen, voor de lol. Ik besloot er het volgende over te zeggen: ‘Meia, ze zagen dat je zoveel plezier had in het gymmen en daarom mag je, als je wilt, ook nog 3 keer komen om te kijken of je het leuk genoeg vindt om daar mee te doen’. Heel bewust heb ik altijd het prestatiestuk eruit gelaten, omdat ik wil dat ze het alleen doet omdat zij het wil, omdat ze het leuk vindt. Daarom benadruk ik alleen maar haar inzet en plezier, omdat ik weet dat opmerkingen als ‘goed je best doen’ bij haar alleen maar leiden tot onzekerheid en bovendien niks uithalen: als ze het leuk vindt, doet ze toch al haar best.

Proeftrainingen

Ze reageerde enthousiast op de uitnodiging en we besloten de gok te wagen. Wie weet zou de vereniging na 3x toch besluiten niet door te gaan en was er niks veranderd. Maar na de 3x trainen werden wij als ouders op gesprek gevraagd. De leiding vertelden dat ze onze kinderen graag officieel lid wilden laten worden en er werd ook uitgelegd wat dit precies inhield.

Consequenties

De kweekvijver is van de VSGD (Vereniging Samenwerkende Gymverenigingen Dordrecht), en duurt maximaal 2 jaar. In eerste instantie zijn de trainingen 1x per week, maar wel 2 uur achter elkaar. Elk halfjaar worden de ouders op gesprek gevraagd en wordt geëvalueerd hoe het kind het doet en of het door mag of niet. Ook wordt gekeken of het kind in aanmerking komt om eventueel 2x per week 2u te trainen. Na het tweede jaar wordt uiteindelijk een advies uitgebracht voor een vervolg. Hierbinnen zijn veel verschillende mogelijkheden. Er wordt gekeken naar de specifieke sterke kanten van het kind, en wat daarbij aansluit. Zo kan bij het ene kind gedacht worden aan ritmisch gym, of bij een ander kind aan springen. Er wordt ook gekeken naar het niveau: sommige kinderen mogen mee gaan trainen bij de selectie van een vereniging, en een enkeling mag in de Dordtse selectie. Dit laatste is de hoogst mogelijke uitkomst en heeft naar mijn idee wel ingrijpende consequenties voor het kind (en het gezin). Want hierin wordt namelijk getraind voor het nationaal niveau. In de turnhal waar je ukkies trainen, trainen dan ook oudere dames, waar dus zomaar een Nederlands kampioene tussen kan zitten.

Kijkdagen en gesprekjes

Intussen zit Meia nu in haar tweede jaar bij de kweekvijver en traint ze 2x 2 uur per week. Toen ze begon bij de kweekvijver, hebben we dan ook de andere turnlessen opgezegd, om ook tijd vrij te houden voor andere dingen. Eens in de zoveel tijd zijn er kijkdagen, waarop ouders, brusjes, familie en vrienden mogen kijken naar de vorderingen tot nu toe. Het is heerlijk om te zien hoe enthousiast en serieus al die kleintjes met hun sport bezig zijn. En iedere keer zie je weer nieuwe dingen. De gesprekjes met de ouders volgen vaak in diezelfde periode. En in één van de gesprekjes legde de trainster een keer uit wat het volgen van de trainingen betekent voor de ontwikkeling van de kinderen, wat me erg aan het denken zette.

Waar doe je goed aan?

Natuurlijk twijfelen wij ook wel eens of we er wel goed aan doen om Meia zo veel en vaak te laten trainen op haar jonge leeftijd. Aan de andere kant vindt zij hier het plezier, kan zij haar energie kwijt, krijgt ze uitdaging en dat brengt haar uiteindelijk veel rust. Maar er wordt aan nog veel meer vaardigheden gewerkt, vertelde de trainster. Het schijnt dat turnen één van de meest effectieve sporten is: het wordt wel eens de moeder van alle sporten genoemd, omdat alles wat je met turnen leert, ook van pas komt in andere sporten. Stel nou dat ons kind uiteindelijk een andere sport wil doen, dan heeft het dus al een voordeel dat het bepaalde basishoudingen of bewegingen kan uitvoeren en dus makkelijker kan invoegen.

Stukje opvoeding

Maar er was nog iets veel belangrijkers wat de trainster aan de orde liet komen. Het vele sporten betekent dat ze elke week 4 uur in de gymzaal staat. De trainster gaf aan dat de trainers daarmee ook een deel van de opvoeding op zich nemen en dat uitwisseling tussen trainer en ouders van belang is om het kind lekker in zijn vel te laten zitten. Daar kan ik helemaal achterstaan en ik vind het prettig dat de vereniging ook die verantwoordelijkheid wil nemen. Ze benadrukte dat het belangrijk is elkaar op de hoogte te houden van de gebeurtenissen in het dagelijks leven, omdat dit wellicht invloed kan hebben op het sporten. Andersom zorgen zij ervoor dat er gewerkt wordt aan hele belangrijke vaardigheden zoals rekening houden met elkaar, samenwerken, doorzettingsvermogen, zorg dragen voor de spullen (samen opruimen), etc. Zo krijgen de kinderen bijvoorbeeld stickers of plaatjes wanneer zij een oefening onder de knie hebben of worden zij eens in de zoveel tijd in het zonnetje gezet.

Doelgericht

Als ik terugkijk op de afgelopen jaren, kan ik wel stellen dat Meia echt sportief is en niet zonder bewegen kan. Ze geniet ook heel erg van de gymlessen op school en bijvoorbeeld buiten spelen. In de periode dat ze bij de kweekvijver zit, is ze doelgericht geworden. Ze heeft geleerd dat ze ergens voor moet oefenen om iets te kunnen. Zo heeft ze intussen de handstand en de radslag onder de knie, waar ze hard voor heeft geoefend. Nu wil ze graag de split en spagaat kunnen en is ze trots op haar eigen prestaties. Ze heeft ook echt haar voorkeuren ontwikkeld: met name de toestellen waar ze haar armen kan gebruiken zijn favoriet. Zoals de touwen, de brug en de ringen.

Sterke en minder sterke kanten

Laatst hadden we weer een gesprekje. Meia mag door met trainen, en heeft intussen zichtbare sterke en minder sterke kanten. Zo vertelden de trainsters dat sommige kinderen een natuurlijke lenigheid hebben. Meia heeft die niet (dat heeft ze vast van mij). Haar sterke kant is juist haar kracht: zonder voeten te gebruiken in een touw omhoog klimmen, dat kan ze bijvoorbeeld. Ik ben benieuwd hoe ze zich verder zal ontwikkelen en welk advies zij uiteindelijk zal krijgen. Maar het is nu al te zien welke voordelen zij heeft door o.a. die krachtontwikkeling: de zwemles verloopt vlot, en ze heeft ook flink uithoudingsvermogen.

Volgen in ontwikkeling

Ongeacht hoe het loopt en wat Meia wil, we blijven haar volgen in haar ontwikkeling en interesse, zoals we dat ook doen bij onze andere twee guppen, die daarin weer heel anders zijn. We bekijken steeds per keer waar ze staat en wat de opties zijn. Proberen kan altijd, zolang ze dat wil. Het enige lastige vind ik dat we mogelijk beslissingen moeten nemen die zij niet goed kan overzien. Maar dat zien we dan wel weer. We keep you posted!