Archief van
Categorie: baby’s

Slaaptekort bij kinderen

Slaaptekort bij kinderen

Slaapgebrek

Misschien heb jij er ook wel een: een kind met slaaptekort. Mijn hemel wat is dat een verschrikking zo nu en dan! Alle drie mijn kinderen zijn anders in hun slaapbehoefte en slaappatronen. Alle drie reageren ze ook anders op een slaaptekort. Want ieder kind heeft nou eenmaal andere behoeftes en manieren, en zo ook in ons gezin. Met name de oudste reageert sterk op te weinig slaap.

Weinig slaapbehoefte

Het begon eigenlijk al als baby. Ik las braaf alle boekjes en kwam er al gauw achter dat een baby het grootste gedeelte van de dag slaapt. Tot zover de theorie. De praktijk was toch beduidend anders. Hoe vaak ik niet gefrustreerd en radeloos met een huilend kind naar beneden ben gelopen, na de zoveelste poging haar in slaap te krijgen! Ik zat er soms twee uur bij, haar sussend, over haar hoofd of buikje aaiend, in de veronderstelling dat ik er goed aan deed, dat ze uiteindelijk zou slapen. Ja, dat deed ze uiteindelijk ook. Maar liefst 20 minuten. En dan begon het hele feest weer van voren af aan.

Geen zin

Meia had als baby bijna geen slaapbehoefte. Hetzelfde zie ik nu terug bij Signe. Blijkbaar een meidending in ons gezin. Alhoewel, ik reken slapen toch echt wel onder mijn favoriete hobby’s, dus voor mij gaat die vlieger niet op. Zowel Meia als Signe lijken als baby wel wat beters te doen te hebben dan slapen. Slapen doe je maar als je niks anders te doen hebt. Ze hebben het gewoon veel te druk met andere dingen, dat ze zich niet goed kunnen of willen overgeven aan de slaap.

Niet moe

Ik schrijf dit trouwens om 20.30u en Signe zit klaarwakker naast mij de inhoud van een kast op de grond te trekken, om het geheel nog even te illustreren. Ik heb net 3 vruchteloze pogingen gedaan haar te laten slapen. Anders dan bij Meia, leg ik me nu gemakkelijker neer bij de situatie. Blijkbaar is ze nog niet moe. Ik kan hemel en aarde bewegen om haar in slaap te krijgen, maar ze zit nu lief te spelen, dus ik kan het ook gewoon over een uurtje nog eens proberen. Doorgaans slaapt ze dan wel snel in. Wie weet moet ze ook wat knuffeltijd inhalen, omdat we elkaar weinig gezien hebben vandaag.

Gedrag

In tegenstelling tot Signe, die gewoon weer over gaat tot de orde van de dag of een extra knuffel komt halen als ze stiekem toch een beetje moe is, laat Meia op een heel andere wijze merken dat ze te weinig slaap heeft gehad. Hoewel ze slapen waarschijnlijk onder de noemer ‘verspilde tijd’ schaart, wijst de praktijk toch anders uit. Dan verandert ze af en toe in een soort ‘terror’ variant van zichzelf, eentje die je niet terug zou herkennen, waar je stiekem een beetje bang van wordt.

Alarmbel

Ineens leiden de kleinste tegenvallers tot heftige explosies van haar kant, waar ze zich hysterisch en verongelijkt van de stoel laat glijden of stoïcijns tegen een willekeurig meubelstuk (of toevallige voorbijganger) aan blijft schoppen. Dit alles vergezeld van een geluidenbrei zonder herkenbare woorden, alsof er geen energie meer over is om zich verstaanbaar te maken. Soms is het een komisch gezicht, maar meestal is het een alarmbel voor een lastige periode die aanbreekt. Want eenmaal in deze modus belandt, is het zéér lastig om haar eruit te krijgen. Want, je raadt het al, het enige dat helpt is slapen.

Ik ben niet moe!

En dat is nu precies wat ze niet wil. Slapen! Ik ben toch niet ziek? Ik heb al uitgeslapen vanmorgen tot half 7 (ja echt waar, normaal wordt ze namelijk 6 uur wakker) en nog belangrijker: ik bén he-le-maal niet moe!! Ja, ga er maar eens aan staan. Kom je met al je goeie argumenten dat het belangrijk is, dat het dan allemaal makkelijker gaat, en gezelliger wordt. Op zo’n moment lijkt dit rationeel overdenken allemaal niet toegankelijk. En het is nu eenmaal zo dat je zaken als slapen, eten en zindelijkheid niet kunt afdwingen. Bummer!

Afspraken maken

Soms helpt het als ik afspraken maak. Dat ik aangeef dat ze nu niet hoeft te slapen, maar dat we het morgen doen, tussen de middag. Of dat ze het nog even mag proberen om lief te spelen, maar dat we alsnog gaan slapen als het toch niet lukt. Niet als straf, maar omdat het daardoor gezelliger gaat. Soms helpt het om iets fijns in het vooruitzicht te stellen: na het slapen gaan we gezellig even de stad in. Ik zal je wakker maken na een uurtje, dan weet je zeker dat je niet teveel mist. Soms hebben we mazzel, als we bijvoorbeeld ergens naar toe rijden en ze in slaap valt in de auto. Scheelt aanzienlijk in het humeur!

Zoektocht

Opvoeden blijft een zoektocht. Wat voor de één geldt, is voor de ander onzin. Meia is te eigengereid om naar mijn argumenten te luisteren, ze leest liever 10 boeken voor ze er doodmoe bovenop in slaap valt. Om haar dag vervolgens om 6 uur te starten. Ik heb me er bij neergelegd: we zoeken naar wegen om het voor iedereen draaglijk te houden. En nu met Signe zie ik dat het ook anders kan: Signe heeft net zo weinig slaap nodig (ze is intussen een stuk karton aan snippers aan het scheuren naast me), maar wordt er niet vervelend van. Hooguit wat stilletjes. En dan is het tijd om poolshoogte te nemen, zoals nu.

Van gastouder naar nanny

Van gastouder naar nanny

Opvang aan huis

 

“We hebben een nanny. Na 4 jaar gastouder zijn we nu gelukkig met opvang aan huis. Dat klinkt decadent en dat is het ook best wel. Ik dacht tot nog niet zo lang geleden dat het ook absoluut niet voor ons was weggelegd. Dat het onbetaalbaar zou zijn. Want zeg nou zelf, bij een nanny denk je toch direct aan Gooische Vrouwen? Ik wel althans. Maar de werkelijkheid is gelukkig anders.”

 

Welke soort opvang kies je?

Toen we ons eerste kindje verwachtten kwam ook meteen de taak erbij om opvang te zoeken. Aangezien onze beide ouders nog werkzaam waren (en zijn), was opvang door opa’s en oma’s helaas niet voor ons weggelegd. Aan ons de taak om, nog voor ons kindje er überhaupt was, uit te zoeken wat voor soort opvang we wilden. En eigenlijk merkte ik al vrij snel: ik wil geen kinderopvang, ik wil gastouderopvang. Maar ook in de wereld van gastouders was het een behoorlijke zoektocht. Hoe weet je in vredesnaam waar je goed aan doet? Bij een kinderopvanglocatie weet je in ieder geval de plek en de mensen bij wie je kindje terecht komt. Bij een gastouder wordt je gekoppeld, dus weet je niet direct waar en bij wie je kind terecht komt.

Gastouderbureau

Als ik keuzes lastig vindt, stel ik ze uit. Helaas gaat dat bij een zwangerschap nou net niet zo makkelijk. En toen mijn buurvrouw zich had ingeschreven bij een gastouderbureau, besloot ik me voor het gemak bij hetzelfde bureau in te schrijven. Bij het eerste contact met de medewerksters, bleek ik deze persoon nog van een eerder werkverleden te kennen. Hiermee was direct het ijs gebroken, want zij kon mij en mijn wensen redelijk inschatten, dus stelde zij direct een gastouder voor. Ik kreeg haar nummer en belde voor een kennismakingsafspraak. En wat bleek? Deze gastouder was een oud-klasgenoot van mij en Stefan! Alsof het zo had moeten zijn.

Als je gastouder stopt…

Hierna volgde 4 jaar van opvang bij de gastouder thuis, waarover we zeer tevreden waren. Na 2 jaar opvang werd Fosse geboren, en hij werd net als Meia met liefde ontvangen door ons, maar ook door onze gastouder. Toen ik zwanger was van Signe voorzag ik daarom geen problemen, we waren immers tevreden over de opvang. Helaas besloot onze gastouder, met pijn in haar hart, te stoppen met het gastouderschap, om haar studie te kunnen afmaken. Dat was een dikke tegenvaller! Na vier jaar intensief contact moesten we ineens iets anders verzinnen voor ons grut.

