Is onveilige hechting een probleem?

Is onveilige hechting een probleem?

Wanneer is hechting problematisch?

Er is al veel geschreven over hechting. Het is ook een ingewikkeld en belangrijk onderwerp, omdat het de basis legt voor je verdere leven. Wat je de eerste jaren meekrijgt in de ontwikkeling van je hechting, is de hardware van je persoon. Iedereen wordt hier op zijn eigen manier mee uitgerust, maar grofweg zijn er wel een aantal categorieën van hechting te noemen.

De meeste kinderen (en dus ook volwassenen, want een hechtingsstijl geldt voor het leven), zijn veilig gehecht. Dat is zo’n 60% van de kinderen. Dat betekent dus dat bijna de helft (plusminus 40%) onveilig gehecht is! Dat klinkt als een enorme hoeveelheid. En dat is het ook. Hoe zit dat?

Vier hechtingsvarianten

In totaal zijn er vier soorten gehechtheidsstijlen. Ik noem ze hieronder:

  1. veilig gehecht
  2. angstig/ambivalent gehecht
  3. vermijdend gehecht
  4. gedesorganiseerd gehecht

Alleen de 1e categorie garandeert dus dat een kind een basaal gevoel van vertrouwen en veiligheid heeft, een algemeen gevoel van: ‘het komt wel goed’. Dit is vanzelfsprekend de meest wenselijke gehechtheidsstijl die er is, omdat hiermee een goede basis wordt gelegd om bijvoorbeeld met nieuwe situaties om te gaan. Het stressniveau ligt niet snel hoog bij deze kinderen (en volwassenen).

Gedesorganiseerde hechting

De overige 3 categorieën zijn vormen van onveilige hechting. Maar slechts één hiervan wordt als een problematische ontwikkeling gezien: de gedesorganiseerde vorm van hechting. Deze komt slechts weinig voor (5-10%). In deze vorm van hechting leert een kind niet goed om te gaan met stressvolle situaties. Als kind heeft het te weinig ervaringen gehad dat het wel goed komt. Er is bijvoorbeeld niet goed gereageerd op zijn behoeften (troost, warmte, eten, schone luier, etc.) of zeer wisselend en onvoorspelbaar. Of de zorgfiguur (meestal de ouders) hebben de signalen van het kind verkeerd ‘gelezen’: ze interpreteren het huilen of het gedrag van het kindje anders dan wat er écht aan de hand is.

Projectie

Een andere oorzaak kan liggen in het projecteren. De moeder denkt bijvoorbeeld: ‘je bent moe, ga maar slapen’, en legt de baby te slapen, terwijl niet de baby moe is, maar de moeder zelf. Als dit soort misinterpretaties en projecties te vaak voorkomen, leert het kind niet wat er in hem omgaat. Het krijgt geen goede grenzen mee van wat bij hem hoort en wat niet. Het raakt verward en gedesorganiseerd.

Kans op trauma

En precies zo ziet het gedrag er dan ook uit: rommelig, chaotisch, als een ongeleid projectiel, onvoorspelbaar. Het kind weet zich geen raad, voelt zich onveilig, ervaart stress maar kan deze niet weg (laten) nemen. Omdat ze hun eigen grenzen niet goed genoeg aanvoelen, kunnen ze zichzelf ook onvoldoende beschermen. Deze kinderen lopen daardoor meer kans op trauma’s. Ze overschrijden onbedoeld hun eigen grenzen en die van anderen.

Onveilig is níét perse problematisch!

De andere twee categorieën gaan over angstige en vermijdende hechtingsstijlen. Zoals gezegd is die niet per se problematisch! Het is slechts een variant in de hechtingsstijl. Sterker nog, in sommige beroepen kan het een voordeel hebben om bijvoorbeeld angstig of ambivalent gehecht te zijn, zoals een bij goede onderzoekers: een zekere mate van wantrouwen maakt hen kritisch en alert! En gereserveerde mensen die wat vermijdend gehecht zijn, vormen vaak het toonbeeld van integriteit.

Hechting als continuüm

Hechting is een continuüm: je kunt in meer of mindere mate veilig of onveilig gehecht zijn. Dit hangt samen met verschillende dingen, zoals:

  • de kwaliteit van het contact met de hechtingsfiguur (meestal de ouders)
  • de kwantiteit van het contact (hoe vaker, hoe beter)
  • of er ingrijpende gebeurtenissen geweest zijn in de hechtingsperiode
  • de zorgfiguren rondom het kind (wie, hoeveel, de ervaringen)

Zo kan het dus ook zijn dat je als kind een veilige hechtingsrelatie met je moeder opbouwt, maar niet met je tante. In het latere leven van je kind kan bepaald hechtingsgedrag daarmee ook getriggerd worden. Als ze iemand tegen komen die hen aan hun tante doet denken, kunnen ze hetzelfde onveilige hechtingsgedrag gaan laten zien.

Responsief in 30% van de tijd

Om tot een veilige hechting te komen met je baby, moet je als ouder (of ander belangrijke zorgfiguur) in 30% van de gevallen responsief reageren. Responsief wil zeggen dat je als ouder doet wat je kindje op dat moment nodig heeft. Dat je snapt wat de behoefte is van je kindje en deze goed vertaalt. Dat je goed bent afgestemd op je baby en hem goed aanvoelt. Dan klinkt 30% als heel weinig, maar dit is al voldoende om tot een veilige hechting is komen. En meestal gaat dat proces ook vanzelf. De meeste ouders en verzorgers voelen voldoende aan wat hun kindje (ongeveer) nodig heeft. Ze zijn sensitief genoeg.

Niet perfect, maar goed genoeg!

Tegelijkertijd is het dus net zo menselijk om soms signalen te missen (denk aan door een huiltje heen slapen, pas later opmerken van een vieze luier of na 4 dagen ineens snappen dat er tanden doorkwamen waardoor je baby zo sacherijnig was). En dat is gelukkig door de natuur ook allemaal ingecalculeerd. Want we zijn tenslotte ook maar mensen. En dat is precies de reden dat goed genoeg ook écht goed genoeg is, mama’s!


Misschien ook interessant:

  1. Toen ik ging zitten voelde het al beter
  2. 10 tips voor een bedankje voor de juf
  3. Op de grens van gewoon opgroeien

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *