Archief van
Categorie: Baby’s (0-1)

De eerste stapjes: zelfvertrouwen en machtsgevoel

De eerste stapjes: zelfvertrouwen en machtsgevoel

De eerste stapjes als je niet kijkt

Er is weer een mijlpaal geslagen: mijn jongste dochter loopt! En daarmee is ze nu toch echt baby af. Wat een cliché, maar het is blijft leuk en bijzonder. Al langere tijd liep ze langs de tafels, kastjes en klom ze overal op wat haar maar lukte: de trap, de kast, de bedden van broer en zus, en zelfs via het keukentrapje in haar kinderstoel. Maar lopen deed ze niet. Nog niet.

Wist je dat de eerste stapjes vaak worden gezet buiten het zicht van volwassenen? Het zien van de eerste stapjes zijn daarmee dus vaak niet de eerste stapjes. Dit is met experimenten vastgelegd op videobeelden, leerde ik eens in een cursus. Hoe kan dat? Het heeft te maken met zelfvertrouwen. Voor kleine kinderen geldt: ze doen pas dingen waarvan ze zeker weten dat ze het kunnen.

Los staan

In de fase waarin mijn dochter toe werkte naar het loslopen merkte ik dit ook heel goed. Soms stond ze met haar handen tegen de speelgoed kist aan. Eén handje stevig geklemd aan de kist, de ander werd doelmatig gebruikt om in sneltreinvaart zoveel mogelijk speelgoedstukken de kamer in te slingeren. Maar heel soms kwam ze iets interessant tegen, waarvoor ze beiden handen nodig had om het eens te onderzoeken. Op die momenten liet ze de speelgoedkist los, zonder dat ze er erg in had. Ze stond op die momenten dus los, druk wiebelend om zichzelf in balans te houden. Maar zodra ik een kreetje sloeg in de trant van “oh kijk nou, je staat los!”, greep ze angstvallig de kist beet of liet zich direct op haar billen vallen. Blijkbaar was dat toch wel erg eng.

De eerste stapjes bij een ander

Ik weet niet precies waarom een kind er voor kiest de eerste stapjes “buiten beeld” te zetten. Misschien heeft het te maken met het trotse gevoel, dat ze het pas willen tonen als ze er zeker van zijn dat het gaat lukken? Zodat ze weten dat hun ouders het goed zien en trots reageren? Ik weet het niet. Niet zelden hoor ik ook dat kinderen de eerste stapjes zetten bij hun oma, oppas of de kinderopvang. Ik vermoed dat dit geen toeval is, maar helemaal verklaren kan ik het niet.

Zelfvertrouwen

Dat er een stuk zelfvertrouwen meespeelt herken je in de momenten dat je probeert je kindje te laten lopen: proberen voorzichtig je vinger uit de greep van haar handje los te krijgen om haar los door te laten lopen, resulteerde bij mijn jongste steevast in het op de grond ploffen en een verontwaardigde schreeuw: ‘dat was niet de bedoeling!’. Of ze bleef gewoon staan: echt niet dat zij ging laten zien dat ze kon lopen! Niets op commando.

Maar inmiddels is bij Signe is het kwartje gevallen: ze loopt! En natuurlijk viel dat kwartje tijdens een voorstelling op school van mijn oudste, waar we allemaal geacht werden te blijven zitten. Hoe kiezen kinderen dat altijd uit hè? Dus verhuisde mijn vriend naar de achterste rij, waar Signe haar eerste meters maakte, één hand in de lucht en schaterend van plezier en trots. Het was een voorstelling op zich, prachtig!

Motoriek

Het zal voor jullie ook herkenbaar zijn dat het lopen dan niet direct wordt doorgevoerd: het blijft immers toch wat spannend (hóóg daarboven!), het geeft een heel nieuw perspectief en het zelfvertrouwen hierin moet samen met de motorische vaardigheid verder worden uitgebouwd. Dus kiest Signe nog 80% van de tijd voor kruipen. Hierin is ze zeker, snel en vaardig.

“hoe vroeger een kind kan lopen, hoe meer ervaringen het kan opdoen. Blijf het leren lopen daarom stimuleren.”

Toch is het zo, dat hoe vroeger een kind kan lopen, hoe meer ervaringen het kan opdoen. De wereld wordt groter, bereikbaarder, met nieuwe dingen om te ontdekken, te doen en te leren. Blijf daarom alert op het stimuleren van het leren lopen wanneer dit wat langer op zich laat wachten bij je kleintje. Want het feit blijft dat een kindje zijn motoriek nodig heeft voor andere vaardigheden.

Machtsgevoel

Tussen de 9 en 12 maanden krijgt je kind steeds meer spiercontrole. In de theorie van Mahler is dit de fase van praktiseren. Het leren staan en lopen geeft een ‘almachtsgevoel’, want doordat je baby of dreumes steeds beter zijn bewegingen kan controleren, merkt het dat het invloed heeft op de omgeving. Op het moment dat je kindje los kan staan, is dit als het ware het hoogtepunt in het gevoel van machtsgevoel: ‘kijk mij eens’. Zo hoog en groot is het nog niet eerder geweest. Het feit dat je kindje merkt dat je achter hem aan komt als het begint te lopen, geeft bovendien een hele belangrijke boodschap aan hem: ‘ik ben belangrijk genoeg om opgevangen of opgehaald te worden’. Ze voelen zich dus de moeite waard!

Is onveilige hechting een probleem?

Is onveilige hechting een probleem?

Wanneer is hechting problematisch?

Er is al veel geschreven over hechting. Het is ook een ingewikkeld en belangrijk onderwerp, omdat het de basis legt voor je verdere leven. Wat je de eerste jaren meekrijgt in de ontwikkeling van je hechting, is de hardware van je persoon. Iedereen wordt hier op zijn eigen manier mee uitgerust, maar grofweg zijn er wel een aantal categorieën van hechting te noemen.

De meeste kinderen (en dus ook volwassenen, want een hechtingsstijl geldt voor het leven), zijn veilig gehecht. Dat is zo’n 60% van de kinderen. Dat betekent dus dat bijna de helft (plusminus 40%) onveilig gehecht is! Dat klinkt als een enorme hoeveelheid. En dat is het ook. Hoe zit dat?

Vier hechtingsvarianten

In totaal zijn er vier soorten gehechtheidsstijlen. Ik noem ze hieronder:

  1. veilig gehecht
  2. angstig/ambivalent gehecht
  3. vermijdend gehecht
  4. gedesorganiseerd gehecht

Alleen de 1e categorie garandeert dus dat een kind een basaal gevoel van vertrouwen en veiligheid heeft, een algemeen gevoel van: ‘het komt wel goed’. Dit is vanzelfsprekend de meest wenselijke gehechtheidsstijl die er is, omdat hiermee een goede basis wordt gelegd om bijvoorbeeld met nieuwe situaties om te gaan. Het stressniveau ligt niet snel hoog bij deze kinderen (en volwassenen).

Gedesorganiseerde hechting

De overige 3 categorieën zijn vormen van onveilige hechting. Maar slechts één hiervan wordt als een problematische ontwikkeling gezien: de gedesorganiseerde vorm van hechting. Deze komt slechts weinig voor (5-10%). In deze vorm van hechting leert een kind niet goed om te gaan met stressvolle situaties. Als kind heeft het te weinig ervaringen gehad dat het wel goed komt. Er is bijvoorbeeld niet goed gereageerd op zijn behoeften (troost, warmte, eten, schone luier, etc.) of zeer wisselend en onvoorspelbaar. Of de zorgfiguur (meestal de ouders) hebben de signalen van het kind verkeerd ‘gelezen’: ze interpreteren het huilen of het gedrag van het kindje anders dan wat er écht aan de hand is.

Projectie

Een andere oorzaak kan liggen in het projecteren. De moeder denkt bijvoorbeeld: ‘je bent moe, ga maar slapen’, en legt de baby te slapen, terwijl niet de baby moe is, maar de moeder zelf. Als dit soort misinterpretaties en projecties te vaak voorkomen, leert het kind niet wat er in hem omgaat. Het krijgt geen goede grenzen mee van wat bij hem hoort en wat niet. Het raakt verward en gedesorganiseerd.

Kans op trauma

En precies zo ziet het gedrag er dan ook uit: rommelig, chaotisch, als een ongeleid projectiel, onvoorspelbaar. Het kind weet zich geen raad, voelt zich onveilig, ervaart stress maar kan deze niet weg (laten) nemen. Omdat ze hun eigen grenzen niet goed genoeg aanvoelen, kunnen ze zichzelf ook onvoldoende beschermen. Deze kinderen lopen daardoor meer kans op trauma’s. Ze overschrijden onbedoeld hun eigen grenzen en die van anderen.

Onveilig is níét perse problematisch!

De andere twee categorieën gaan over angstige en vermijdende hechtingsstijlen. Zoals gezegd is die niet per se problematisch! Het is slechts een variant in de hechtingsstijl. Sterker nog, in sommige beroepen kan het een voordeel hebben om bijvoorbeeld angstig of ambivalent gehecht te zijn, zoals een bij goede onderzoekers: een zekere mate van wantrouwen maakt hen kritisch en alert! En gereserveerde mensen die wat vermijdend gehecht zijn, vormen vaak het toonbeeld van integriteit.

Hechting als continuüm

Hechting is een continuüm: je kunt in meer of mindere mate veilig of onveilig gehecht zijn. Dit hangt samen met verschillende dingen, zoals:

  • de kwaliteit van het contact met de hechtingsfiguur (meestal de ouders)
  • de kwantiteit van het contact (hoe vaker, hoe beter)
  • of er ingrijpende gebeurtenissen geweest zijn in de hechtingsperiode
  • de zorgfiguren rondom het kind (wie, hoeveel, de ervaringen)

Zo kan het dus ook zijn dat je als kind een veilige hechtingsrelatie met je moeder opbouwt, maar niet met je tante. In het latere leven van je kind kan bepaald hechtingsgedrag daarmee ook getriggerd worden. Als ze iemand tegen komen die hen aan hun tante doet denken, kunnen ze hetzelfde onveilige hechtingsgedrag gaan laten zien.

Responsief in 30% van de tijd

Om tot een veilige hechting te komen met je baby, moet je als ouder (of ander belangrijke zorgfiguur) in 30% van de gevallen responsief reageren. Responsief wil zeggen dat je als ouder doet wat je kindje op dat moment nodig heeft. Dat je snapt wat de behoefte is van je kindje en deze goed vertaalt. Dat je goed bent afgestemd op je baby en hem goed aanvoelt. Dan klinkt 30% als heel weinig, maar dit is al voldoende om tot een veilige hechting is komen. En meestal gaat dat proces ook vanzelf. De meeste ouders en verzorgers voelen voldoende aan wat hun kindje (ongeveer) nodig heeft. Ze zijn sensitief genoeg.

Niet perfect, maar goed genoeg!

Tegelijkertijd is het dus net zo menselijk om soms signalen te missen (denk aan door een huiltje heen slapen, pas later opmerken van een vieze luier of na 4 dagen ineens snappen dat er tanden doorkwamen waardoor je baby zo sacherijnig was). En dat is gelukkig door de natuur ook allemaal ingecalculeerd. Want we zijn tenslotte ook maar mensen. En dat is precies de reden dat goed genoeg ook écht goed genoeg is, mama’s!


Misschien ook interessant:

  1. Toen ik ging zitten voelde het al beter
  2. 10 tips voor een bedankje voor de juf
  3. Op de grens van gewoon opgroeien