Financieel aantrekkelijk

We bezochten de ene na de andere gastouder, maar geen enkele gastouder kon aan onze vorige tippen. Bij iedereen had ik wel wat aan te merken: te ver weg, geen vervoer, te druk, te klein huis, te steriel, te star… Ik raakte hoe langer hoe meer gefrustreerd in onze zoektocht. Totdat iemand van het gastouderbureau me vroeg of ik wel eens had nagedacht over opvang aan huis. Ik keek haar met opgetrokken wenkbrauwen aan: grapje zeker!? Dat kan ik toch nooit betalen! Maar toen ze uitlegde dat opvang aan huis vanaf 3 kinderen zelfs financieel aantrekkelijker is, raakte ik toch geïnteresseerd. Ik besloot het uit te zoeken.

Nanny

Tot nu toe had ik gezocht op ‘gastouder’, maar zodra ik de zoekterm ‘nanny’ begon te gebruiken, bleek er een heel nieuw aanbod in opvangmogelijkheden te bestaan! Er ging een wereld voor me open. En wat nog leuker was: dit was inderdaad in de meeste gevallen voordeliger! Met hernieuwde energie stortte ik me in de zoektocht. Intussen was ik hoogzwanger en we hadden in totaal maar twee maanden om nieuwe opvang te vinden. In plaats van op bezoek gaan, kwamen de mensen nu bij ons thuis. Dat was gek, alsof ze op sollicitatiegesprek kwamen bij ons. Na een paar gesprekken kwam er (wederom) een oud-bekende uit Stefans jeugd: het leek kat in het bakkie. Opgelucht spraken we af wanneer ze kon beginnen en nam ik mezelf voor nu eindelijk van de laatste loodjes van de zwangerschap te genieten.

Tegenvallers

Helaas werd er een paar weken later roet in het eten gegooid. Ze was toch teruggekomen op haar beslissing vanwege privé redenen. Ik kon wel janken. Met nog een paar weken voor de kleine zou komen, moesten we weer van voren af aan beginnen. Opnieuw dook ik de papieren in en plande afspraken voor kennismaking. Gelukkig hadden we kort daarop een ontzettend leuke ontmoeting met een vrolijke en enthousiaste meid. We kregen weer hoop en toen het contract alleen nog maar ondertekend hoefde te worden, durfde ik te hopen dat het nu eindelijk geregeld was.

Nog steeds geen opvang

Niet lang daarna werd Signe geboren, na een heftige bevalling. Door omstandigheden (later meer hierover) moesten we daarna nog een week in het ziekenhuis blijven. Toen Steef in die week met de kinderen langskwam, bracht hij slecht nieuws: onze nanny had een vaste baan in het onderwijs aangeboden gekregen, die ze had aangenomen. Dat was een enorme tegenvaller. We hadden de mazzel dat het bijna zomervakantie was en we tot die tijd mijn verlof, Steef z’n vrije dagen en het gulle aanbod van oppassen door mijn schoonzus hadden. Maar er was wel haast bij om de opvang te regelen. Inmiddels was ik de hoop wel een beetje verloren. Zou het ons ooit nog lukken om een goede nanny te vinden?

Eind goed…

De laatste kandidaat voelde zich ook lullig naar ons toe, en had om die reden haar nichtje voorgesteld die misschien interesse had. We besloten het erop te gokken en haar uit te nodigen, maar durfden nergens meer op te hopen. Het gesprek verliep echter boven verwachting goed en er was duidelijk een klik. Het meisje was rustig maar zelfverzekerd, ze had ervaring in de kinderopvang en ook met oppassen bij bekenden. Ze toonde zich flexibel, lief naar de kinderen en hield rekening met onze wensen.

Van het een kwam het ander, en toen de contracten getekend waren, was het dan eindelijk definitief: we hadden een nanny! Eindelijk konden we opgelucht adem halen. Er viel een last van onze schouders. En wat was dit fijn, opvang aan huis! In het tweede deel ga ik dieper in op de voordelen van een nanny en onze ervaringen uit de praktijk.

 

Gevoelige periodes bij kinderen

Gevoelige periodes bij kinderen

Leren in de gevoelige periodes

Iedereen heeft er wel eens van gehoord: de kritische of gevoelige periode waarin een kind het beste iets leert. Eigenlijk is dat ook de grootste reden waarom kinderen al vanaf jonge leeftijd naar school gaan (moeten): omdat er in de kindertijd de meeste gevoelige periodes zijn om iets te leren. De ervaringen uit je kindertijd zijn bovendien heel vormend voor je persoonlijkheid en hebben grote invloed op alles wat je de jaren erna doet.

Gevolgen voor later

De eerste en meeste gevoelige periodes vinden al plaats in de babytijd. Als er in zo’n periode iets misgaat, kan dat soms blijvende gevolgen hebben omdat de juiste verbindingen in de hersenen dan niet worden aangelegd. De gevoelige periode voor de ontwikkeling van het zicht is bijvoorbeeld tussen de 3 en de 8 maanden: als er dan iets is waardoor de baby minder goed kan zien, kan het blijvend schade houden aan het zicht op latere leeftijd.

Hoe kinderen leren

Met verschillende onderzoeken en experimenten wordt gekeken of een gevoelige periode opnieuw kan worden uitgelokt, op een ander moment. Wanneer dat zou lukken, zou eventuele schade bijvoorbeeld kunnen worden ingehaald. Als er duidelijk wordt hoe kinderen precies leren en ontwikkelen, zou men het onderwijs daar naadloos op aan kunnen laten sluiten.

Gevoelige periodes op school

Dat laatste gebeurt natuurlijk al zoveel mogelijk, hoewel dat per school veel kan verschillen. Naar mijn idee onderstreept de theorie van de gevoelige periodes alleen maar meer het belang om daar op flexibele wijze rekening mee te houden op school. Globaal gezien zijn de gevoelige periodes ongeveer op hetzelfde moment, maar dit kan per persoon wel veel verschillen. Zeker omdat iedereen een andere geboortedatum heeft. Het aanbieden van lesstof zou daarom eigenlijk pas moeten, wanneer het kind in de gevoelige periode voor die stof zit.

Inspelen op interesses van je kind

De gevoelige periodes zijn er de reden van dat er in groep 3 wordt begonnen met lezen, want de meeste kinderen ‘zijn er aan toe’. Het is de reden waarom er in de kleuterklassen nog veel buiten wordt gespeeld (motorische ontwikkeling) en in de middenbouw wordt gestart met de zaakvakken. Omdat dán de interesse in de wereld om hen heen toeneemt. Maar deze ‘mal’ in wat er aan je kind wordt aangeboden, is een grove schatting, terwijl de gevoelige periodes juist zeer precies zijn. En dáárom is het zo belangrijk om in te spelen op de interesses van het kind. Want pas als een kind iets leuk vindt, leert het. Het heeft geen zin om domweg stof ‘erin te stampen’ als er geen interesse of motivatie is.

Aanvoelen waar het kind zit

En dat is in het onderwijs nog best lastig, merk ik vaak. Ik kom geregeld voor schoolobservaties en schoolgesprekken op scholen. En ik ken natuurlijk de montessori-onderwijsmethode van onze eigen kinderen. Tussen de scholen zit veel verschil. Zowel in de visie als in de dagelijkse praktijk van de leerkracht. Want uiteindelijk komt het er op neer of de leerkracht aanvoelt ‘waar een kind zit’ en hier op kan in spelen door de juiste stof aan te bieden. Dan hebben we het nog niet eens over onderlinge niveauverschillen tussen kinderen. Dat maakt de differentiatie extra moeilijk.

Eigen inbreng

In het traditionele onderwijs is er naar mijn idee vaak net iets minder mogelijk aan flexibele aanpassingen aan het leerproces van kinderen, omdat er nog steeds vaak klassikaal les wordt gegeven. Kinderen volgen de structuur van de lessen en hebben weinig eigen inbreng in wat ze wanneer doen. In het montessori-onderwijs is dat anders. Kinderen beslissen per dag bijvoorbeeld de volgorde van hun taakjes. Daarbij hebben ze een zekere vrijheid voor hoelang ze aan een taak willen werken: is een kind momenteel meer geïnteresseerd in rekenen, dan mag het, tot op zekere hoogte, langere tijd hier aan werken.

Motivatie

De leerkracht bewaakt dit proces door te benadrukken dat elke beslissing gevolgen heeft: nu meer rekenen betekent een andere keer meer taalwerk. Toch is dit voor mijn gevoel een methode die van nature beter aansluit bij het grillige ontwikkelingsproces van kinderen. Bovendien is de motivatie om aan de taken te werken per definitie hoger, omdat een kind zélf de keuze maakt voor een taak.

Leerbehoeften

Er zijn tegenwoordig (gelukkig) steeds meer vormen van onderwijs, die rekening houden met de verschillen in voorkeuren, ontwikkeling en leerbehoeften van kinderen. Goed onderwijs is namelijk een onderwijsvorm (en leerkracht) die goed aansluit bij de specifieke behoeftes van je kind. En dat verschilt per persoon.

Snoeien in synapsen

Het is echter niet zo dat een kind alleen maar leert in de de gevoelige fases. De hersenen hebben een zekere plasticiteit. Dat betekent dat mensen hun hele leven lang kunnen leren en zich aan kunnen passen aan veranderende omstandigheden. Maar in gevoelige periodes is er veel meer mogelijk. In de babytijd is dit het meest duidelijk: een baby wordt geboren met een oerwoud aan synapsen (mogelijke verbindingen voor informatieoverdracht), waar die eerste maanden behoorlijk in gesnoeid wordt: alles wat niet nodig is, gaat weg. Zo blijven alleen de belangrijkste verbindingen over. Dat gebeurt in de gevoelige periodes: zo wordt er orde in de chaos geschept en gaat het brein steeds beter functioneren.

Vorming van persoonlijkheid

Het is interessant om te bedenken waarom de gevoelige periodes alleen maar tijdens de kindertijd zijn. Ze zijn immers super nuttig voor de ontwikkeling en voor de overleving, zou je denken. Onderzoekers denken daarom dat er ook een keerzijde aan de kritische periodes zit: in die momenten draaien de hersenen namelijk op volle toeren, waardoor er ook eerder kans is op beschadiging aan de hersenen. En omdat de gevoelige fases ook vormend zijn voor de persoonlijkheid, kun je je afvragen of het wenselijk is wanneer deze gevoelige periodes ook in de volwassenheid optreden: wat zou het doen met je identiteit en je persoonlijkheid? Misschien is het daarom maar goed dat ze beperkt blijven tot de kindertijd.

 

Borstvoeding als medicijn tegen angst en spanning

Borstvoeding als medicijn tegen angst en spanning

Wondermiddel oxytocine

Nee, ik ga niet nog eens promoten dat iedereen ‘aan de borstvoeding’ moet. In die keuze ben je immers helemaal vrij, gelukkig. Maar ik leg wel uit wat veel mensen niet weten over het geven van de borst. Namelijk dat het de band tussen jou en je kind op meerdere manieren beschermt. Niet alleen in de weerstand, maar ook op emotioneel vlak. Dit komt door het ‘wondermiddel’ oxytocine, het hormoon dat vrijkomt tijdens de borstvoeding.

 

Invloed op gedrag en emoties

Ik heb mijn drie kinderen alle drie de borst gegeven. Gelukkig lukte dat gemakkelijk waardoor het nooit een zorg is geweest. Het was voor mij dan ook makkelijk vol te houden. Toch heb ik het niet bij al mijn kinderen even lang gedaan. Dat had er mee te maken dat ik tijdens de geboorte van Meia en Fosse bezig was met een intensief registratietraject. Hiervoor was ik vaak van huis voor cursussen, wat betekende dat ik ook regelmatig moest kolven. En hoewel ook dit in principe goed liep, brak het me op, omdat ik regelmatig tijdens cursussen weg moest en daardoor bijvoorbeeld  ook aansluiting miste met de groep. Plus dat ik meerdere keren mijn kolf vergat, en ik kan je vertellen: dan ben je héél snel genezen. Maar dat is een verhaal voor een andere keer.

Borstvoeding stimuleert de productie van het hormoon oxytocine. Dit wordt ook wel het ‘knuffelhormoon’ genoemd. Dit komt vrij bij alles wat je prettig en fijn vindt om te doen. Het is niet iets typisch vrouwelijks: ook mannen hebben dit hormoon. Het hormoon stuurt je gedrag aan: het helpt je om liever en beter te zijn in contact met anderen. Het knuffelen, aanraken en intimiteit stimuleren ook het hormoon oxytocine.

 

Hechting stimuleren

Oxytocine heb je nodig voor gezonde relaties met anderen. Door het geven van de borst, draag je dus direct bij aan de mogelijkheden tot sociaal contact van je kind. Het is voor baby’s daarnaast belangrijk om een gezonde hechting te ontwikkelen. Een gezonde hechting geeft een basaal gevoel van veiligheid en vertrouwen mee aan je kind. Dit vertrouwen zorgt ervoor dat je kind later ook zichzelf aan anderen durft toe te vertrouwen en goede contacten kan maken. Borstvoeding draagt hier op meerdere manieren aan bij.

 

Ontspanning en regulatie

Door het drinken aan de borst, produceert je lijf het hormoon oxytocine, dat je baby via de moedermelk ook binnenkrijgt. Dit zorgt er direct voor dat zowel jijzelf als je baby rustig en ontspannen worden en dat je meer kan genieten van het lichamelijk contact. Je baby voelt de spierspanning haarfijn aan: als hij merkt dat jij rustig bent, wordt je kind ook ontspannen. Hiermee ‘reguleer’ je je baby: je helpt hem om prikkels en alle gebeurtenissen goed te verwerken. Het reguleren is een belangrijke vaardigheid voor je kind om later zijn emoties in goede banen te kunnen leiden. Je leert je kind dus de eerste stappen om bijvoorbeeld met frustraties of spanningen om te gaan.

Omdat je meer kunt genieten van het lichamelijke contact, werkt dit belonend. Moeders die van borstvoeding durven en kunnen genieten, zullen dit vaker herhalen. Het contact heeft een positief effect op de interactie tussen jou en je baby: dit versterkt de goede band en een veilige hechting.

 

Stressbestendig door voeden

Wist je dat het geven van de borst ook kalmerend werkt bij angstige gevoelens? De oxytocine maakt je als moeder minder bang. Als je dus zorgelijk bent aangelegd of snel gespannen bent, heeft borstvoeding een extra groot voordeel. Je bent als moeder meer stressbestendig en kan beter omgaan met de grillen van de kleine. Tegelijkertijd krijgt je kindje door de oxytocine als het ware een ‘stressvaccinatie’, waardoor het later ook beter omgaat met spanningen en stress. Doordat het hormoon tegen angst beschermt, loop je minder risico op psychische problemen bij jezelf en je kindje. Zowel nu als in de toekomst, want borstvoeding heeft direct effect op de lange termijn!

 

Ontspannen borstvoeding

In Nederland is borstvoeding nog niet zo gewoon als in sommige andere landen. We hebben als gemiddelde vrouw een zekere preutsheid, wat het soms lastiger maakt om het (in het openbaar) vol te houden. Het wordt vaak vergeten dat voeden, naast intiem, ook gewoon als speels en leuk mag worden ervaren. Het is bekend dat bij vrouwen die meer kunnen genieten van hun eigen lijf en intimiteit met hun partner, de borstvoeding beter verloopt. Des te meer reden om ontspannen met het idee van borstvoeding om te gaan!

 

Voeden in het openbaar

Ik ben hier zelf ook in meegegroeid: vond ik het in het begin met Meia nog onwennig, deed ik bij Signe niet meer moeilijk. Bij Meia had ik soms nog wat schroom bij het voeden in het openbaar, maar dat werd langzaam minder met de tijd. Bij Signe ging het inmiddels zo natuurlijk, dat ik zelfs eens een compliment van een wildvreemde kreeg: dat ze het goed vond dat ik gewoon zo ontspannen voedde, in het openbaar. Ik wist niet zo goed wat ik met dat compliment moest, want uiteindelijk werkt voeden (of dat nou met de borst of met de fles is) het beste als je ontspannen bent.

 

Effecten op lange termijn

Het laatste wat ik wil is mensen een slecht gevoel of schuldgevoel geven wanneer zij geen borstvoeding geven, maar ik vind het wél belangrijk dat alle informatie bekend is, om een zo gedegen mogelijke keuze te maken. En ik hoop dat met deze wetenschap, mensen gemotiveerd zullen zijn voor borstvoeding te kiezen. Niet alleen omdat het gezond is, maar voorál vanwege de fijne sociaal-emotionele effecten op korte én lange termijn.

Speelgoed, wat doe je ermee?

Speelgoed, wat doe je ermee?

Hoe voorkom je overspoelen door speelgoed? Vier tips.

 

“Toen ik nog zwanger was van Meia had ik, net als alle ouders, bepaalde voornemens voor het ouderschap. Zo vond ik speelgoed met ‘licht en geluid’ en van plastic maar schreeuwerige rommel die ik niet in mijn huis hoefde te hebben. Nu, zes jaar later, kijk ik om mij heen en zie een kakofonie aan kleuren en geluiden. Wat is er in die jaren mis gegaan? Is er eigenlijk wel iets misgegaan?”

 

Groot aanbod

Met speelgoed heb ik een beetje een haat-liefde verhouding opgebouwd door de jaren heen. Er is zoveel! En binnen dat ruime aanbod is het soms zoeken waar je goed aan doet. Waarop baseer je de keuzes van je speelgoed? En daarnaast: hoe werkt dat in de praktijk? Want je kunt zulke goede ideeën hebben, als het niet wordt uitgevoerd, loopt je hele ‘plan’ mis. Sowieso een dingetje hoor, ‘plannen’ met kinderen. Kun je beter niet doen geloof ik.

Gebrek aan bergruimte

We wonen in een huis met erg weinig bergruimte, dus was onze insteek: liever geen grote dingen, want die kunnen we toch niet kwijt. En drie keer raden wat er dan voor de verjaardag gegeven wordt: jawel, een kinderwagen en een mini-bakfiets. Tot zover het voornemen voor klein speelgoed. Het volgende streven was überhaupt niet te veel kopen. Hoofdreden was nog steeds de bergruimte, maar daarnaast waren we al snel lid geworden van de speel-o-theek (hierover een andere keer meer), waardoor we steeds (groot) speelgoed konden lenen én weer terugbrengen. Scheelde zeeën aan ruimte (en geld)!

Cadeaus

Maarja, opa’s, oma’s en Sinterklaas hebben hele andere voornemens kwamen we al snel achter. ‘Niet te veel’ werd krap geïnterpreteerd merkten we. Trots als zij zijn op hun kleinkroost, worden kosten noch moeite gespaard om hen in de watten te leggen. Met als gevolg dat we al na 1,5 jaar semi-noodgedwongen zes gigantische speelgoedkisten in elkaar timmerden om al het aangeschafte spul weg te werken. Om maar niet te spreken van de uitbouw die weer een paar jaar later volgde (oké oké die was heus niet voor al het speelgoed, maar toch).

Overspoeld

Die gigantische aanvoer van speelgoed had trouwens als gevolg dat er minder gespeeld werd. Ja echt. Door de overvloed aan speelgoed wordt er minder gespeeld. Niet zo gek ook trouwens, het werkt voor ons volwassenen net zo: als je in een overvolle kamer komt weet je ook niet meer waar je moet kijken en waar je moet beginnen. Zo werkte het bij onze kinderen ook.

Minder speelgoed = meer spelen

Dat merkte ik maar al te goed in de afgelopen vakantie, toen een ander kwartje viel. Ik zocht wat klein speelgoed uit voor tijdens de reis en tijdens de vakantie. Vanwege beperkte ruimte in de auto, moest ik selectief zijn. Dus een klein beetje playmobil, een paar auto’s en dat soort dingen. En wat bleek? Het beschikbare speelgoed, wat slechts een fractie was van alles thuis, werd intensief gebruikt. Er werd gespeeld! Dat was een eye-opener: teveel is een dood-doener.

Tips om je kind te laten spelen

En hoewel wij zelf weinig tot niets aanschaften, groeide onze spullenvoorraad en verbleekte de voornemens van eenvoudig, degelijk en kwalitatief speelgoed zonder al te veel poespas steeds meer naar de achtergrond. Om toch de kinderen tot spelen te laten komen, bedachten we wat trucs.

  1. Zeker bij de eerste jaren van onze kinderen, verstopten we na de verjaardagen en sinterklaas wat van het nieuwe speelgoed. Klinkt gemeen he? Maar gelukkig kunnen ze als ze zo klein zijn nog niet goed bijhouden wat ze precies hebben gekregen. We borgen daarom een deel op voor later. Zo bleef er op een later moment ook nog een moment van verrassing en ruimte voor nieuwe ervaringen, als we de cadeaus dan nogmaals gaven.
  2. In lijn op het voorgaande, borgen we sommig speelgoed uit het zicht op. We stopten ze hoog in hun kledingkast of in kastjes in hun kamer waar ze (expres) niet bij konden, zodat ze er om moesten vragen als ze het wilden hebben.
  3. Toen ik merkte dat onze kinderen écht niet meer speelden, maar alleen maar wat in de bakken rommelden en er van alles uithaalden zonder er naar te kijken, besloot ik dat er wat veranderd moest worden. We gingen naar ikea en kochten daar stapels opbergdozen in soorten en maten. Daarna volgde een weekend lang sorteren van al het speelgoed en deze op het neurotische af in elk hun eigen bakje stoppen. Op deze manier konden ze een bakje pakken met daarin één soort speelgoed, en hier vervolgens mee spelen. Dat klonk als een ideale situatie, maar ik merk dat hier nog wel haken en ogen aan zitten in de uitvoering (zie verderop).
  4. We wisselen speelgoed regelmatig: wat beneden staat verhuizen we naar boven, spullen uit de kast worden tijdelijk beneden gezet. Wat al een tijd niet wordt gebruikt, gaat de kast in. Zo prikkel je steeds opnieuw je kind. Voorwaarde is dan wel dat je je spullen netjes bij elkaar moet houden.

Verlanglijstjes

Het werken met lijstje.nl voor het aanmaken van de verlanglijstjes van je kinderen werkt praktisch en zorgt ervoor dat je dubbele cadeaus vermijdt en zelf een beetje kunt sturen in wat er wordt gegeven. Toch blijft dat lastig, omdat mensen soms hun eigen interpretatie op de spullen geven of van het lijstje afwijken.

Uit het speelgoed groeien

Dan heb je nog het probleem dat kinderen uit speelgoed groeien. Zo zit je na een jaar met een berg babyspeelgoed waar niet naar wordt omgekeken. En zo’n zes jaar lang had ik ideeën voor een soort speelgoedruilbeurs, maar dit komt tot op heden niet van de grond (meteen een stille oproep aan mensen die zich geroepen voelen dit even te organiseren!).

Wegdoen van speelgoed

Zo hakte ik afgelopen weekend, na drie keer mijn nek bijna te breken over rondslingerende poppetjes, balletjes en andere prullaria, een knoop door: weg ermee! Er wordt niet (meer) mee gespeeld, ligt alleen maar in de weg en zorgt voor irritaties en onnodige opruimtijd. Dus pakte ik een rol vuilniszakken en sorteerde al het babyspeelgoed dat we door de jaren heen hebben verzameld. In totaal drie vuilniszakken vol en wat losse dingen daarnaast stonden vervolgens klaar om weg te doen naar de kringloop.

Sorteren, uitzoeken, opruimen…

De volgende uitdaging ligt in het sorteren van al het overige speelgoed. Ligt het aan mijn kinderen? Er is een onverhuld talent voor in no-time alle sorteren bestaand speelgoed als een soort grote blender door elkaar te husselen en in tig verschillende opbergplekken te stoppen. Hoe vaak ik niet ochtenden lang potloden en stiften heb gesorteerd, stapels papier heb gemaakt en puzzels in de goede doos heb teruggestopt… om gek van te worden! En met iedere keer spraken we (uiteraard) af dat er nu wél goed op werd gelet, etc. etc. (je kent het wel). Maar tot op heden lijkt het niet te lukken.

Zorg dragen

Ik vind het belangrijk dat ze leren zorg te dragen voor hun spullen, maar het lijkt wel lastiger te worden naarmate er meer beschikbaar is. Het lijkt ze iets te geven in de trant van ‘iets kwijt? dan pak ik toch wat anders’ of ‘kapot? ik heb toch nog genoeg’. Een soort nonchalance, en dat irriteert me. Een les die ik van belang vind is namelijk dat je zuinig bent, dat je dankbaar bent voor wat je hebt. Gretigheid en inhaligheid en daarmee dus verwend gedrag zijn eigenschappen waarmee ik (en dus ook mijn kinderen) liever niet mee in verband word gebracht.

Overzicht houden

Met het vieren van Meia’s verjaardag voor de deur, was ‘plaatsmaken voor het nieuwe’ (jemig wat klinkt dat decadent!) een vereiste. Tijdens het uitzoeken en opruimen mijmerde ik over hoe ik het ooit voor me zag: kleine beetjes speelgoed, van goede kwaliteit, overzichtelijk, zodat het gepakt kan worden en weer opgeruimd zoals bedoeld. Ik besloot dat het nog niet te laat was. Wegdoen wat overbodig was, was stap 1. Ondertussen dacht ik aan de volgende stappen. Eén daarvan is grondig uitzoeken van het huidige speelgoed en deze weer sorteren. Want, zoals ik uit ervaring leerde: less is more! En wat er dan overblijft ga ik goed opbergen, zodat het overzicht blijft.

Spelkamer

Het speelgoed dat incompleet, stuk of ongebruikt is gaat weg. Of naar de kringloop of verkopen of weggeven, we zien wel. Ook kan ik een deel van het ongebruikte of ontgroeide speelgoed gebruiken voor de praktijk. Er komen immers dagelijks kinderen bij ons, soms in gezelschap van (jongere) broertjes en zusjes die soms zoet gehouden willen worden. En een van mijn dromen is ook een spelkamer in de praktijk, dus wie weet krijgt het speelgoed een nieuwe bestemming in die richting.

Activiteitenboek

En een laatste, ambitieuze stap die ik wil nemen is het maken van een soort activiteitenboek. Met foto’s van alle beschikbare spullen, spellen en speelgoed of andere activiteiten die gedaan kunnen worden. Op school werken ze met een planbord, en dat gaat naar mijn idee heel goed. Ik hoop met een activiteitenboek hetzelfde te kunnen bereiken: bewust kiezen voor een activiteit, deze afmaken en weer opruimen. Dat wordt nog een uitdaging, ik ben nog in de brainstormfase over de uitvoering hiervan, maar ik hou je op de hoogte.

 

Ontwikkelingsvoorsprong bij de oudste: het besef

Ontwikkelingsvoorsprong bij de oudste: het besef

Voorlopen in ontwikkeling

Toen Meia nog maar een baby was, merkte ik al vrij snel dat er een aantal dingen niet ‘volgens het boekje’ liepen. Meia was onze eerste en wij waren ook de eerste in de familie en onze vriendengroep, dus was vergelijkingsmateriaal niet direct voor handen. Maar ik voelde dat onze baby anders reageerde dan de meeste anderen.

En hoewel ik toen net een studie achter de rug had, voelde ik me alles behalve zeker in die eerste maanden. Zeker omdat je bepaalde verwachtingen hebt ten aanzien van baby’s en het ouderschap die dan niet kloppen met de werkelijkheid. Dat brengt je een beetje uit evenwicht.

Weinig slaapbehoefte

Een van de eerste dingen die opvielen was dat ze zo weinig sliep. Baby’s sliepen toch het merendeel van de dag? Ik begreep er niks van. Hoe deden andere ouders dat? Ik zat soms 1,5u mijn kind in slaap te wiegen, voordat ze eindelijk sliep. Redelijk uitgeput ging ik dan vervolgens naar beneden, op muizenvoeten, waar ze na krap 20 minuten alweer wakker was! Gek werd ik er van! Ik had echt het idee dat ze helemaal niet wilde slapen. In de kraamweek was de kraamverzorgster al zo verbaasd dat ze haar hoofdje al zo vaak zelf rechtop hield als ze op schoot zat of op haar buik lag. Ze is zeker sterk, dacht ik toen. Maar na een paar dagen kreeg ik het idee dat ze haar hoofdje doelbewust wilde gebruiken om om zich heen te kijken, tot ze niet meer kon.

Alles in zich opnemen

Sowieso zat ze het liefst rechtop op schoot, over onze schouders heen kijkend, grote opengesperde ogen. Ze vond alles mooi, maar nooit lang. Zolang je maar met haar rondliep, de dingen benoemde en aanwees, liedjes zong, gekke bekken trok of wat dan ook, was het goed. Het vergde nogal wat energie om haar tevreden te stellen, want dat was ze echt niet gauw. Het was alsof ze zich geen tijd gunde om te slapen, alsof ze niets wilde missen en alles in zich op wilde nemen. En het leek zelden genoeg.

Huilen uit boosheid en frustratie

Haar ontwikkeling verliep razendsnel. En dat besefte ik uiteindelijk pas toen onze tweede, Fosse werd geboren. Toen we met hem een babytijd ‘volgens het boekje’ doormaakten, werd het contrast met de babytijd van Meia met een schok duidelijk. Terwijl je bezig bent met het verwerven van je nieuwe rol als moeder, ouder, het wennen aan en leren kennen van je kind, merk je niet hoe de ontwikkeling anders verloopt van die van anderen. Althans, niet erg bewust. Op een meer onbewust niveau merkte ik wel dat we steeds tegen dingen aanliepen omdat je niet goed snapt waarom ze bijvoorbeeld zo vaak huilde, en dan vooral uit nijd of boosheid leek het wel.

Snelle motorische ontwikkeling

Want Meia was (en is) een meisje met temperament, met een kop erop zogezegd. Als zij iets wil, dan wil ze het nu, en wil ze het ook nu kunnen. En zo kwam het dat zij met 4 maanden door de woonkamer tijgerde, met 7 maanden langs de tafel liep, en met 9 maanden woordjes begon te zeggen. Ze leek zichzelf geen rust te gunnen, alsof ze geen tijd te verliezen had. Ik denk ook mede om die reden dat we regelmatig bij de huisartsenpost te vinden waren: Meia had zichzelf geleerd op de bank te klimmen, maar nog niet om er ook handig vanaf te komen, met de nodige ongelukjes van dien. Meia klom de trap op en wist op haar eerste verjaardag zichzelf in de draaistoel te hijsen en deze vervolgens te laten draaien. Val- en struikelpartijen lagen altijd op de loer, door al haar gekke toeren die ze uithaalde.

Temperamentvol

Steeds regelmatig kreeg ik vanuit de omgeving opmerkingen in de trant van “ze is wel vlot hoor”, “kan ze dat al?”, die lieten doorschemeren dat zij wellicht vlotter in haar ontwikkeling was. Maarja, bij zulke kleintjes kun je daar toch verder niks mee, dacht ik toen. En iedere keer hoopte en dacht ik: “als ze straks kan kruipen/lopen/praten/pakken/etc. dan zal ze wel tevreden zijn, dan zal haar frustratie weg zijn”. Maar dat was slechts van korte duur. Want zodra ze de ene kant op kon rollen, was ze boos dat ze niet meer terug kon rollen. Kon ze eindelijk dingen pakken, werd ze boos dat ze geen twee dingen beet kon houden of ergens niet bij kon. Kon ze tijgeren, zat ze steeds klem onder de tafel of kast. Kon ze lopen, ging het haar te traag en viel ze constant in haar hopeloze pogingen te rennen. Het was constant alsof haar hoofd een stap voorliep op haar lijf. Alsof ze begreep wat er in theorie mogelijk was, maar het nog niet helemaal kon uitvoeren. En het dreef haar (en ons) regelmatig tot wanhoop.

Zoeken van uitdaging

Het eerste jaar was al met al een pittig jaar. Weinig slapen, pas doorslapen met 8 maanden, overdag bij wijze van spreken een dagprogramma vol met entertainment willen hebben om tevreden te zijn (de box is bij ons toen nooit gebruikt, enkel als opslagplek voor alle zooi). Ik was benieuwd wat de jaren daarna zouden brengen. Toen ze goed kon lopen werd haar wereld wel groter, evenals haar zelfstandigheid en haar mogelijkheden. Het leek eindelijk wat rust te brengen. Maar ze zat nooit stil. Overal zocht ze de uitdaging in. Met 2 jaar was ik blij dat ze eindelijk naar de peuterspeelzaal kon, zodat ze misschien wat uitgedaagd kon worden. Maar dat was achteraf bezien wat ijdele hoop. Ook daar konden ze niet bieden wat ze wilde, en wij konden ook niet precies uitleggen wát ze nodig had, omdat we dat nog niet precies wisten.

Grenzen opzoeken

En wat er dan gebeurt is iets wonderlijks. Kinderen die uitdaging nodig hebben, zoeken die uitdaging, ongeacht op welk terrein. Het is als het ware een soort ontwikkelhonger die gestild moet worden. Als er geen gebied is om die uitdaging in te vinden, dan wordt het zoeken van de uitdaging verlegd op het terrein van de relatie. Dus gebeurde het dat Meia, met haar 2 jaar, op bijna manipulatieve wijze, de grenzen op zocht bij ons als ouders. Het was bikkelen, want ze leek geen gezag te accepteren en we begrepen er geen snars van. Hoe kon zo’n klein meisje nu zo’n ijzeren wil hebben en zo vastberaden zijn? Ik merkte dat het steeds botste als wij in de machtspositie belandden (zinloos, geloof me): dan was het hard tegen hard.

Machtsstrijd

Pas na talloze vruchteloze machtsstrijden viel bij mij het kwartje: ik moet er naast blijven staan, ze moet het gevoel hebben dat zij niet de mindere is, niet ondergeschikt, maar gelijkwaardig, dat zij als partner wordt behandeld. En dat was inderdaad het antwoord (Ja jongens, al ben je dus orthopedagoog, als moeder blijf je ook maar mens!). Toen we meer als ‘team’ gingen samenwerken, ik haar uitlegde waarom ik deed zoals ik deed, ik argumenten gaf voor de reden waarom ik dingen van haar verwachtte, kon ze de deze accepteren en zich er naar voegen. Maar zelfs dan, met nog geen 3 jaar oud, kon ze ook beslissen iets niet te doen, gewoon omdat ze de reden ervan niet overtuigend genoeg vond. En toegegeven, nog steeds zijn dat lastige momenten: want hoe krijg je soms voor elkaar wat je wilt, zonder in een machtsstrijd te verzanden?

Vaststellen van een voorsprong

Ik overlegde deze en veel andere zaken ook wel eens met mijn collega’s en bijvoorbeeld op het consultatiebureau. En steeds vaker begon ik te denken of ze misschien voorliep, dat ze daarom andere behoeftes had in haar ontwikkeling, dat we daarom soms niet op één lijn zaten. En toen ze op het consultatiebureau uiteindelijk ook zeiden dat het doen van een intelligentieonderzoek wellicht goed was, heb ik die stap uiteindelijk gezet. Met net 3 jaar heeft Meia het onderzoek gedaan, afgenomen door een collega. En hoewel je vermoedens hebt, is de uitslag toch even schrikken. Een voorsprong van 1-2 jaar op verschillende onderdelen. Dus toch.

Eindelijk rust?

Op die leeftijd kun en mag je nog niet spreken van hoogbegaafdheid, maar van een ontwikkelingsvoorsprong, vanwege de grilligheid in de ontwikkeling. Maar doordat we nu wisten dat we haar cognitieve vermogens op een ander niveau konden (ja zelfs moesten, eigenlijk) aanspreken, veranderde ons meisje zienderogen. Weg met de leeftijdsindicaties op alle spellen en speelgoed, maar afgaan op interesses. Ik kreeg dat jaar een museumkaart voor mijn verjaardag en sindsdien hebben we haar meegenomen naar musea. Er ging een wereld voor haar open. Ze vroeg de oren van onze hoofden en genoot van alles wat ze zag en hoorde. In de bibliotheek liet ik de peuterboeken links liggen, maar zocht ik voorleesboeken en boeken met specifieke onderwerpen. Ze verslond ze!

Vinger aan de pols voor de toekomst

En nu ze eindelijk de voeding kreeg die ze zo nodig had, klaarde ze op: er kwam rust, ze kon weer spelen, ging zich beter concentreren, was niet meer zo vluchtig. Toen ze daarnaast ook op peuter/kleutergym met bijna 3 jaar, kon ze ook haar motorische energie kwijt. Op de peuterspeelzaal werd materiaal uit de kleutergroepen gehaald om haar te prikkelen. En alle puzzelstukjes vielen steeds meer op hun plek: we snapten de onrust, de frustraties en de rappe ontwikkeling uit de babytijd nu ineens. En nu we wisten wat ze nodig had, konden we daarop inspelen. Vanuit mijn opleiding wist ik dat we waakzaam zouden moeten blijven, dat vinger aan de pols houden nodig bleef. Maar ik had vertrouwen in de toekomst en was benieuwd hoe ze zich verder zou ontwikkelen.

Ruimte nodig hebben voor je energie

Ruimte nodig hebben voor je energie

Ontwikkelingsdrang

Mijn dochter was 3 jaar, ik zie mezelf nog zitten: internet afstruinend naar een activiteit voor mijn beweegmonster. Ik voelde me een beetje alleen, en nog wel eens. Onze kinderen hebben Ruimte nodig. Met hoofdletters. Uiteindelijk vond ik een activiteit: peuter/kleutergym, eigenlijk vanaf ongeveer 4 jaar, maar Meia mocht gelukkig meedoen. Want wat had ze dat nodig. Het was zomervakantie, dus geen peuterspeelzaal of andere activiteiten om zich op te richten en we liepen zowat tegen de muren op. Vooral als het regende was het huis te klein. Figuurlijk, maar ook letterlijk!

Frustratie

Ik wist het al vanaf de babytijd. Altijd boos en gefrustreerd als ze iets wilde dat haar nog niet lukte. Wilde altijd nét meer dan ze op dat moment kon. En gillen dat ze dan deed! Stilzitten was er niet bij, slapen deed ze ook al liever niet. Altijd maar in de weer, in beweging, als een spons alles in zich opnemend. Niks willen missen van het leven, een tomeloze ontwikkelingsdrang. Echt baby is ze daarom voor mijn gevoel nooit geweest.

Altijd willen bewegen

Met 4 maanden tijgerde ze door de kamer, met 6 maanden kroop ze en met 7 maanden liep ze langs de tafel. Er was geen houden aan. En dat tempo hield ze vast, tot de dag van vandaag. Maar iedere keer was het zoeken geblazen: hoe sluit ik aan bij haar behoeften? Wat kan ik voor haar doen? Want ze leek niet snel tevreden, wilde bewégen, vrij zijn. Zodra ze vast werd gezet (maxi-cosi, kinderstoel, de fiets) zette ze het op een brullen. Ze voelde zich denk ik begrensd en vocht om vrij te komen.

Op vakantie naar Marokko, 3 uur vliegen. 11 maanden was ze op dat moment, toen ze op schoot vastgezet moest worden in de gordels. En we hadden pech, want er was turbulentie, dus moest ze nog langer in de gordels. Nou, de medepassagiers hebben het geweten: “ach heeft ze zo’n last van haar oren”. Nee hoor mevrouw, ze moet blijven zitten, dát is het probleem. Wij hadden trouwens wel last van onze oren. Door haar gekrijs.

Exploratiedrang

En zodra ze kon lopen werd de wereld om haar heen groter, net als voor elk ander kind. De mogelijkheden waren eindeloos, wat in de praktijk inhield dat ik kilometers heb gemaakt achter Meia aan, in haar exploratiedrang. Genieten, op het moment dat ik het toe kon staan en mijn eigen plannen kon laten varen. Frustrerend, op veel andere momenten, waarop ik op tijd ergens moest zijn of Fosse mijn zorg opeiste.

Wat was ik daarom blij dat ik de peutergym had gevonden! Een activiteit waarin ze haar energie kwijt kon, een moment voor zichzelf, en waarop ze tegelijk andere vaardigheden leerde. Op haar beurt wachten, rekening houden met anderen, je lijf leren beheersen. Om maar wat te noemen.

Naar buiten!

En voor de overige uren in de week was het zoeken geblazen. Naar buiten! Was het credo. Haar beweegdrang en energie dwong ons tot creativiteit in de vrije momenten. Veel wandelen, fietsen, naar de speeltuin, voetballen op het plein, zelf leren fietsen, buiten spelen met andere kinderen en nieuwe plekken ontdekken.

En Fosse groeide intussen op, motorisch ook vlot en vaardig, maar gelukkig geduldiger en zonder frustraties. Hij profiteerde mee van de uitjes die we als gezin ondernamen en groeide daarmee op met dezelfde waardering voor bewegen en buiten spelen.

Buiten spelen

Wat prijs ik ons gelukkig met onze kindvriendelijke wijk, met een binnenplein waar de kinderen naar hartenlust veilig kunnen spelen. Ik realiseer me dat dit lang niet meer vanzelfsprekend is tegenwoordig. Zeker nu ik zelf de passie voor het sporten en bewegen weer heb hervonden, besef ik des te meer hoe belangrijk het is om te bewegen en je lijf te gebruiken. Het maakt je gelukkig, wakker, alert. Ik zou niet meer zonder kunnen.

Maar wat mijn kinderen aangaat, lijken zij soms anders in hun behoefte aan ruimte dan andere kinderen. Neem ze mee naar een restaurant (nou eigenlijk moet je dat bij voorbaat al niet willen trouwens), en ze zijn binnen 30 seconden op onderzoek uit, om zo nu en dan weer eens aan te schuiven om een stuk pannenkoek naar binnen te duwen, om vervolgens zo vlug mogelijk weer van tafel te gaan.

Niet vast willen zitten

En nu, met onze derde, merk ik veel gelijkenissen met Meia. Gelukkig heeft Signe ook niet dezelfde frustraties, maar wel dezelfde motorische ontwikkeldrang. Stilzitten is een no-go. Dagelijks houden we ons hart vast als ze op de stoelen klimt en triomfantelijk los gaat staan, als ze zichzelf op de bank laat vallen, als ze in een mum van tijd weer halverwege de trap is geklommen.

Nu ze aan het lopen is geslagen, breekt ook voor haar de tijd aan van ‘er achter aan lopen’. De grootste frustraties voor haar op dit moment zijn vastgezet worden in de auto, in de bakfiets, in de kinderwagen en in de kinderstoel. Vanmorgen kreeg ze het zelfs voor elkaar om voorover uit haar ledikant te kukelen, omdat ze achter haar broer aan wilde gaan.

Energie doseren

Gelukkig heb ik inmiddels de nodige ervaring (inclusief bezoekjes aan huisartsenposten) en weet ik dat de mogelijkheden toenemen als ze wat ouder worden (denk aan sport, buiten spelen met vriendjes, gym). Zo zit Meia nu op zwemles en turnt ze, waar ze haar energie gedoseerd in kwijt kan. Dat brengt rust op de andere momenten. Dat vooruitzicht voor de andere twee maakt een hoop goed. Wie weet breekt er ooit een moment aan dat we met zijn allen aan tafel blijven zitten als we uit eten gaan!

 

Borstvoeding afbouwen na een jaar

Borstvoeding afbouwen na een jaar

Volhouden van lang voeden

Om er maar direct een cliché tegenaan te gooien: het jaar met mijn jongste is voorbij gevlogen! En zo besef ik ineens dat ik al een jaar borstvoeding geef. Sommige mensen kijken me enigszins met opgetrokken bovenlip en lichte afschuw aan als ik dit zeg, maar de meesten zeggen het knap te vinden dat ik het ‘zo lang heb volgehouden’. Nou het was dan ook wel pittig hoor, als ik dan weer lekker op de bank plofde met een warme knuffel (Signe), goed boek en mok thee. Maar ik heb het overleefd. Ternauwernood.

Na het sporten stonden mijn borsten op standje ‘instabiele landmijnen’: het minste of geringste kon voor ‘ontsteking’ zorgen

Maar zonder gekheid: een jaar borstvoeding! Dat is best een poosje. Hoewel het wel steeds makkelijker werd. In het begin was het nog een gedoe: als ik maar een uurtje van huis was (bijvoorbeeld om te sporten), moest ik daarvoor én daarna direct lozen. Na het sporten stonden mijn borsten op standje ‘instabiele landmijnen’: het minste of geringste kon voor ‘ontsteking’ zorgen. Het was daarom fijn toen er steeds meer tijd tussen de voedingen ging zitten, zodat je ook eens wat langer van huis kon. Maar zelfs dan voelde ik me een tikkende tijdbom en was mijn kolfapparaat een trouwere metgezel dan Steef in die momenten. Echt niet dat ik de deur uit ging zonder!

De kolf als trouwe metgezel

Een middagje afspreken met wat vriendinnen en aansluitend eten was een hele onderneming, waarbij constant in mijn achterhoofd zeurde: ‘ik moet straks kolven’. Helemaal comfortabel zit je dan toch niet. Hetzelfde gold voor die momenten op mijn werk. Wanneer Signe ’s nachts ineens besloot haar hele slaap-/waak-ritme om te gooien, liep dit ook in de war met mijn werkafspraken. Soms móést ik dan tussendoor kolven, terwijl ik afspraken had staan. Bedankt stagiaire, voor het opvangen van deze nogal ongemakkelijke momenten!

Afbouwen van de borstvoeding

Nee, met hoeveel liefde ik ook de borstvoeding geef, ik ben oprecht blij dat ik niet meer vast zit aan het kolven. Nu, een jaar later, krijgt Signe nog 2x per dag voeding. Toen ze net geboren was, lag dit tussen de 12-14x per dag (ja, je leest het goed!). Recent ben ik begonnen om één voeding er af te laten vallen. Omdat ik nooit eerder langer dan een jaar heb gevoed, wist ik eigenlijk niet hoe ik dit moest aanpakken. Zowel Meia als Fosse kregen borstvoeding tot zij ongeveer 9 maanden oud waren.

Voedingen laten vallen

Gelukkig sprak ik pas een vriendin die haar zoontje ook langer dan een jaar heeft gevoed. Aan haar vroeg ik hoe zij dat deed: zomaar stoppen? Nog tussentijds de spanning eraf kolven? Hoe reageerde haar kindje daarop? Want ondanks dat dit mijn derde is, wist ik niet meer precies hoe ik dat heb gedaan bij de oudste twee. Blijkbaar tasten zwangerschappen toch meer aan in je geheugen dan je zelf doorhebt. En eigenlijk was haar antwoord heel simpel: gewoon met één voeding stoppen en na een tijdje de andere voeding stoppen. Wordt de spanning te groot, dan nog een keertje voeden of kolven, maar de tijd tussen de voedingen steeds verder rekken. Dus desnoods 1x in de 2 à 3 dagen voeden. Dan wennen je borsten vanzelf.

En inderdaad, ik vind het nog altijd een wonder hoe snel je lichaam zich aanpast aan de veranderingen die je doormaakt. Nu ik de ochtendvoeding niet meer geef, had ik de eerste dag flinke stuwing aan het einde van de middag. Maar de volgende dag kon ik het al rekken tot ’s avonds.

Het einde van het voeden

Het afbouwen kondigt tegelijk het einde en afscheid aan van een fase die is geweest. Het voeden heb ik als fijne, bijzondere momenten ervaren. Het knuffelen, het lichamelijke contact, even samen ontspannen. Daar ben ik nu, met elke voeding, langzaam afscheid van aan het nemen. Het feit dat Signe onze derde en laatste is, betekent ook definitief een einde aan het voeden, het einde van wat was. En dat vind ik stiekem best een beetje jammer. Elke afsluiting van zo’n fase maakt me bewust: deze momenten komen nooit meer terug. Koester ze zolang ze er zijn.

Koesteren

Dus dat doe ik nu maar. Ik kruip nog even lekker op de bank, met het warme lijfje tegen me aan, de friemelende handjes, de roze wangetjes van het drinken, de rozige uitdrukking. Genieten van het feit dat ze in slaap valt, een diepe zucht slaakt als ze stopt met drinken. En natuurlijk ook gewoon genieten van het feit dat ik legaal onder het opruimen van de rommel in de keuken na het avondeten uit kom!

De eerste stapjes: zelfvertrouwen en machtsgevoel

De eerste stapjes: zelfvertrouwen en machtsgevoel

De eerste stapjes als je niet kijkt

Er is weer een mijlpaal geslagen: mijn jongste dochter loopt! En daarmee is ze nu toch echt baby af. Wat een cliché, maar het is blijft leuk en bijzonder. Al langere tijd liep ze langs de tafels, kastjes en klom ze overal op wat haar maar lukte: de trap, de kast, de bedden van broer en zus, en zelfs via het keukentrapje in haar kinderstoel. Maar lopen deed ze niet. Nog niet.

Wist je dat de eerste stapjes vaak worden gezet buiten het zicht van volwassenen? Het zien van de eerste stapjes zijn daarmee dus vaak niet de eerste stapjes. Dit is met experimenten vastgelegd op videobeelden, leerde ik eens in een cursus. Hoe kan dat? Het heeft te maken met zelfvertrouwen. Voor kleine kinderen geldt: ze doen pas dingen waarvan ze zeker weten dat ze het kunnen.

Los staan

In de fase waarin mijn dochter toe werkte naar het loslopen merkte ik dit ook heel goed. Soms stond ze met haar handen tegen de speelgoed kist aan. Eén handje stevig geklemd aan de kist, de ander werd doelmatig gebruikt om in sneltreinvaart zoveel mogelijk speelgoedstukken de kamer in te slingeren. Maar heel soms kwam ze iets interessant tegen, waarvoor ze beiden handen nodig had om het eens te onderzoeken. Op die momenten liet ze de speelgoedkist los, zonder dat ze er erg in had. Ze stond op die momenten dus los, druk wiebelend om zichzelf in balans te houden. Maar zodra ik een kreetje sloeg in de trant van “oh kijk nou, je staat los!”, greep ze angstvallig de kist beet of liet zich direct op haar billen vallen. Blijkbaar was dat toch wel erg eng.

De eerste stapjes bij een ander

Ik weet niet precies waarom een kind er voor kiest de eerste stapjes “buiten beeld” te zetten. Misschien heeft het te maken met het trotse gevoel, dat ze het pas willen tonen als ze er zeker van zijn dat het gaat lukken? Zodat ze weten dat hun ouders het goed zien en trots reageren? Ik weet het niet. Niet zelden hoor ik ook dat kinderen de eerste stapjes zetten bij hun oma, oppas of de kinderopvang. Ik vermoed dat dit geen toeval is, maar helemaal verklaren kan ik het niet.

Zelfvertrouwen

Dat er een stuk zelfvertrouwen meespeelt herken je in de momenten dat je probeert je kindje te laten lopen: proberen voorzichtig je vinger uit de greep van haar handje los te krijgen om haar los door te laten lopen, resulteerde bij mijn jongste steevast in het op de grond ploffen en een verontwaardigde schreeuw: ‘dat was niet de bedoeling!’. Of ze bleef gewoon staan: echt niet dat zij ging laten zien dat ze kon lopen! Niets op commando.

Maar inmiddels is bij Signe is het kwartje gevallen: ze loopt! En natuurlijk viel dat kwartje tijdens een voorstelling op school van mijn oudste, waar we allemaal geacht werden te blijven zitten. Hoe kiezen kinderen dat altijd uit hè? Dus verhuisde mijn vriend naar de achterste rij, waar Signe haar eerste meters maakte, één hand in de lucht en schaterend van plezier en trots. Het was een voorstelling op zich, prachtig!

Motoriek

Het zal voor jullie ook herkenbaar zijn dat het lopen dan niet direct wordt doorgevoerd: het blijft immers toch wat spannend (hóóg daarboven!), het geeft een heel nieuw perspectief en het zelfvertrouwen hierin moet samen met de motorische vaardigheid verder worden uitgebouwd. Dus kiest Signe nog 80% van de tijd voor kruipen. Hierin is ze zeker, snel en vaardig.

“hoe vroeger een kind kan lopen, hoe meer ervaringen het kan opdoen. Blijf het leren lopen daarom stimuleren.”

Toch is het zo, dat hoe vroeger een kind kan lopen, hoe meer ervaringen het kan opdoen. De wereld wordt groter, bereikbaarder, met nieuwe dingen om te ontdekken, te doen en te leren. Blijf daarom alert op het stimuleren van het leren lopen wanneer dit wat langer op zich laat wachten bij je kleintje. Want het feit blijft dat een kindje zijn motoriek nodig heeft voor andere vaardigheden.

Machtsgevoel

Tussen de 9 en 12 maanden krijgt je kind steeds meer spiercontrole. In de theorie van Mahler is dit de fase van praktiseren. Het leren staan en lopen geeft een ‘almachtsgevoel’, want doordat je baby of dreumes steeds beter zijn bewegingen kan controleren, merkt het dat het invloed heeft op de omgeving. Op het moment dat je kindje los kan staan, is dit als het ware het hoogtepunt in het gevoel van machtsgevoel: ‘kijk mij eens’. Zo hoog en groot is het nog niet eerder geweest. Het feit dat je kindje merkt dat je achter hem aan komt als het begint te lopen, geeft bovendien een hele belangrijke boodschap aan hem: ‘ik ben belangrijk genoeg om opgevangen of opgehaald te worden’. Ze voelen zich dus de moeite waard!

Is onveilige hechting een probleem?

Is onveilige hechting een probleem?

Wanneer is hechting problematisch?

Er is al veel geschreven over hechting. Het is ook een ingewikkeld en belangrijk onderwerp, omdat het de basis legt voor je verdere leven. Wat je de eerste jaren meekrijgt in de ontwikkeling van je hechting, is de hardware van je persoon. Iedereen wordt hier op zijn eigen manier mee uitgerust, maar grofweg zijn er wel een aantal categorieën van hechting te noemen.

De meeste kinderen (en dus ook volwassenen, want een hechtingsstijl geldt voor het leven), zijn veilig gehecht. Dat is zo’n 60% van de kinderen. Dat betekent dus dat bijna de helft (plusminus 40%) onveilig gehecht is! Dat klinkt als een enorme hoeveelheid. En dat is het ook. Hoe zit dat?

Vier hechtingsvarianten

In totaal zijn er vier soorten gehechtheidsstijlen. Ik noem ze hieronder:

  1. veilig gehecht
  2. angstig/ambivalent gehecht
  3. vermijdend gehecht
  4. gedesorganiseerd gehecht

Alleen de 1e categorie garandeert dus dat een kind een basaal gevoel van vertrouwen en veiligheid heeft, een algemeen gevoel van: ‘het komt wel goed’. Dit is vanzelfsprekend de meest wenselijke gehechtheidsstijl die er is, omdat hiermee een goede basis wordt gelegd om bijvoorbeeld met nieuwe situaties om te gaan. Het stressniveau ligt niet snel hoog bij deze kinderen (en volwassenen).

Gedesorganiseerde hechting

De overige 3 categorieën zijn vormen van onveilige hechting. Maar slechts één hiervan wordt als een problematische ontwikkeling gezien: de gedesorganiseerde vorm van hechting. Deze komt slechts weinig voor (5-10%). In deze vorm van hechting leert een kind niet goed om te gaan met stressvolle situaties. Als kind heeft het te weinig ervaringen gehad dat het wel goed komt. Er is bijvoorbeeld niet goed gereageerd op zijn behoeften (troost, warmte, eten, schone luier, etc.) of zeer wisselend en onvoorspelbaar. Of de zorgfiguur (meestal de ouders) hebben de signalen van het kind verkeerd ‘gelezen’: ze interpreteren het huilen of het gedrag van het kindje anders dan wat er écht aan de hand is.

Projectie

Een andere oorzaak kan liggen in het projecteren. De moeder denkt bijvoorbeeld: ‘je bent moe, ga maar slapen’, en legt de baby te slapen, terwijl niet de baby moe is, maar de moeder zelf. Als dit soort misinterpretaties en projecties te vaak voorkomen, leert het kind niet wat er in hem omgaat. Het krijgt geen goede grenzen mee van wat bij hem hoort en wat niet. Het raakt verward en gedesorganiseerd.

Kans op trauma

En precies zo ziet het gedrag er dan ook uit: rommelig, chaotisch, als een ongeleid projectiel, onvoorspelbaar. Het kind weet zich geen raad, voelt zich onveilig, ervaart stress maar kan deze niet weg (laten) nemen. Omdat ze hun eigen grenzen niet goed genoeg aanvoelen, kunnen ze zichzelf ook onvoldoende beschermen. Deze kinderen lopen daardoor meer kans op trauma’s. Ze overschrijden onbedoeld hun eigen grenzen en die van anderen.

Onveilig is níét perse problematisch!

De andere twee categorieën gaan over angstige en vermijdende hechtingsstijlen. Zoals gezegd is die niet per se problematisch! Het is slechts een variant in de hechtingsstijl. Sterker nog, in sommige beroepen kan het een voordeel hebben om bijvoorbeeld angstig of ambivalent gehecht te zijn, zoals een bij goede onderzoekers: een zekere mate van wantrouwen maakt hen kritisch en alert! En gereserveerde mensen die wat vermijdend gehecht zijn, vormen vaak het toonbeeld van integriteit.

Hechting als continuüm

Hechting is een continuüm: je kunt in meer of mindere mate veilig of onveilig gehecht zijn. Dit hangt samen met verschillende dingen, zoals:

  • de kwaliteit van het contact met de hechtingsfiguur (meestal de ouders)
  • de kwantiteit van het contact (hoe vaker, hoe beter)
  • of er ingrijpende gebeurtenissen geweest zijn in de hechtingsperiode
  • de zorgfiguren rondom het kind (wie, hoeveel, de ervaringen)

Zo kan het dus ook zijn dat je als kind een veilige hechtingsrelatie met je moeder opbouwt, maar niet met je tante. In het latere leven van je kind kan bepaald hechtingsgedrag daarmee ook getriggerd worden. Als ze iemand tegen komen die hen aan hun tante doet denken, kunnen ze hetzelfde onveilige hechtingsgedrag gaan laten zien.

Responsief in 30% van de tijd

Om tot een veilige hechting te komen met je baby, moet je als ouder (of ander belangrijke zorgfiguur) in 30% van de gevallen responsief reageren. Responsief wil zeggen dat je als ouder doet wat je kindje op dat moment nodig heeft. Dat je snapt wat de behoefte is van je kindje en deze goed vertaalt. Dat je goed bent afgestemd op je baby en hem goed aanvoelt. Dan klinkt 30% als heel weinig, maar dit is al voldoende om tot een veilige hechting is komen. En meestal gaat dat proces ook vanzelf. De meeste ouders en verzorgers voelen voldoende aan wat hun kindje (ongeveer) nodig heeft. Ze zijn sensitief genoeg.

Niet perfect, maar goed genoeg!

Tegelijkertijd is het dus net zo menselijk om soms signalen te missen (denk aan door een huiltje heen slapen, pas later opmerken van een vieze luier of na 4 dagen ineens snappen dat er tanden doorkwamen waardoor je baby zo sacherijnig was). En dat is gelukkig door de natuur ook allemaal ingecalculeerd. Want we zijn tenslotte ook maar mensen. En dat is precies de reden dat goed genoeg ook écht goed genoeg is, mama’s!


Misschien ook interessant:

  1. Toen ik ging zitten voelde het al beter
  2. 10 tips voor een bedankje voor de juf
  3. Op de grens van gewoon opgroeien